Johann Gottfried (eig. Godfried) Hendrik Mann (Den Haag, 15 juli 1858 – Rosmalen, 10 februari 1904) was een Nederlandse componist, dirigent en pianist.In zowel zijn geboorteakte (Haags Gemeentearchief, geboorten 1858, akte 1415), als zijn twee huwelijksakten (zie hieronder) en zijn overlijdensakte (Rosmalen, overlijden 1904, akte 13) wordt zijn naam geschreven als "Johann Godfried Hendrik". Een uittreksel van zijn overlijdensakte werd op 19 februari 1904 ingeschreven in Amsterdam (Stadsarchief, overlijden 1904, akte 1436, register 2, folio 120v). Hij is na zijn dood grotendeels in vergetelheid geraakt.

Vorming Als kind vertoonde Mann al aanleg voor muziek. Zijn ouders schakelden, nadat hij de eerste beginselen van het pianospel van zijn moeder Geertruida Hieronima van Convent ten Oever (1827-1899) kreeg, Emile Wagner (1825-1889) in om hem op de piano en in de muziektheorie les te geven. Wagner, zelf een niet onverdienstelijke componist, gaf de jonge Gottfried ook compositieleer. De trotse vader wijnhandelaar Johann Herman Mann (1827-1911) stuurde van zijn nog maar 13-jarige zoon stiekem een aantal composities naar zijn neef, de Duitse dichter Friedrich Emil Rittershaus (1834-1897), die ze vervolgens doorspeelde naar de Duitse componisten Max Bruch, Carl Reinecke en Ferdinand von Hiller. In 1872 schreef Bruch in een brief aan mevrouw Rittershaus: Es hat mich sehr gefreut, die Sonate Ihres jungen holländischen Freundes kennen zu lernen. Nach meiner Ansicht spricht sich ein entschiedenes Talent darin aus, und man darf hoffen, dass der noch so jugendliche Autor bei fortgesetztem Fleiß und unter verständiger Leitung später noch manches Gute leisten wird. Ondanks het feit dat er een paar maal sprake van is geweest dat Gottfried Mann bij Max Bruch in Bonn in de leer zou gaan, is het er niet van gekomen. In hetzelfde jaar kwam de componist en dirigent van het Gewandhausorchester in Leipzig, Carl Reinecke, op bezoek bij de familie Mann. Hij wilde kennismaken met het talent dat hij zag in de jonge componist. In 1874 werd hij door zijn ouders ingeschreven aan de Koninklijke Muziekschool, het latere Koninklijke Conservatorium, in Den Haag. De directeur Willem Nicolaï verzorgde de theorie- en compositielessen, terwijl Gottfried nog een jaar les kreeg van Wagner. Na het eerste jaar stapte hij voor de pianolessen over naar Carel Wirtz. In 1878 dirigeerde hij zijn eigen werk Ouverture Jan Woutersz ter afsluiting van zijn studie. Orkestdirectie studeerde Mann weliswaar niet, maar in de 19e eeuw was het niet ongebruikelijk dat componisten hun eigen werken dirigeerden. Orkestervaring deed hij op als altviolist in het orkest van het Théâtre Royal Français de La Haye in Den Haag. Toen Mann in 1878 de Koninklijke Muziekschool verliet adviseerde directeur Nicolaï hem om niet naar een ander Conservatorium te gaan, maar een reis naar het buitenland te maken. Zijn reis begon in Duitsland en in het najaar van 1879 vertrok Mann naar Parijs. Hoewel zijn muziek sterk onder invloed van de grote Duitse componisten bleef staan, raakte hij toch gefascineerd door de moderne Franse school. In Parijs leerde hij onder andere Camille Saint-Saëns, Léo Delibes en Jules Massenet kennen. Alle drie collega's waren van ongeveer dezelfde leeftijd en een generatie ouder dan Mann.

Loopbaan In 1882 werd Mann benoemd tot dirigent van het pas opgerichte Amsterdamse orkest de Vereenigde Toonkunstenaren. Na de ontbinding van dit orkest in 1883, maakte Mann de overstap naar de net nieuw gebouwde Parkschouwburg. Deze schouwburg kreeg een nieuw orkest, het Nieuwe Parkorkest, dat naast Gottfried Mann onder leiding kwam te staan van Willem Kes. In 1884, nadat Kes met ruzie met de directie was vertrokken, componeerde Mann zijn balletsuite De droom van den Klokkenluider die meer dan 70 opvoeringen beleefde voor volle zalen. In slechts vier weken tijd had hij de muziek voor dit ballet geschreven. In december 1884 ging zijn juist voltooide Symfonie in d kleine terts opus 87, die hij aan Jules Massenet had opgedragen, in première. De Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst bekroonde de symfonie met een erepremie van vijf dukaten. In de zomer van 1885 componeerde Mann zijn klarinetconcert dat hij aan de beroemde Nederlandse klarinettist Christiaan Pieter Willem Kriens opdroeg. In november ging het concert waarschijnlijk al in première, want het Leidsch Dagblad meldt dat de heer Graff in Leipzig zijn klarinetconcert zal uitvoeren. Of het concert toen ook al in druk is verschenen is niet bekend. Mogelijk werden de partijen eerst met de hand uitgeschreven, die dan later werden gebruikt om de druk ervan te maken. Op hetzelfde concert zou ook zijn symfonie worden uitgevoerd. De Parkschouwburg was in het voorjaar failliet gegaan, en Mann was weer naar zijn geboortestad Den Haag teruggekeerd. Tot ieders verbazing solliciteerde Mann op de vacature van kapelmeester van het Stafmuziekkorps van het 4e Regiment Infanterie en na een vergelijkend examen werd hij uit een twintigtal kandidaten gekozen. Zijn naaste omgeving vreesde echter dat hij met deze benoeming zijn talenten te grabbel zou gooien. Onder hen was de dirigent Willem Stumpff die zijn eerste composities in Amsterdam in première had gebracht. Stumpff schreef hem dat hij als belangstellende in zijn talent hem moest afraden bij een militair corps te gaan, tenzij dat de Grenadiers of het Schutterijcorps te Rotterdam ware. In den regel zijn die corpsen zóó min dat ik het voor uwe gaven bejammeren zou, indien gij daaronder te loor gingt.

In 1887 benaderde het Bestuur van Sempre Crescendo, het studentenorkest van de Universiteit van Leiden, Gottfried Mann, om het orkest weer uit het slop te halen. Mann ging deze uitdaging aan, en binnen heel korte tijd wist hij de harten van de musici te winnen. Het orkest maakte daarna een ongekende bloei door. Hij kende vele goede musici en haalde beroemde collega's naar Leiden om als solist met het orkest op te komen treden. Een van de hoogtepunten is 1897 geweest waar het orkest het vijfde pianoconcert van Beethoven uitvoerde met Willem Mengelberg als solist. Voor het Stafmuziekkorps van het 4e Regiment schreef Gottfried tientallen werken. Naast de gebruikelijke marsen en arrangementen componeerde hij vele operafantasieën. Hij had ook grote naam gemaakt met deze fantasieën, want de encyclopedieën waar zijn naam nog in voorkomt roemen hem juist om dit genre. Na zijn ontslag als kapelmeester gaf hij toestemming om kopieën te maken van zijn composities. Een aantal van zijn operafantasieën zijn bewaard gebleven maar worden, in verband met de veranderde tijdgeest, helaas niet meer uitgevoerd. Ook als dirigent van het strijkorkest maakte hij grote naam.

In de zomer van 1893 nam hij zijn ontslag als kapelmeester van het 4e Regiment nadat hij in datzelfde voorjaar een eigen muziekschool, zijn “Muziek Instituut”, in Leiden had opgericht. De leerlingen konden onderwijs krijgen in viool, cello, piano en theorie. Kort na de opening telde zijn instituut al 50 leerlingen. In deze periode begon Mann zich als pianist ook steeds meer toe te leggen op het begeleiden van bekende musici. Van onder andere Catharina van Rennes, Christiaan Timmner de concertmeester van het Concertgebouworkest, en Jos Orelio de bariton van de Nederlandsche Opera, was hij de begeleider. In het voorjaar van 1894 werd Gottfried Mann door het bestuur van het Concertgebouw geëngageerd tot het dirigeren van de concerten in de open lucht en de zogenaamde “populaire concerten” te Amsterdam gedurende de maanden mei tot september. Bovendien zou hij alle concerten dirigeren tijdens het jaarlijks verlof van Willem Kes, in juli en augustus. Op 24 juni dirigeert hij onder andere zijn eigen klarinetconcert met Anton Blitz als solist.

In het voorjaar van 1896 volgde Mann Simon J.H. de la Fuente op als tweede dirigent van de Nederlandsche Opera in Amsterdam. Opvallend is dat Mann slechts opera's van Franse componisten dirigeerde. Van de ruim twintig producties die de Nederlandsche Opera in het seizoen 1896-1897 op de planken zette, nam hij er slechts vijf voor zijn rekening. In het seizoen van 1896/1897 was Mann tevens dirigent bij de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Toneel. Hier leerde hij de, uit het nog immer bekende toneelgeslacht, actrice Theo Bouwmeester kennen. Het gezelschap voerde het toneelstuk Koning Oedipus van Sophocles op, met begeleiding van een groot orkest dat onder leiding van Mann stond. In het najaar van 1898 vroeg Gottfried haar ten huwelijk, maar in verband met haar 25-jarig jubileum in Amsterdam voltrok het huwelijk zich pas op 1 juni 1899. Theo Bouwmeester zou tot haar dood de naam Mann blijven gebruiken. Na één seizoen bij Cornelis van der Linden hield Mann het voor gezien en maakte de overstap naar de nieuw opgerichte Sociétaire Noord- en Zuid-Nederlandsche Opera-Vereeniging van Johannes George de Groot, vermoedelijk vanwege een positieverbetering van tweede naar eerste dirigent. Of ook andere redenen hier aan ten grondslag lagen blijft wat vaag, want in het voorjaar van 1897 was er ook sprake van dat Mann naar Groningen zou overgaan om J.H. Bekker op te volgen bij de Groningse Harmonie. Na veel wikken en wegen zag hij van een betrekking in Groningen af en bleef hij vooralsnog in Amsterdam. Hij verkaste van de Amsterdamse Stadsschouwburg naar de Parkschouwburg. Geen onbekende plek voor hem, want in 1883/'84 was hij hier al dirigent van het Parkorkest geweest. Ook bij De Groot dirigeerde Mann, op een enkele uitzondering na, alleen Franse opera's. Opvallend is dat een aantal van deze opera's die hij bij de Nederlandsche Opera had gedirigeerd, nu weer terug op het programma kwamen. De onderneming was echter geen lang leven beschoren, het doek viel al na een paar maanden. In november 1897 moest Georges de Groot zijn ambities opgeven en de deuren sluiten.