Joan Melchior Kemper (Amsterdam, 26 april 1776 – Leiden, 20 juli 1824Overlijdensakte Burgerlijke Stand Leiden 1824, aktenummer 406) was een Nederlands jurist, letterkundige en politicus. Hij was hoogleraar in de rechtsgeleerdheid op diverse Nederlandse universiteiten en was betrokken bij de Omwenteling van 1813, die een einde maakte aan het Franse Keizerrijk in Nederland en het startpunt was voor een onafhankelijk Nederland na deze periode. Kemper was een van de invloedrijkste hoogleraren van zijn tijd., Groepsportret met Dame 3: De werken van de wetenschap. De Leidse universiteit, 1776-1876 (Amsterdam: Bert Bakker, 2005) 214.
Kemper verkreeg zijn scholing in Amsterdam en nadat hij doctor in de rechten was geworden werd hij achtereenvolgens hoogleraar te Harderwijk, Amsterdam en Leiden. In deze jaren was hij ook in het politieke debat betrokken door middel van letterkundige bijdrages waarin hij de toenemende Franse invloed aan de kaak stelde. De actieve politieke carrière van Kemper zou pas in 1813 beginnen. In dat jaar was hij betrokken bij de Omwenteling waar hij een belangrijke rol in speelde., Schielijk, Winzucht, Zwaarhoofd en Bedaard, 23. Zo was Kemper tijdens de Omwenteling commissaris-generaal in Amsterdam en stelde hij de proclamatie van 2 december op voor de latere koning Willem I. Na 1813 zou hij betrokken zijn bij diverse commissies en was hij zelf voorzitter van de commissie die belast was met het schrijven van een nieuw Burgerlijk Wetboek. Tussen 1817 en 1824 was Kemper lid van de Tweede Kamer waar hij tot de meer onafhankelijke Kamerleden behoorde.
Afkomst en familie De grootvader van Joan Melchior Kemper, Philip Kemper, was afkomstig uit het Westfaalse Gütersloh. Deze Kemper stond in 1749 ingeschreven als poorter van de stad Amsterdam waar hij een jaar eerder was getrouwd met Anna Maria Sophia Voortmeyer."Kemper", in: Nederland's Patriciaat ('s-Gravenhage: Centraal Bureau voor de Genealogie, 1947), 200. De vader van Joan Melchior Kemper was commissionair en zeehandelaar Joan Hendrik Kemper; zijn moeder was Elizabeth Becker. Zijn beide ouders overleden toen Kemper acht jaar was. Samen met zijn jongere broer en zus werd hij door zijn grootmoeder van moederszijde in Haarlem opgevoed."Joan Melchior Kemper" in: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden (1862).
Biografie Scholing Kemper verkreeg zijn scholing aan de Latijnse School in Amsterdam, waar rector Richeus van Ommeren in het klaslokaal een warm pleitbezorger was van de Franse Revolutie. Tot zijn klasgenoten behoorden onder anderen Anton Reinhard Falck, David Jacob van Lennep en Jeronimo de Vries., Tussen verlichting en revolutie: Anton Reinhard Falck 1777-1843 (Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2023), 34 & 51. Na de Latijnse school ging Kemper studeren aan het Athenaeum Illustre en hier kreeg hij les van Hendrik Constantijn Cras, Jean Henri van Swinden en Daniël Wyttenbach. Ook zijn vrienden Falck en Van Lennep gingen naar het Athenaeum, waar Kemper daarnaast bevriend raakte met Matthijs Siegenbeek en Robert Hendrik Arntzenius.
Bataafse revolutie
miniatuur|Het Feest der Vrijheid rond de Vrijheidsboom op de Dam op 4 maart 1795, vervaardigd door Hermanus Numan. In het voorjaar van 1795 liet Kemper zich verkiezen tot student-afgevaardigde van het Athenaeum Illustre, tegelijk met Falck en Verburg. Het drietal stelde een verzoek op aan het Revolutionaire Comité van Amsterdam om deel te nemen aan de parade die de vrijheidsboom naar de Dam zou brengen. Deze boom stond symbool voor de vernieuwde maatschappij van na de Franse Revolutie. In hun verzoek was te lezen dat ze hoopten op een gunstig oordeel, want de tijd was immers voorbij "waarin men iemands Rechten alleen na de willekeurige Privilegiën van den een of andere dwingeland beoordeelde". Het comité wees het verzoek beleefd af., Tussen verlichting en revolutie, 89.
Kemper trad toe tot de schutterij waar hij de rang van luitenant kreeg. Toen hij na de onlusten van mei 1796 een verklaring van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid moest ondertekenen, weigerde hij en bood zijn ontslag aan. Hierop sloot de commandant van de schutterij hem op in de Jan Roodenpoortstoren. Nadat Kemper zijn zaak bepleitte bij de gemeenteraad liet deze hem vrij., Verhandelingen, redevoeringen en staatkundige geschriften van Joan Melchior Kemper, Volume 3 (Amsterdam: Johannes van der Hey en zn., 1836) 8-9. Historicus Bart Verheijen rekent Kemper tot de groep van ware republikeinen; een groep die van mening was dat de revolutie van 1798 niet ver genoeg was doorgezet en dat de revolutie van 1795 was vergiftigd door "baantjesjagers"., Nederland onder Napoleon: Partijstrijd en natievorming 1801-1813 (Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2017) 28.
Wetenschappelijke en literaire carrière Jaren in Harderwijk Op 10 oktober 1796 verdedigde Kemper zijn dissertatie, (Nederlands: Over het principe van de Romeinse juristen: wat in strijd is met de goede zeden, heeft geen gezag van wet) en studeerde hij af in de rechtsgeleerdheid. Aansluitend behaalde Kemper de academische graad van doctor in de rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden. Hij vestigde zich als advocaat in Amsterdam en kwam bekend te staan als een gematigde patriot. Zo fungeerde hij als secretaris van het gematigd-Bataafs genootschap Voor Vrijheid en Orde. In januari 1798 kwam er een radicaal bewind onder leiding van Pieter Vreede aan de macht en door Kempers gematigde opstelling weigerde de Universiteit van Harderwijk hem tot hoogleraar te benoemen. Nadat in juni 1798 een gematigd bewind aan de macht was gekomen stelde de universiteit hem alsnog aan., "Joan Melchior Kemper, oud-patriotse wegbereider van de constitutionele monarchie," in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 41 (2018) 122.
miniatuur|Rutger Jan Schimmelpenninck, geportretteerd door Charles Howard Hodges. Ook na 1798 bleef Kemper zich roeren in het politieke debat. Zo ergerde hij zich aan de toenemende Franse invloed in Nederland. Samen met Samuel Iperusz. Wiselius pakte hij in 1803 de pen op in een anoniem verschenen gedicht, om zich uit te spreken tegen de annexatie van Vlissingen door de Franse Republiek. Hij liet zich een jaar later kritisch uit, onder een pseudoniem, over de kroning van Napoleon Bonaparte., Nederland onder Napoleon, 62-65. Bij het aantreden van Rutger Jan Schimmelpenninck zwaaide Kemper samen met enkele andere dichters de nieuwe raadpensionaris lof toe. Volgens Kemper en de anderen verdiende Schimmelpenninck deze lof, omdat hij zorgde voor verlichting van de natie en de vereniging van de natie tegen de Fransen., "Joan Melchior Kemper", 123. Neerlandica Lotte Jensen deelt Kemper in bij een brede middengroep van vaderlandslievende letterkundigen, en deze omschrijft ze als "oud-patriotten die hun idealen gedwarsboomd zagen door de komst van een Franse monarch." Tot deze groep behoorden ook Rhijnvis Feith en Cornelis Loots., Verzet tegen Napoleon (Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2013) 51.
Kemper protesteerde vervolgens tegen de verheffing van Lodewijk Napoleon tot koning van Holland. Zo pleitte hij voor een referendum waarin het Nederlandse volk zich kon uitspreken over het invoeren van de monarchie. Net zoals andere dichters uitte Kemper zijn gedachten hierover in het weekblad De Ster dat in juni 1806 werd verboden. Een pamflet waarin hij zich keerde tegen de benoeming van Lodewijk Napoleon leidde ertoe dat vanuit Franse zijde werd aangedrongen op vervolging. Drukker Jan ten Brink werd opgepakt om de naam van de schrijver prijs te geven, maar de drukker bezweek niet waardoor Kemper buiten schot bleef. Uiteindelijk besloot de procureur-generaal dat er geen reden was tot vervolging., Nederland onder Napoleon, 119-120.
Tijdens zijn jaren in Harderwijk heeft Kemper tot tweemaal toe een hoogleraarschap in een andere stad geweigerd. In 1802 weigerde hij een aanbieding uit Groningen en drie jaar later bedankte hij voor de aangeboden positie aan de Universiteit van Franeker. Zijn voormalige leermeester Cras deed hem naar Amsterdam terugkeren.
Periode in Amsterdam In 1806 verkreeg Kemper de positie van hoogleraar aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam. Twee jaar later volgde de benoeming tot lid van de Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten. Kemper matigde zijn kritiek op het gezag maar bleef literair actief; zo was hij betrokken bij het tijdschrift De Recensent der Recensenten., "Joan Melchior Kemper", 124. Als hoogleraar bekleedde hij de stoel van burgerlijk recht. Tijdens Kempers periode in Amsterdam werkte koning Lodewijk Napoleon aan de codificatie van het recht in zijn koninkrijk. Hierover merkte Kemper op dat hijzelf een voorstander was van een wetboek dat "aan de vaderlandsche wetgeving die eenparigheid, standvastigheid en volledigheid geven zou", zodat het Romeinse recht afgeschaft zou kunnen worden., "De integratieve functie van het recht in het Verenigd Koninkrijk van Koning Willem I (1815-1830)", De Negentiende Eeuw 36, nr. 4 (2012) 251. Kemper behield zijn positie in Amsterdam drie jaar.
Leidse tijd miniatuur|Herdenkingsplaquette voor Kemper in Leiden bij het Gravensteen In 1809 stelde de Universiteit Leiden hem aan als de opvolger van Frederik Willem Pestel. Aldaar werd hij hoogleraar in het natuur-, staats- en volkenrecht, en van de staatkundige geschiedenis van Europa vanaf Maximiliaan I. In Leiden groeide Kemper uit tot een prominent geleerde met veel maatschappelijk gezag. Na de Inlijving van Nederland bij Frankrijk trad hij meer op de voorgrond. In februari 1810 hield hij een voordracht bij de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen over de Oranjegezinde dichter Onno Zwier van Haren waar hij de "liefde voor het Vaderland en afkeer voor vreemde overheersching probeerde op te wekken." Door deze toespraak kwam Kemper in contact met de kleinzoon van Van Haren, Gijsbert Karel van Hogendorp.
Kemper nam in zijn colleges, die onder zijn studenten hoog stonden aangeschreven, openlijk een anti-Franse houding aan., De man van 1848: Dirk Donker Curtius (Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2018) 31. Toen hij in 1812 doceerde over de staatkundige geschiedenis van Frankrijk wees hij zijn studenten op de illegale wijze waarop Napoleon Nederland in handen had gekregen. Hij werd er door een Franse collega van beschuldigd dat hij studenten van raad voorzag die strijdig was met "de onderworpenheid die zij jegens de Keizer dienden te betrachten." Kempers anti-Franse houding haalden de Leidse studenten aan in een van hun liederen:, Nederland onder Napoleon, 257-258.
thumb|Het Franse paspoort van Joan Melchior Kemper, uitgegeven in 1813. Toen in 1812 de fatale afloop van de Veldtocht van Napoleon naar Rusland bekend raakte, ontstond de gedachte dat er weleens een einde zou kunnen komen aan de band tussen Nederland en Frankrijk. Kemper was lid van het Vrijdagsgezelschap en naast hem waren daar onder meer zijn oude vriend Falck en Maurits Cornelis van Hall lid. Dit gezelschap zag zich als een vrijplaats voor kritische, politieke gedachtewisselingen., "Joan Melchior Kemper", 125. Kemper had zo zijn ideeën over wat er met Nederland moest gebeuren als het zijn onafhankelijkheid verkreeg. Met Falck correspondeerde hij over de terugkeer van het Huis Oranje-Nassau, met een constitutie en instellingen voor de uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht., Tussen verlichting en revolutie, 123.