Priester Hendrik was een priester die in het begin van de 12e eeuw namens een groep Hollandse ontginners een cope-overeenkomst sloot met Frederik I, aartsbisschop van Hamburg-Bremen. De oorkonde duidt hem aan als Heinricus sacerdos ("Hendrik, priester"); de naam Priester Hendrik is daaruit afgeleid. Volgens de plaatselijke overlevering was hij pastoor in het (verdwenen) Jacobswoude.

Achtergrond: de Grote Ontginning Tussen circa 1000 en 1300 werd het Hollands-Utrechtse veengebied tijdens de Grote Ontginning systematisch in cultuur gebracht; daarbij ontstonden de kenmerkende langgerekte ontginningspercelen. De rechtsverhouding tussen ontginners en de landsheer — de bisschop van Utrecht of de graaf van Holland — werd vastgelegd in een cope. Plaatsnamen als Nieuwkoop en Boskoop herinneren daar nog aan.

Aan het hoofd van een groep kolonisten stond doorgaans een locator: de ondernemer die de ontginning organiseerde, kolonisten wierf en de aanloopkosten voorschoot. Hij stond met eigen vermogen borg voor het slagen van de onderneming en werd daarvoor beloond met tienden, het schoutambt en grond binnen de concessie.

De vroegste systematische veenontginningen van Rijnland lagen in de omgeving van Esselijkerwoude, Rijnsaterwoude en Leimuiden. Omstreeks 1100 was daar vrijwel alle woeste grond ontgonnen, zodat ontginners elders emplooi zochten.

De overeenkomst met Frederik I Aartsbisschop Frederik I (1104-1123) gaf woeste marsgronden binnen zijn gezagsgebied uit aan Hollandse kolonisten. Hij sloot een overeenkomst met priester Hendrik en vijf leken, van wie de namen in de oorkonde zijn overgeleverd: Helikinus, Arnoldus, Hiko, Fordolt en Referic. De kolonisten betaalden jaarlijks één pfennig (denarius) per hoeve als erkenning van het gezag van de aartsbisschop, en verwierven in ruil daarvoor eigen rechtspraak en de status van vrije boer — het latere Hollerrecht.

De oorkonde is traditioneel op 1106 gedateerd, maar die datering is omstreden; achtte circa 1113 waarschijnlijker. Uit onderzoek van de rechtshistoricus H. van der Linden zou blijken dat de vijf leken afkomstig waren uit de omgeving van Esselijkerwoude, Rijnsaterwoude en Leimuiden; mogelijk was Hendrik verbonden aan een of meer van de kerken in deze dorpen.

Lokalisering De oorkonde betreft naar de gangbare Duitse opvatting het en het Blockland ten oosten van Bremen, waaraan het gebied zijn naam ontleent; de kolonisatie van de rechter Elbeoever en van het Altes Land kwam pas vanaf omstreeks 1140 op gang. In de Nederlandse streekhistorische literatuur en op de gedenktekens wordt Hendrik daarentegen rechtstreeks in verband gebracht met het Altes Land, het gebied aan de zuidoever van de Elbe tussen Stade en Buxtehude. Vast staat dat de Hollerkolonisatie onder Frederik I begon en dat in het aartsbisdom in de loop van de 12e eeuw tientallen Holländerdörfer ontstonden, met een verkaveling die sterke gelijkenis vertoont met die van de Hollands-Utrechtse laagvlakte; ook cope-namen als Francop, Nincop en Ladekop wijzen op Hollandse herkomst.

Standbeeld thumb|Het beeld van priester Hendrik te Rijnsaterwoude thumb|Plaquette te Rijnsaterwoude Van der Linden stuitte bij het onderzoek voor zijn proefschrift over de cope op de naam Heinricus sacerdos en legde in 1956, samen met de Kulturverein Steinkirchen, het verband tussen beide gebieden. Op zijn initiatief maakte de Duitse beeldhouwer een bronzen beeld, dat als Mönch Heinrich werd geplaatst voor de evangelisch-lutherse St. Martini-et-Nicolai-Kirche in Steinkirchen. Een tweede afgietsel werd op 8 september 2001 onthuld op het plein voor de Woudse Dom in Rijnsaterwoude. Een bronzen plaat in het plaveisel vermeldt:

Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 12e eeuw