miniatuur|Wapen van de tak Van den Clooster Sloet tot Everlo (1903) Sloet (ook: Van den Clooster Sloet tot Everlo, Sloet tot de Beele, Sloet tot Boekeloo, Sloet tot Borchbeuningen, Sloet tot Buckhorst, Sloet tot Cannevelt, Sloet tot Diepenbroeck, Sloet tot Diepenheim, Sloet tot Everlo, Sloet van den Grimberg, Sloet tot de Haare, Sloet tot Hagensdorp, Sloet tot Kerssenberg, Sloet tot Lindenhorst, Sloet van Marxveld, Sloet tot Nijerwal, Sloet tot Oldenhof, Sloet tot Oldhuis, Sloet tot Oldruitenborg(h), Sloet tot Plattenburg, Sloet tot den Rutenberg, Sloet toe Salcke, Sloet van Scherpenzeel, Sloet tot Singraven, Sloet tot Slotenhagen, Sloet tot/van Toutenburg, Sloet tot/van Tweenijenhuizen, Sloet tot Warmeloo, Sloet tot Westerborch, Sloet tot Westerholt, Sloet tot Zwanenburg, Sloet tot Zwollingerkamp) is een oud-adellijk geslacht waarvan leden eeuwenlang in Vollenhove gevestigd waren.
Geschiedenis De bewezen stamreeks begint met Johan Sloet (de jonge), die in 1350 wordt vermeld als riddermatige ten landdage van Overijssel en die overleed kort voor 31 juli 1409.Het Nederland's Adelsboek voert de stamreeks nog met een generatie op maar Beelaerts (1916) heeft aangetoond dat de daar genoemde Sloet niet de vader van Johan Sloet (de jonge) kan zijn.De drie auteurs van De havezaten in het land van Vollenhove en hun bewoners (2004), menen op p. 135, op basis van literatuur uit 1966 en 1998, dat de familie Sloet een jongere tak van het geslacht Reding (geslacht) is; hoe die filiatie loopt, is onduidelijk waardoor bijvoorbeeld door het Nederland's Adelsboek geen oudere generaties kunnen worden opgevoerd dan hier worden gegeven. Latere nazaten werden als riddermatigen vermeld. In de loop der eeuwen verwierven, mede door huwelijken met erfdochters, leden van het geslacht havezaten in Vollenhove en waarvan takken hun toenaam daaraan ontleenden. In de zesde generatie splitste het geslacht zich af in drie takken.
Door hun riddermatigheid, hun bezittingen (havezaten), lidmaatschap van de ridderschappen, afgevaardigd worden ter Staten-Generaal en andere bestuursfuncties hadden de Sloets invloed op het lokaal, provinciaal en nationaal bestuur. Ook na de instelling van het koninkrijk hadden zij invloed op provinciaal en nationaal niveau; door burgemeesterschappen hadden zij ook invloed op het lokale bestuur. Bovendien werden leden van het geslacht na 1815 lid van de Kamers der Staten-Generaal.
Leden van het geslacht werden in het Koninkrijk der Nederlanden opgenomen in 1814 en 1816 in de nieuwe ridderschappen waardoor zij tot de nieuwe adel gingen behoren. Van 1819 tot 1881 vond erkenning plaats van de titel van baron en/of erkenning in de adel met de titel van baron.
Naamswijzigingen Voor de invoering van de Burgerlijke Stand voerden leden van het geslacht vaak dubbele namen die verwezen naar hun havezaten. Enkele van die dubbele geslachtsnamen werden in de registers van de Burgerlijke Stand geofficialiseerd. Enkele personen verkregen na 1811 officieel naamswijziging bij Koninklijk Besluit, waardoor tevens hun nageslacht die naam verkreeg: Franz Georg baron Sloet (1810-1890): verkreeg in 1889 naamswijziging tot Sloet tot Everlo; Mr. Arnoldus Leonardus Nicolaas baron Sloet tot Everlo (1855-1913): verkreeg in 1889 naamswijziging tot Van den Clooster Sloet tot Everlo waarbij de adellijke titel aan het naamdeel Sloet voorafgaat.
Bestuur Bestuur voor 1795 Leden van het geslacht waren lid van de ridderschap of verschenen op de landdag en hadden daardoor invloed op het provinciaal en/of landelijk bestuur. Hiervoor was onder andere het bezit van een havezate noodzakelijk. Volgens bronnen zijn de volgende leden van het geslacht op deze wijze bestuurlijk actief geweest.
Bestuurders Jan Sloet, heer van Tweenyenhuizen (1384-1460) in 1408 op de landdag verschenen. Arent Sloet, heer van Tweenyenhuizen (ca. 1419-1486), in 1460 op de landdag verschenen. Johan Sloet († ca. 1543), riddermatige ter klaring 1497-1527 Arend Sloet (1510-1570), verschreven ten landdage 1539-1566 Johan Sloet [tot Tweenijenhuizen] (1552-1613), verschreven ten landdage 1579-1605, gedeputeerde ter Staten-Generaal 1591-1606 Arend Sloet tot Tweenijenhuizen (1591-1644), verschreven in de Ridderschap 1619, gecomitteerde ter Admiraliteit van Amsterdam 1626 en 1642 Johan Sloet tot Tweenijenhuizen († 1690), verschreven in de Ridderschap 1644, koopt het recht van havezate van Hagensdorp en verlegt het in 1667 op zijn huis Vollenhove, lid van gedeputeerde Staten van Overijssel 1660-1670, verwalter-drost van Vollenhove 1674-1675 Arend Sloet tot Tweenijenhuizen (1660-1706/08), verschreven in de Ridderschap 1684, gedeputeerde ter Generaliteitskamer 1703-1706, lid van gedeputeerde Staten van Overijssel 1706 Arend Herman Sloet tot Hagensdorp (1661-1728), sergeant-majoor, verschreven in de Ridderschap 1685, lid van gedeputeerde Staten van Overijssel 1706-1712, drost van Vollenhove 1712-1728 Jan Sloet tot Plattenburg (1664-1722), kanunnik te Oldenzaal, ritmeester, verschreven in de Ridderschap 1705 Johan Sloet (ca. 1595-?), burgemeester van Kampen Roelof Sloet tot Nijerwal (ca. 1555-1628), verschreven in de Ridderschap 1612, lid van gedeputeerde Staten van Overijssel 1621-1625 Arend Sloet tot Nijerwal (ca. 1583-1656), verschreven in de Ridderschap 1627, luitenant-kolonel, gedeputeerde ter Staten-Generaal 1630-1637, gedeputeerde ter Generaliteitsrekenkamer 1631-1635, lid van gedeputeerde Staten van Overijssel 1644-1652 Johan Sloet de Oude (1515-1597), verschreven ten landdage 1545-1591, drost van Vollenhove 1552-1597 Johan Sloet de Jonge (1550-1611), verschreven ten landdage 1580-1591, verwalter-drost van Vollenhove, drost van Vollenhove en kastelein van Kuinre 1597-1611, gecomitteerde ter Staten-Generaal 1580-1593, gedeputeerde ter Staten-Generaal 1593-1611, commandant van Kampen 1582, mede-ondertekenaar van het Twaalfjarig Bestand in 1609 Coenraad Sloet (ca. 1552-1603), verschreven ten landdage 1590 en 1591, lid van gedeputeerde Staten van Overijssel 1594-1602, ontvanger van Vollenhove 1595-1603 Boldewijn Sloet tot Slotenhagen (1588-1649/1650), verschreven in de Ridderschap 1612, gedeputeerde ter Staten-Generaal 1620-1625, landrentmeester van Vollenhove 1621-1648, lid van gedeputeerde Staten van Overijssel 1625-1638, gedeputeerde ter Generaliteitsrekenkamer 1643-1647 Thomas Borchard Sloet (1615-1659), verschreven in de Ridderschap 1637 Coenraad Willem Sloet tot Slotenhagen († 1677), verschreven in de Ridderschap 1650, landrentmeester van Vollenhove 1648-1677, gedeputeerde ter Generaliteitsrekenkamer 1669-1671 Boldewijn Sloet tot Slotenhagen en Lindenhorst (1660-1721), verschreven in de Ridderschap 1684, gecomitteerde ter kamer Delft van de Oostindische Compagnie 1700, gedeputeerde ter Generaliteitsrekenkamer 1706-1707, gedeputeerde ter Raad van State 1711-1712, lid van gedeputeerde Staten van Overijssel 1712-1721 Coenraad Willem Sloet tot Lindenhorst en Slotenhagen (1687-1724), verschreven in de Ridderschap 1710, landrentmeester van Vollenhove 1713-1724 Boldewijn Sloet tot Lindenhorst en Slotenhagen (1716-1758), verschreven in de Ridderschap 1740, landrentmeester van Vollenhove 1753-1758
Ridderschappen 1814-1850 In 1814 werden Ridderschappen in de meeste provincies ingesteld die via hun afvaardigingen in Provinciale Staten vanaf 1817 ook invloed hadden op het kiezen van leden, en dus de samenstelling van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Deze staatsrechtelijke rol hield in 1850 op te bestaan. De volgende leden van het geslacht werden lid van de Ridderschap; hun jaar van benoeming/toelating alsmede beëindiging van hun lidmaatschap worden vermeld, alsmede of zij lid werden van Provinciale Staten (PS) of Gedeputeerde Staten (GS).Benoeming gebeurde door de Koning, toelating gebeurde vanaf 1817 door de Ridderschap zelf, op basis van de toen vigerende reglementen van de ridderschappen, die ook de criteria voor toelating bevatten. Voor het eindjaar is het jaar van overlijden dan wel 1850, het einde van de staatsrechtelijke rol, aangehouden. De volgorde wordt bepaald door het jaar van benoeming en de plaats op de lijst van de twee Koninklijk Besluiten uit 1814 en 1816 dienaangaande. Zie hiervoor ook: D'Ablaing van Giessenburg (1875).
Gelderland Mr. Antonie Frederik baron Sloet, heer van Zwanenburg (1809-1883), lid 1836-1850, lid PS
Overijssel Floris Willem baron Sloet, heer van Warmelo en Kersbergen (1753-1838), lid 1814-1838 Jhr. Robbert Adolf Borchard Jan Sloet, heer van Westerholt (1746-1816), lid 1814-1816, lid PS Ludolph Everhardus Willem Sophonius baron Sloet, heer van Oldhuis en de Beele (1750-1819), lid 1814-1819 Coenraad Willem baron Sloet van Tweenyenhuizen (1767-1849), lid 1814-1849, lid GS Mr. Reint Wolter baron Sloet van Marxveld (1755-1842), lid 1814-1842, lid GS Andries baron Sloet tot Everlo, heer van Everlo (1780-1844), lid 1814-1844, lid PS Anthony baron Sloet van Oldruitenborgh, heer van Oldruitenborgh, Toutenburg, Benthuys, Nijerwal en de Oldenhof (1769-1853), lid 1814-1850, lid PS Roelof baron Sloet van Lindenhorst (1778-1854), lid 1814-1850 Berend baron Sloet tot Warmelo (1753-1825), lid 1814-1825 Boldewijn Reint Wolter baron Sloet, heer van Hagensdorp (1773-1863), lid 1814-1850 Lodewijk Arend baron Sloet tot Warmelo, heer van Diepenheim (1786-1840), lid 1816-1840, lid PS Mr. Harmen Willem Jan baron Sloet tot Westerholt (1787-1840), lid 1816-1840, lid PS Arend baron Sloet tot Tweenijenhuizen (1790-1849), lid 1816-1849 Mr. Jan Willem baron Sloet van Oldruitenborgh (1792-1863), lid 1816-1850, lid PS Willem Johan Philip baron Sloet van Toutenburg (1796-1873), lid 1816-1850 Mr. Johan Philip baron Sloet tot Tweenyenhuizen (1794-1874), lid 1834-1850, lid PS Gerhard Carel baron Sloet, heer van Warmelo (1800-1872), lid 1837-1850
Havezaten Om deel uit te maken van het provinciaal bestuur van Overijssel voor 1795 dienden edellieden te beschikken over een erkende havezate, alsmede over een bepaald bedrag aan goederen. Het geslacht Sloet heeft in de loop der eeuwen daarvan vele bezeten in Vollenhove en omstreken, en velen van hen hadden vervolgens ook zitting in de (oude) ridderschappen voor 1795. Een enkele maal werd het recht van verschrijving op verzoek verplaatst van de ene naar een andere havezate. Na de omwenteling en de instelling van de nieuwe Ridderschap van Overijssel in 1814 was benoeming daarin voldoende en was het bezit van een havezate geen vereiste meer, en daarmee kwam de mogelijkheid vrij om de havezaten te verkopen, hetgeen dan ook na 1814 gebeurde. De nieuwe ridderschap behield tot aan de invoering van de Provinciewet een bestuurlijke functie, en ook daarin hadden leden van het geslacht Sloet zitting. De Sloets hebben in de loop der eeuwen de volgende havezaten bezeten.De volgorde wordt bepaald door de opeenvolgende vernoeming ervan in het als bron gebruikte standaardwerk uit 2004.
De Eese De havezate De Eese was eeuwenlang in het bezit van het geslacht Van Rechteren. Na overlijden van Frederik Lodewijk Christiaan van Rechteren in 1814 kwam de helft van De Eese aan dochter Florentina Carolina Elisabeth die in 1822 trouwde met Joan Philip Sloet tot Tweenijenhuizen; na haar overlijden in 1859 werd die helft verdeeld onder twee dochters Sloet die hun deel in 1861 verkochten aan een neef Van Rechteren waarmee het geheel opnieuw in dat laatste geslacht kwam waarin het tot 1879 zou blijven. Daarmee was de helft van De Eese van 1822/1859 tot 1861 in het bezit van leden van het geslacht Sloet geweest.
De Hare