thumb|right|360px|Donau-Zwaben in Oostenrijk-Hongarije Donau-Zwaben (Duits: Donauschwaben, Hongaars: Dunai svábok of Dunamenti németek, Roemeens: Şvabi of Şvabi Dunăreni, Servisch: Дунавске Швабе, Dunavske Švabe, Kroatisch: Podunavski Švabe, Bulgaars: Дунавски шваби, Dunavski shvabi) is een verzamelnaam voor een etnische groep van in de 18e eeuw naar midden en Zuid-Europa getrokken Duitsers. Zij leefden vooral in het voormalige koninkrijk Hongarije, met name in de vlakte van de Donau. Afhankelijk van het vestigingsgebied zijn er 4 tot 5 groepen te onderscheiden: Hongaars-Duitse Donau-Zwaben Donau-Zwaben van Satu Mare Donau-Zwaben van Banaat Donau-Zwaben van voormalig Joegoslavië De Duitsers van het arpatenbekken en de Zevenburger Saksen worden niet tot de Donau-Zwaben gerekend.

Geschiedenis Herkomst In het begin van de 13e eeuw begonnen handelaren en de mijnwerkers uit het Duitse Rijk zich te vestigen in het koninkrijk Hongarije op uitnodiging van de Hongaarse koningen, die hun belastinginkomsten met nieuwe productiviteit en handelsstromen wilden verhogen. Met name de ontginning van zilvermijnen en later ook goudmijnen in Slowakije werd in handen gegeven van Saksische ondernemers en mijnarbeiders die hun vaardigheden daartoe in eigen land hadden bewezen. Een kwart van de zilverproductie van Europa kwam uit dit gebied.

In Transsylvanië (Zevenburgen, Siebenbürgen) werden landbouwers uit het Moezelgebied en Luxemburg - naderhand ook 'Saksen' genoemd - aangetrokken om deze weinig bevolkte uithoek van het Hongaarse koninkrijk te bevolken en met versterkte woonplaatsen beter verdedigbaar te maken tegen de Bulgaarse en Turkse invallen. Daarvoor kregen deze kolonisten aanzienlijke autonomie en het recht (vesting-)steden op te richten. Ook elders in koninkrijk werden om de nog primitieve steden op Europees niveau te brengen ambachts- en handelslieden uit het Duitse Rijk, daarnaast uit de Nederlanden (en dan met name Wallonië) en Italië aangetrokken.

Door de eeuwen heen bleven er aanzienlijke nederzettingen van zogenaamde Karpatenduitsers en Zevenburgse Saksen bestaan, met name rondom de acht 'koninklijke steden' in Slowakije en de vijf steden met eenzelfde status in Transsylvanië, dit ondanks de economische neergang ten gevolge van de Turkse verovering van Hongarije, een bezetting waarvan het Slowaakse bergland overigens bleef gevrijwaard, terwijl Transsylvanië zich wisten te handhaven door aan het Ottomaanse Rijk tribuut te betalen in ruil voor autonomie als vorstendom.

Aan het einde van de 17de eeuw verloor het Ottomaanse Rijk zijn greep op deze gebieden en gaandeweg heroverden de Habsburgers het oude Hongaarse koninkrijk. Zij werden nu naast Oostenrijks keizer ook Hongaarse koning en zij legden een verdedigingslinie aan tussen hun rijk en dat van de Turken: de zogenaamde Militärgrenze. Deze bestond uit een door de oorlogen vrijwel ontvolkte grenszone van 10 tot 50 km breed, verlopende van de Adriatische Zee ter hoogte van Split tot de knie in de Karpatenboog midden in het huidige Roemenië ter hoogte van het gebied van de bovengenoemde Zevenburger Saksen (Siebenbürger Sachsen). Deze zone werd in de 18de eeuw bevolkt met kolonisten die als boer in hun levensonderhoud moesten voorzien en daartoe land en om te beginnen belastingvrijdom kregen. Daartegenover waren zij weerplichtig, dat wil zeggen zij moesten onder de wapenen komen bij dreigende invallen door Turkse legers. Hun Duitse aanduiding Wehrbauern gaat op deze functie terug.

De herkomst van deze kolonisten was divers. Een derde bestond uit verarmde boeren uit het zuidwesten van het Duitse Rijk, de Elzas en Lotharingen inbegrepen. Zij werden daarom Zwaben genoemd: Donau-Zwaben. De term Donau-Zwaben slaat daarbij uitsluitend op deze 18de-eeuwse landverhuizers, en niet op de nakomelingen van de 13e-eeuwse volksverhuizing vanuit het Duitse Rijk naar Slowakije en Transsylvanië. Een onderscheid tussen beide manifesteerde zich ook in de godsdienst. De Donau-Zwaben waren grotendeels rooms-katholiek; de Slowaakse en Transsylvaanse Duitsers luthers.

Overigens bestonden de zogenaamde 'Grenzer' naast Donau-Zwaben ook uit Hongaren, Slowaken en Kroaten, en gekatholiseerde Serviërs, Roemenen, en Oekraïners, die onder de Habsburgse kroon veiligheid wilden zoeken. Deze plurifomiteit is voor een deel, na de etnische zuiveringen welke volgden op de Tweede Wereldoorlog, bewaard gebleven in de Servische provincie Vojvodina, de Roemeens provincie Banaat en het zuiden van Hongarije.

Nederzettingen De vestiging van kolonisten volgde stap voor stap op de terugdringing van de Ottomaanse bezetting. Het land dat de Turken achterlieten was verarmd en deels ontvolkt. De Habsbugse adel - zowel de oude Hongaarse als de nieuwe adel van succesvolle legeraanvoerders die uit Oostenrijkers en Italianen bestond - werd met grootgrondbezit beloond voor zijn inspanningen in de Turkenoorlogen en zij ronselden arme boeren voor de herbevolking uit het Duitse Rijk en dan met name uit het zuidwesten (Baden, Württemberg, de Elzas en Lotharingen). Deze kolonisatie begon na de Turkse nederlaag voor Wenen in 1683.

De kolonisten werden Zwaben genoemd naar hun landen van herkomst en vestigden of herbevolkten dorpen in het het Bakonygebergte (Bakonywald) en het Vértesgebergte (Schildgebirge) ten noorden en ten westen van Balatonmeer (Plattensee), zo ook om de stad Buda (Ofen) die nu een deel van Boedapest is geworden. Het gebied van de sterkste Duitse kolonisatie lag zuidelijker in (Zwabisch Turkije), een driehoekig gebied rond de stad Pécs (Fünfkirchen) tussen de Donau, de Drava (Drau) en het Balatonmeer, de huidige komitaten Somogy (Schomodei), Baranya (Branau) en Tolna (Tolnau).

Andere gebieden waar Duitsers zich in deze periode vestigden waren veel oostelijker Satu Mare (Sathmar), nu in Roemenië, en ten zuiden van Moekatsjevo (Munkatsch, Munkács) in oostelijk Slowakije, sinds 1945 Oekraïne.

Nadat het gebied, bestaande uit het Banaat (Bánát, de Bačka, Batschka), nu de Servische provincie Voivodina bezuiden de Drava ook door de Habsburgers van de Ottomanen was bevrijd (Verdrag van Passarowitz (1718), werd het een centrum van de in te richten Militärgrenze. Pas de definitieve pacificatie na een nieuwe korte oorlog (1737-1739) opende de mogelijkheden tot kolonisatie.

De vestiging werd verwezenlijkt door particuliere en staatsinitiatieven, de laatste vooral op instigatie van keizerin Maria Theresia die in 1740 op de troon kwam als koningin van Hongarije. Het land werd geleidelijk ontgonnen door drooglegging van de moerassen langs de Donau en de Tisza, en door de aanleg van wegen en kanalen. In dit gebied immigreerden tussen 1740 en 1790 meer dan 100.000 Duitse boeren.

De napoleontische oorlogen beëindigden de verplaatsing op grote schaal van Duitsers naar het Hongaarse land, hoewel de koloniale bevolking geleidelijk groeide en nieuwe dorpen stichtte. Talrijke dochterkolonies ontwikkelden zich door emigratie naar het geografisch aansluitende Kroatische Slavonië en Bosnië en buiten Oostenrijk-Hongarije in het dorp Bardarski Geran in de Bulgaarse provincie Vratsa en na conflicten later verder naar Tsarev Brod in de provincie Sjoemen en Gostilya in de provincie Pleven.

Na het inrichten van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije in 1867, voerde het nu autonoom geworden Hongarije een beleid van magyarisatie waardoor de minderheden, met inbegrip van de Donau-Zwaben, door politieke, economische en onderwijsmiddelen onder assimilatiedruk kwamen te staan. De culturele afstemming op Oostenrijk en Duitsland werd weliswaar minder maar de overheid slaagde er niet in de Donau-Zwaben ertoe te brengen dat zij de Hongaarse taal en cultuur aannamen.

Bij het Verdrag van Trianon (1920) na de Eerste Wereldoorlog, werd Hongarije verdeeld tussen nieuw gestichte staten. Het Banaat kwam aan Roemenië, Joegoslavië, en bleef voor een klein deel bij Hongarije; de Bačka werd verdeeld tussen Joegoslavië en Hongarije; en Sathmar, sindsdien Satu Mare ging naar Roemenië. Daarmee was het grootste deel onder het nieuwe Joegoslavië gekomen als de provincie Voivodina. De bevolking van deze provincie kwam uit ruim 312.000 (23%) Duits- en uit bijna 442.000 (32%) Hongaarstaligen te bestaan. In het aan Roemenië toegedeelde gebied woonden 225.000 (25%) Duits- en 75.000 (8%) Hongaarstaligen. Daarnaast bleef het woongebied van ruim 700.000 Donau-Zwaben op het resterende Hongaarse staatsgebied liggen, voornamelijk in de gebieden westelijk van de Donau en om Boedapest heen. Vooral zij waren sinds 1866 sterk onderhevig aan een proces van culturele magyarisering.

Tweede Wereldoorlog, de uitwijzing en huidige situatie Bij het begin van Tweede Wereldoorlog bevonden zich Donau-Zwaben in de legers van Roemenië, Hongarije, en Joegoslavië. Tijdens de Duitse en Kroatische bezetting van het hele gebied kreeg Hongarije als Duits bondgenoot delen terug van het gebied dat het in 1920 bij het Verdrag van Trianon had moeten afstaan. Het Joegoslavische deel (Voivodina) werd een autonome regio onder Donau-Zwabische dominantie. De dienstplichtigen meldden zich eerst vrijwillig, later gedwongen aan bij de Waffen-SS, in het bijzonder de 22ste SS-Freiwilligen-Kavallerie-Division "Maria Theresa" en de 7de SS-Freiwilligen-Gebirgs-Division "Prinz Eugen", die vooral berucht zijn geworden door in Joegoslavië begane oorlogsmisdaden. Door dienstneming verloren zij hun oorspronkelijke nationaliteit en ontvingen zij het Duitse staatsburgerschap. Van ongeveer 100.000 militairen sneuvelden er ongeveer 29.000.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog woonden in Joegoslavië, Roemenië en Hongarije 1.400.000 mensen die onder de algemene noemer van Donau-Zwaben vielen. In 1945 waren er na oorlogsverliezen nog 1.235.000 over, toen het Sovjet Rode Leger hun woongebieden binnenviel, waarop de uittocht van Duitsers uit dit deel van Oost-Europa begon. De helft wist op tijd in de richting van Oostenrijk te vluchten. Zo bleven er in de zomer van 1945 810.000 achter. Niet alleen de krachtigste, ook vrouwen en kinderen werden verzameld voor dwangarbeid ("Málenkij robot" of маленькая работа: malenkaia rabota) in de Sovjet-Unie. Anderen werden, en dan met name in het Joegoslavische deel (de Voivodina), naar concentratiekampen gedeporteerd en verbleven daar in dusdanig slechte omstandigheden in plaatselijke kampen dat honderdduizend het niet overleefden. Dat betrof vooral vrouwen, kinderen en bejaarden, omdat veel mannen al aan de fronten krijgsgevangen waren genomen: als dienstplichtige in de nationale legers van Hongarije en Roemenië, die als bondgenoot aan de zijde van nazi-Duitsland streden, maar vooral ook als militair in de Waffen-SS die speciaal voor buitenlanders en buitenlandse Duitsers (Auslanddeutsche) was opgericht. Deze krijgsgevangenen moesten na de Duitse capitulatie in de Sovjet-Unie zware dwangarbeid verrichten en de overlevenden mochten pas in de jaren vijftig, naar hun woonplaatsen teruggaan of naar Duitsland emigreren.

Al dan niet na standrechtelijke veroordelingen vonden in 1945 kort na de Duitse capitulatie hier en daar ook massa-executies plaats. Na collectieve onteigening van alle Duitstaligen in Joegoslavië werden de nu zonder middelen van bestaan gekomen 'onbruikbaren' na verloop van tijd gedwongen naar Duitsland "terug te keren", op 75.000 na die voor dwangarbeid in Joegoslavië achterbleven; ook zij zouden in de jaren vijftig naar Duitsland mogen emigreren. Hongarije wees de helft van zijn Donau-Zwaben uit, op grond van hun al dan niet vermeende nazistische sympathieën, een merkwaardige beschuldiging omdat Hongarije tijdens de oorlog zelf ook Duits bondgenoot was. Een ander deel werd voor dwangarbeid aan de Sovjet-Unie overgeleverd. In Roemenië behielden de Donau-Zwaben hun staatsburgerschap maar ook hier werd dwangarbeid, zij het in het land zelf, opgelegd.