Het (mark)graafschap Ename was een graafschap op de oostelijke oever van de Schelde. Het was de voorloper van een zestal heerlijkheden, in het bijzonder het Land van Aalst, die gedurende latere eeuwen allemaal behoorden tot het graafschap Vlaanderen.

Aanvankelijk was het graafschap een deelgraafschap van de Brabantgouw. In 966 werd deze gouw toegewezen aan Godfried van Verdun, maar na de veldtochten van Reinier en Lambert vielen de overige deelgraafschappen aan Reinier I van Bergen en Karel van Neder-Lotharingen (977). Om deze reden wordt het deelgraafschap Ename in sommige bronnen aangeduid met de overkoepelende benaming "Brabant", waarvan dit het laatste restant was.Auctarium Affligemense: Hezcelo comes, post mortem ducis, castrum Eiham cum provincia Brabantensi suscepit et diu tenuit. (...) Hic enim genuit filium nomine Herimannum, et filium nomine Berthildem (...) Alteram quoque filiam tradidit nuptui Reginero, Montensi comiti, simul cum tota provincia Brabantensi.

Ename gold als de bestuurlijke en militaire hoofdplaats.Auctarium Affligemense: sedes principalis ducatus regni Lotharici Een goed uitgeruste burchtAuctarium Affligemense: Eiham, oppidum et castrum munitissimum bewaakte de kruising van een belangrijke weg (mogelijk teruggaand op de hypothetische heirbaan Wervik-Tongeren) met de Schelde, toendertijd de grens tussen Oost- en West-Francië. De burcht werd kort na 977 opgericht om de Schelde te beveiligen tegen nieuwe invallen vanuit West-Francië. Aan deze burcht ontleende het graafschap Ename zijn militaire status als "markgraafschap" (een mark was een grensgebied). Naast Ename genoot Velzeke, een voormalige vicus, enig belang. Hier werden twee zonen van Herman van Verdun begraven. Te Gent viel de Sint-Baafsabdij, een kerkelijke enclave op de Vlaamse oever van de Schelde, onder voogdij van de Duitse keizer via diens vazal in Ename.Léon Vanderkindere (1902). La formation territoriale des principautés belges au Moyen-Âge volume 1, p. 39-40, 67 en 69.

Via een dochter van Herman van Verdun viel het markgraafschap aan Reinier II van Bergen (1015), maar deze schonk het aan Boudewijn IV van Vlaanderen (1033). De keizer weigerde hun onderlinge gebiedsoverdracht te erkennen. Dezelfde gebiedsruil tussen hun opvolgers Herman I van Bergen en Boudewijn V van Vlaanderen (1047) werd opnieuw afgekeurd. Keizerlijke troepen verdreven de Vlaamse machtshebbers in 1049 en 1054. Toch werd de Vlaamse heerschappij spoedig opnieuw gevestigd, getuigen documenten van de abdij van Ename (1063) en de abdij van Geraardsbergen (1068). Volgens historici ontving Boudewijn V van Vlaanderen het markgraafschap Ename misschien dankzij een vermeende betrokkenheid in de staatsgreep van Kaiserswerth (1062).

De functie van "markgraaf" ging nu over op een "burggraaf", aangeduid door de graaf van Vlaanderen. De centrale burcht van het gebied werd niet herbouwd te Ename maar te Aalst, als militair steunpunt aan de nieuwe oostgrens van Vlaanderen. Gedacht wordt dat de dynastie van de burggraven eindigde met Diederik van Aalst (1166). Vanaf dan nam de graaf van Vlaanderen zelf de titel "burggraaf van Aalst" aan. In de praktijk liet hij het bestuur grotendeels over aan plaatselijke landsheren (zie de indeling van het Land van Aalst).

Ename Categorie:Zuidelijke Nederlanden Categorie:Graafschap Vlaanderen Categorie:Geschiedenis van Oudenaarde