miniatuur|Vrouwe Justitia op het stadhuis van Haarlem, symbool van de rechterlijke macht
De trias politica, driemachtenleer of scheiding der macht(en) is een politieke theorie, volgens welke de staat is opgedeeld in drie onderscheiden organen, die elkaars functioneren bewaken. De drie staatsorganen zijn respectievelijk: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht: De wetgevende macht stelt wetten op; De uitvoerende macht oefent het dagelijks bestuur van de staat uit volgens de geldige wetten; De rechtsprekende macht, ook wel rechterlijke macht, toetst deze uitvoering aan de wetten.
Deze staatkundige verdeling gaat terug op het werk van de Franse verlichtingsfilosoof Charles de Montesquieu (1689-1755), die met deze staatsinrichting een alternatief formuleerde voor het Franse absolutisme.
Korte geschiedenis De oorspronkelijke verdeling, voorgesteld door John Locke (1632-1704), is die in wetgevende, uitvoerende en federatieve macht, waarvan de laatste de landsverdediging beoogt. Het brede principe van scheiding der machten gaat terug op het oud-Griekse concept inzake de maatschappelijke organisatie, en vooral inzake de verdeling van de uitoefening van macht.
In de vroege middeleeuwen (na de val van het Romeinse Rijk) werd Noordwest-Europa tijdens de Grote Volksverhuizing overstroomd door voornamelijk Germaanse stammen. De Germanen waren georganiseerd op basis van hun stammen, waarbij zowat elk dorp een dorpshoofd had. In het stammenstelsel werden beslissingen genomen door het dorpshoofd en een raad van dorpswijzen. Die beslissingen waren zowel wetgevend, uitvoerend als rechterlijk. Dat stammenstelsel evolueerde tot het feodale stelsel waarbij de adel alle macht uitoefende; macht die hij zich in eerste plaats toe-eigende, maar die later door de vorst in de adelbrieven werd vastgelegd.
In deze evolutie werd de rechtspraak (op enkele belangrijke onderwerpen na) door de edelen overgedragen aan vertrouwelingen. Met de ontwikkeling van de steden in Europa ontstonden ook zogenaamde "vrijheden", waaronder steden, gebieden die niet aan de macht van de heren onderworpen waren. Steden kregen stadsrechten en daarmee eigen besturen, vaardigden regels uit en er ontwikkelde zich rechtspraak.
In Engeland werd in 1215 door de adel via het Magna Carta inspraak in het wetgevende deel van de macht, toezicht op de uitgaven van het koninkrijk, en inperking van de voorheen absolute monarchie afgedwongen. De koning werd vooral de uitvoerende macht toebedeeld, en bleef een belangrijke speler in het uitvaardigen van wetten, maar moest zich zelf ook aan de wetten houden.
In de Lage Landen werd in 1464 de Staten-Generaal in het leven geroepen, een college van afgevaardigden van alle Provinciale Staten van de gewesten van de Nederlanden. Dit orgaan had een bestuurlijk (dus uitvoerend) karakter, maar was in continentaal Europa wel een vroeg voorbeeld van wat nu een parlement zou heten. (Het vroegste voorbeeld van een gekozen vertegenwoordiging van alle vrije burgers was de Signoria in Florence (toen in de Florentijnse Republiek, nu in Italië), die in originele vorm heeft bestaan van 1250 tot 1532.)
Pas met het opkomen van de Verlichting werd de wijze waarop macht wordt (of dient te worden) uitgeoefend openlijk ter discussie gesteld. Verschillende filosofen hebben hier hun levenswerk van gemaakt, waaronder Niccolò Machiavelli en Charles Montesquieu, en zij namen vanuit een veelvoud van tijdperken en geografische gebieden hun inspiratie: de "klassieken" (bijvoorbeeld Aristoteles, Thucydides, Tacitus en Livius), de consulaire periode in het Romeinse Rijk, de Italiaanse stadsstaten (Florence, Milaan, Venetië, etc.), het Heilige Roomse Rijk en de Staten-Generaal.
De door Montesquieu in 1748 in zijn De l'esprit des lois uiteengezette scheiding der machten werd buiten Europa voor het eerst in de praktijk gebracht. De Verenigde Staten van Amerika waren, in 1787, de eersten die een volledige machtsscheiding bij grondwet doorvoerden:
de wetgevende macht, met op het federale niveau een tweekamerparlement, een gekozen volksvertegenwoordiging en een senaat van vertegenwoordigers van staten, en ook in veruit de meeste staten is er een tweekamerparlement; de uitvoerende macht, bestaande uit een president met een kabinet van ministers en staatssecretarissen op het federale niveau, en gouverneurs op het vlak van de staten; de rechterlijke macht, die piramidaal georganiseerd is met aan de top een Hooggerechtshof.
Kort daarna, na de Franse Revolutie van 1789, werd het concept van Montesquieu ook in Frankrijk doorgevoerd: men installeerde een driemanschap dat de uitvoerende macht op zich nam (voor defensie, openbare orde en belastingen) en een decretale raad die allerlei beschikkingen trof en te boek stelde. Toen Napoléon Bonaparte in 1799 aan de macht kwam, eigende hij zich de uitvoerende macht toe (en dan vooral de militaire macht), liet hij in 1804 alle losse wetgeving bundelen in de Code Napoléon, en liet hij de nationale financiën over aan de Senaat. Hij maakte van zijn staatsbestel een piramidestelsel, georganiseerd langs dorpen, steden, prefecturen en departementen, met daarnaast een identiek gestructureerde piramide van de rechterlijke macht.
Moderne ontwikkelingen Na de Napoleontische periode begint in Europa de periode van de vorming van de zogenaamde natiestaten. In dat proces voltrekken zich gelijktijdig twee fenomenen: de burgerij (de kapitaalkrachtige industriëlen) neemt definitief de macht over van de verarmde adelstand en dringt gelijktijdig de clerus uit het staatsapparaat. De rationele benadering van het uitoefenen van macht leidde tot de zogenaamde instrumentalisering: het staatsapparaat werd een hiërarchie van ambtenaren, en het wispelturige gewoonterecht wordt vervangen door een formeel vastgelegde wetgeving (het statutair recht). de verdringing van de clerus heeft ook een secularisering tot gevolg: het parlement (dus de mens) wordt de bron van het recht, en niet de Bijbel.
De scheiding van kerk en staat en de scheiding der machten worden de twee filosofische pijlers van de moderne staatsorganisatie.
De meeste natiestaten kiezen voor dezelfde verdeling van de macht. De drie piramiden van de macht worden nationaal vertegenwoordigd door: de wetgevende macht met tweekamerparlement; de uitvoerende macht met een koning (waarbij de eerste minister meestal de macht uitoefent) of een gekozen president; de rechterlijke macht met aan de top een Hof van Cassatie in België (Nederland: Hoge Raad). Het Belgisch Grondwettelijk Hof behoort tot de wetgevende macht.
Die drie piramiden dupliceren deze structuur naar verschillende lagere overheden: in Nederland en België zijn dat eerst de provincies en daaronder de gemeenten (of, sinds de federalisering van België, de gewesten en gemeenschappen tussen de nationale en provinciale overheden).
Het staatsgezag vindt sindsdien zijn beslag bij de verschillende daartoe gemachtigde organen. Men wilde voorkomen dat de ene macht inwerkte op de andere en voerde daarom de scheiding der machten in, waarbij de rechterlijke macht ook conflicten, enerzijds tussen de wetgevende en uitvoerende macht, en anderzijds tussen de verschillende (interne) niveaus van die machten beoordeelt, bemiddelt en/of oplost.
Horizontale machtenscheiding Hiermee bedoelt men een verdeling van de (absolute) macht naar Montesquieu in een wetgevende macht, een uitvoerende macht en een rechterlijke macht, die nooit bij één en dezelfde persoon of instantie mogen berusten.
De wetgevende macht. In Nederland zijn dat de regering en de Staten-Generaal (Eerste en Tweede Kamer) (art. 81 GW). In België is dit het federale parlement (de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat) voor de nationale beleidsdomeinen (art. 36 GW). De uitvoerende macht In Nederland de regering (waar de koning deel van uitmaakt) In België de koning en de regering (ministers) De rechterlijke macht: de rechters
De machten hebben ieder hun eigen bevoegdheden en zelfstandigheid. Bovendien is er geen macht die hiërarchisch duidelijk boven de andere machten staat. Al deze machten afzonderlijk hebben ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de burger verantwoordelijkheden door middel van ingebouwde controlemechanismen.
De uitvoerende macht is verantwoording schuldig aan de wetgevende macht; de wetgevende macht is vervolgens verantwoording verschuldigd aan de burgers. De burgers hebben invloed op de wetgevende macht door middel van verkiezingen. (In Nederland is er geen strikte scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht, omdat de uitvoerende macht (de regering) ook wetgevende taken heeft. Deze wetgevende taken deelt zij met de Staten-Generaal (de Eerste en de Tweede Kamer). Belangrijk is echter ook op te merken dat de macht van de regering niet onbeperkt is: als uitvoerende macht wordt de regering namelijk gecontroleerd door zowel de Staten-Generaal als de rechtsprekende macht.)
De rechtsprekende macht controleert vervolgens de uitvoering van wetten en regelgeving, en arbitreert bij conflicten tussen de machten. De rechtsprekende macht zelf zou volgens de grondprincipes van de trias politica kunnen worden gecontroleerd door middel van openbaarheid van zittingen, openbaarheid van uitspraken, goed klachtrecht en zicht op belangenverstrengeling (nevenfunctieregisters), maar in de praktijk wordt de rechtsprekende macht gecontroleerd door de uitvoerende macht die rechtsprekende macht organiseert en de nodige infrastructuur en (financiële) middelen ter beschikking stelt.
De wetgevende macht heeft ook een gerechtelijk 'wapen', in die zin dat zij middels onderzoekscommissies toezicht kan uitoefenen op de uitvoering van de andere macht(en).
Ook de ambtenarij, media en externe adviseurs worden soms als macht onderkend; dit wordt wel eens omschreven als de schaduwmacht of de vierde macht.
Verticale scheiding der machten Naast de horizontale scheiding der machten is er ook een interne, verticale onderverdeling van de verschillende machten, op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Deze verticale scheiding vloeit niet direct voort uit de theorie van Montesquieu, maar volgt deze wel.
Zij houdt in dat de spreiding van bevoegdheden over de hogere en lagere overheden (zie decentralisatie) ook volgens de regels van de trias politica geschiedt. De regelende bevoegdheid van de overheid is bijvoorbeeld overgedragen aan provincies, waterschappen en gemeenten omdat niet alles door de centrale overheid tot in detail geregeld kan worden. In het verleden werd de autonomie van de verschillende bestuurslagen vooropgesteld. Dit noemt men de driekringenleer. Tegenwoordig is de scheiding van de horizontale bestuurslagen minder streng en is er dikwijls sprake van samenwerking.Nota De organisatie van het Openbaar bestuur, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over scheiding van de bestuurslagen.
De theorie van verdeling van bevoegdheden tussen de hogere en lagere overheden heet subsidiariteit, waarbij de verantwoordelijkheid inzake regelgeving en uitvoering op het meest geschikte niveau komt te liggen. Zo heeft het geen zin om een gemeente verantwoordelijkheid te geven over een autosnelweg op zijn grondgebied, zoals het niet nuttig is de nationale overheid te laten beslissen over een doodlopend straatje in een lokaal woonerf.
Werking