Witte Corneliszoon de With (Hoogendijk, 28 maart 1599 – Sont (Denemarken), 8 november 1658), bijgenaamd Dubbelwit, was een Nederlands vlootvoogd in de zeventiende eeuw.
Biografie Jeugd Witte de With werd geboren in Hoogendijk bij Den Briel, de geboorteplaats van de één jaar oudere Maarten Tromp. Volgens de overlevering waren ze in hun jeugd vrienden of zelfs al vijanden, maar daar is geen enkel bewijs voor: Tromp verliet Brielle al op zijn zesde en Witte groeide op op een boerderij een paar kilometer buiten de stad. Er is geen enkele aanwijzing voor een verwantschap aan het beroemde patriciërgeslacht De Witt uit Dordrecht.De Witt in het DBNL Zijn ouders Cornelis Wittenszoon de Witte en Neeltje Andries waren vrij oud en niet onbemiddeld. Hij had twee broers, Abraham en Andries, en een zus Catharina. In 1602 overleed De Withs vader; hij heeft de zeedienst dus niet van huis uit meegekregen zoals de meeste zeehelden uit de 17e eeuw. De Withs ouders waren Mennonieten en strikte pacifisten. In 1610 liet Witte, als wederdoper nog niet gedoopt, zich echter door een calvinistische predikant in Nieuwenhoorn dopen, zodat hij zich niet meer gedwongen voelde zich geweldloos te gedragen, wat ook niet in overeenstemming was met zijn karakter. Allerlei baantjes aan de wal, lijndraaier, knopenmaker, zijdewerker, wantsnijder, zeilmaker en kleermaker liepen op een mislukking uit en hij besloot zijn geluk op zee te zoeken.
Rond de wereld Op 21 januari 1616, toen 16 jaar oud, ging De With in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie als kajuitsjongen op de Gouden Leeuw, het schip van kapitein Gheen Huygen Schapenham, bij een vloot van vijf schepen bestemd voor Indië. In september 1616 assisteerde hij bij de scherpe ondervraging van de muiters van de West-Friesland. Er is wel gesuggereerd dat het deelnemen aan de martelingen van invloed geweest is op zijn karakter, evenals het aanschouwen van de terechtstelling, onder andere door vierendelen en radbraken, van de veroordeelden na de aankomst bij Bantam op 13 november.
Tussen november 1616 en oktober 1617 nam hij deel aan twee handelstochten naar India, aan de kust van Coromandel. Hierna werd hij hofmeester en lijfknecht van Jan Pieterszoon Coen, de gouverneur-generaal. In 1618 maakte hij als korporaal het beleg van Fort Jacatra mee; nadat dit ontzet was, nam hij deel aan de verwoesting van de stad. Op 8 oktober 1618 voer hij op de Gouden Leeuw huiswaarts onder kapitein Gijsbrecht van Zuilen. Op 23 mei 1619 keerde hij terug in Brielle.
Maart 1620 overleed zijn broer Bram. Op 20 augustus dat jaar werd hij schipper (hoogste onderofficier) op de Gelderland onder kapitein Schapenham. In december deed hij mee aan een expeditie door Willem de Zoete tegen de Barbarijse zeerovers, in dienst van de Admiraliteit van de Maeze en vestigde zich in Rotterdam. In augustus 1621 kwam hij weer thuis. In het voorjaar van 1622 werd hij benoemd tot luitenant van het schip van Schapenham. Toen deze ziek werd commandeerde De With als luitenant-commandeur het schip tijdens een konvooitocht op de Oostzee. Na diens herstel voer De With als luitenant op de Maurits ter bescherming van de haringvloot.
In juli 1622 werd hij vlaggenkapitein op de Delft onder nu viceadmiraal Gheen Huygen Schapenham, om mee te doen aan de spectaculaire aanval door de Nassause Vloot uit Amsterdam, een expeditie van elf schepen onder bevel van Jacques l'Hermite om de Spaanse bezittingen op de westkust van Peru, Bolivia en Ecuador te teisteren. Vertrokken op 29 april 1623 voer deze vloot via Sierra Leone naar Zuid-Amerika en rondde in maart 1624 Kaap Hoorn, waarbij een nieuwe vaarroute ontdekt werd. Naar l'Hermite werd een groepje eilanden (de Hermite eilanden) en naar Schapenham een baai genoemd. De With handhaafde de discipline zo streng dat zes matrozen van zijn schip op 13 april deserteerden naar Juan Fernández, hetzelfde onbewoonde eiland voor de kust van Chili waarop het verhaal van Robinson Crusoe gebaseerd is. Tot augustus 1624 viel de vloot aan de westkust van Zuid-Amerika met wisselend succes verschillende nederzettingen aan en legde een blokkade aan voor de stad Callao. Een dertigtal vaartuigen werd genomen of verbrand, maar het lukte niet om een belangrijk zilvertransport te veroveren, want dat was een paar dagen eerder vertrokken. Tijdens een van de acties werd De With doorschoten door een musketkogel. Na de strooptocht maakte de vloot niet rechtsomkeer, maar voer helemaal over de Grote Oceaan door naar Ceram.
Via de Marianen kwam de vloot op 5 maart 1625 aan bij de Molukken, op het eiland Ternate. De With zelf voerde op verzoek van de gouverneur van Ambon daar in twee maanden tijds een zogenaamde hongitocht uit, als kapitein van een legermacht, waarbij de kruidnagelplantages van de lokale bevolking systematisch verwoest werden om de prijs van de specerijen op te drijven. Hij leverde zesmaal gevechten tegen een inheemse strijdmacht en liet zestigduizend kruidnagelbomen kappen. Na deze 'strafexpeditie' vertrok de vloot naar Batavia, waar men op 29 augustus arriveerde. Nadat bij de Delft een 'dubbeling' was uitgevoerd, dat wil zeggen een nieuwe laag planken was aangebracht tegen de paalworm, ging De With op 6 februari 1626 huiswaarts. Schapenham was overleden en hij was aangesteld als commandeur, in dit geval plaatsvervangend viceadmiraal, (bij de VOC) van een retourvloot van vier schepen; de lading had een toenmalige waarde van vijf miljoen guldens met een geschatte tegenwaarde van 150 ton goud. Op 22 september 1626 keerde De With op de Delft via Kaap de Goede Hoop voor de tweede en laatste maal terug uit Indië, zodat hij rond de wereld gereisd is. Bij thuiskomst bleken ondertussen zijn moeder en zuster te zijn overleden. Hij bleef daarop anderhalf jaar aan wal.
Zilvervloot thumb|De Zilvervloot In 1627 trad De With voor de eerste maal in het huwelijk, met zijn even oude achternicht Maria de With (1599-1631) uit Nieuwenhoorn. In april 1628 overleed hun eerste kind Cornelis. Kort daarop werd hij, in dienst van de WIC, vlaggenkapitein bij Piet Heyn op de Amsterdam. De expeditie vertrok 20 mei voor een aanval op de Spaanse Zilvervloot, die bij Cuba in september 1628 met succes werd uitgevoerd. Op 10 januari 1629 keerde de expeditie weer naar huis. De With hielp daarop het zilver uit de Rode Leeuw te bergen dat voor de kust van Goeree vergaan was. Hij kreeg een prijsgeld van ongeveer vijfhonderd guldens, de normale zeventien maanden extra gage die iedereen ontving, wat hem zwaar tegenviel want hij vond dat hij een cruciale rol gespeeld had bij het onderscheppen door in augustus een bark te nemen waarvan de bemanning meldde dat de zilvervloot elk moment kon arriveren, terwijl Heyn al op het punt gestaan had naar Florida te varen. Toen Heyn bevelhebber van de marine gemaakt werd, stelde hij voor een permanente tactisch-operationele officier bij zijn staf te benoemen, voor welke functie hij De With in gedachten had, die tot tevredenheid tijdens de expeditie al tijdelijk als zodanig gefunctioneerd had. Dit voorstel werd echter door de admiraliteiten afgewezen. De With werd ook gepasseerd voor de functie van vlaggenkapitein van de Vlieghende Groene Draeck en werd in plaats daarvan in juni kapitein op de Prins Hendrik. Na de dood van Heyn diezelfde maand nam De With, hevig teleurgesteld, in november ontslag bij de marine, menend dat hij nu toch geen promotie meer kon maken. In september dat jaar was zijn dochter Cornelia geboren.
De With was echter al op 29 april 1629 aangesteld geweest op een eskader dat de visserij moest beschermen. Op verzoek van het College van de Grote Visserij was hij van mei 1630 tot eind 1633 commandeur van de Grote Visserij waarbij hij dus verantwoordelijk was voor de konvooiering van de haringvloot. In feite veranderde er dus niet veel want hij bleef kapitein op de Prins Hendrik. Al in 1630 betekende dit dat hij weer als vlaggenkapitein moest werken want viceadmiraal Jasper Liefhebber kreeg dit vaartuig voor een tijd als vlaggenschip toegewezen. In mei 1631 overleed zijn eerste vrouw. In mei 1632 hertrouwde hij met de achttienjarige Hillegonda van Goch (1613-1649), de dochter van een Rotterdamse regent. In 1633 werd zijn tweede zoon Cornelis geboren die echter alweer in juli 1634 overleed. Begin 1634 ging De With weer officieel bij de marine in dienst toen luitenant-admiraal Filips van Dorp hem als vlaggenkapitein gebruikte bij een expeditie voor de Franse kust. Liefhebber werd toen bang dat De With hem als viceadmiraal zou verdringen. De spanningen tussen de twee liepen zo hoog op dat De With na vier maanden midden in de campagne de vloot weer verliet; hij nam opnieuw ontslag. Hij werd voor een jaar schepen in Brielle, van oktober 1635 tot oktober 1636. Dat laatste jaar werd zijn vierde kind geboren, Maria. In oktober 1637 werd hij in Brielle benoemd als diaken. Naast wat zijn functies hem opbrachten, had De With nog wat inkomsten uit het land van zijn ouders en wat aangekochte percelen die hij verpachtte en verder had hij een belang in een vishoeker, een scheepje voor de riviervisserij.
Viceadmiraal thumb|Antonio de Oquendo Op 29 oktober 1637, toen de hele marinetop, inclusief Van Dorp en Liefhebber, in ongenade viel, werd De With, nog steeds bij de Admiraliteit van de Maeze, benoemd tot viceadmiraal van Holland en West-Friesland gelijktijdig met de benoeming van Maarten Tromp tot luitenant-admiraal. Hiërarchisch werd hij nog onder viceadmiraal Johan Evertsen geplaatst, de commandant van de Zeeuwse vloot. In die functie functioneerde hij meestal als eskadercommandant. Soms combineerden Tromp en De With hun eskaders, soms kruisten ze apart. Al in november 1637 staken beiden in zee tegen de Duinkerker Kapers; het lukte hun die winter niet een groot Spaans troepentransport naar Duinkerken te onderscheppen en in februari 1638 keerde De With weer terug. In augustus liep De With weer uit op de Maagd van Dordrecht om Tromp te versterken. In oktober ging Tromp naar huis en liet De With achter om met een dozijn schepen Duinkerken te blijven blokkeren. Op 22 oktober braken echter achttien kapers uit op weg naar de haringvloot. Tijdens een wilde achtervolgingsjacht bij stormachtig weer probeerden de Duinkerkers De With met plotse koersveranderingen af te schudden. Het lukte hem de haringbuizen af te schermen en zelfs de wijnvloot uit Bordeaux ongeschonden binnen te laten lopen, maar was ondertussen al zijn eigen schepen uit het zicht verloren. Toen hij op 4 december weer binnenliep, kwam hem ter ore dat twee kapiteins hem van plichtsverzuim beschuldigd hadden. Hierop eiste De With een officieel onderzoek om zijn naam te zuiveren. Tegen zijn verwachting in stelde Tromp een volle krijgsraad in die de affaire vier maanden lang onderzocht maar wel concludeerde tot een volledig eerherstel.
Tijdens het vaarseizoen van 1639 probeerden Tromp en De With een groot Spaans-Portugees troepentransport, de zogenaamde Tweede Spaanse Armada, te onderscheppen waarvan ze wisten dat het naar Duinkerke zou pogen door te breken. Het eskader van Tromp kreeg de vijand in september het eerst in het oog. Op 17 september voegde De With zich bij hem en samen gingen ze de strijd aan met de veel grotere vijandelijke vloot, in een verdedigende kiellinie in de lij. De With beviel deze moderne en voorzichtige tactiek kennelijk maar weinig want hij verbrak op eigen initiatief de formatie om een persoonlijk duel uit te vechten met het Spaanse vlaggenschip de Santiago. Hoewel het achterkasteel van de Maagd van Dordrecht wegbrandde, lukte het hem de Spaanse admiraal Antonio de Oquendo zo te intimideren dat die het gevecht afbrak. Achteraf verweet De With Tromp dat die hem niet te hulp geschoten was. De volgende dag ging men na versterkt te zijn door Joost Banckert de strijd weer aan en de transportvloot zocht nu beschutting aan de Rede van Duins op de Engelse kust. De With voer nu met de Maagd van Dordrecht terug, maar keerde op 28 september weer, nu op de Prins Frederick Hendrick.