miniatuur|260px|vrouwelijke bloeiwijze miniatuur|260px|Hopakker in Duitsland Hop (Humulus lupulus) is een plantensoort uit de hennepfamilie (Cannabaceae), die in West-Europa in het wild voorkomt, en daar vroeger ook veel geteeld werd. De hopbellen (vruchtkegels) worden als conserveer- en smaakmiddel gebruikt bij de bereiding van bier. Hop is een tweehuizige vaste plant die overwintert als wortelstok. De soort komt van nature voor in het grootste deel van de gematigde- en koude zone van het noordelijk halfrond, ten noorden van de 32e breedtegraad.Humulus lupulus in de Flora of ChinaHumulus lupulus in de Flora of North AmericaHumulus lupulus in de Flora Europaea Door de teelt ten behoeve van de bierproductie heeft de hop zijn areaal uitgebreid naar Zuid-Amerika, Zuid-Afrika, Australië en Tasmanië.
Beschrijving Hop is een tweehuizige, vaste, rechtswindende klimplant. Het is een hemikryptofyt: de plant overwintert als wortelstok, de bovengrondse scheuten zijn kruidachtig en eenjarig. De stengel is knobbelig en ruw. De bladeren zijn tegenoverstaand, lang gesteeld met steunblaadjes aan basis van de bladsteel, en hebben een hartvormige voet en gezaagde rand. Meestal zijn ze gelobd, met drie, soms vijf lobben. De bladeren aan de top van de stengel kunnen ongedeeld zijn.
De bloemen, die in Noordwest-Europa verschijnen van juli tot september, groeien in pluimen in de bladoksels, bij de mannelijke bloeiwijzen staan de bloemen afzonderlijk aan het eind van de pluimsteeltjes, bij de vrouwelijke bloeiwijzen staan aan het eind van de pluimstelen aartjes met meerdere bloemen. Hieruit ontwikkelen zich de karakteristieke 'hopbellen', eivormige vruchtkegels die in augustus/september aan de vrouwelijke plant groeien.
Hopvariëteiten Er zijn vijf natuurlijke variëteiten van de hop benoemd.
Net als bij andere cultuurgewassen worden er van de hop verschillende cultivar gekweekt (zie Lijst van hopvariëteiten). Er bestaat ook een siervariant, de cultivar Humulus lupulus 'Aureus', met goudgele bladeren (de gouden hop), gekweekt door het Wye College in Kent.
Veel van de nieuwe Engelse cultivars van de zeventiger jaren hebben een donkerrode rank, terwijl de oudere rassen een groene rank hebben. De kleur van de rank, de vorm van het blad, de kleur van het blad en van de hopbel, de vorm en de grootte van de hopbel en uiteindelijk het aroma van de rijpe hopbel zijn punten die het mogelijk maken de verschillende hopvariëteiten te herkennen.
Taxonomie De hop is een plant uit het geslacht Humulus in de hennepfamilie (Cannabaceae). De naam van het geslacht en de soort werden in 1753 door Linnaeus gepubliceerd in Species plantarum. (1753), Species plantarum deel 2: 1028. Linnaeus citeerde verschillende andere werkenLinnaeus verwees naar zijn eigen Hortus Cliffortianus 458, Flora Suecica n°818 en Materia Medica n°458, en naar Dalibards Florae Parisiensis prodromus 301 en Van Royens Florae Leydensis prodromus 222, die elk op zich weer terugwezen naar Hortus Cliffortianus (van 1738) of Genera plantarum n°750 (1e druk, 1737). In Hortus Cliffortianus verwees Linnaeus naar Herman Boerhaave's Index alter plantarum 2: 104 (1727), John Ray's Historia plantarum 1: 156 (1686), Gaspard Bauhins Pinax 298 (1623), Johann Bauhins Historia plantarum universalis deel 2: 152 (1651) en naar Robert Morisons Plantarum historiae universalis Oxoniensis deel 2: 37 (38) en sect. 1 T.7 (1715). In deze laatste twee werken zijn ook afbeeldingen te vinden. maar wees geen type-exemplaar aan. In 1978 wees Ernest Small uit het beschikbare materiaal het specimen Clifford Herbarium 458, Humulus 1 (BM-000647487)Lectotype van Humulus lupulus (BM-000647487), bewaard in het Natural History Museum in Londen aan als "lectotype". (1978), A Numerical and Nomenclatural Analysis of Morpho-Geographic Taxa of Humulus. Systematic Botany 3: 37-76 (61) (Abstract)Humulus lupulus in The Linnaean Plant Name Typification Project Dit specimen bevindt zich in het British Museum of Natural History. De soortaanduiding lupulus is een zelfstandig naamwoord en het verkleinwoord van "lupus" (wolf). De naam werd volgens John Ray al door Plinius de Oudere als geslachtsnaam voor de hop genoemd.in Naturalis historia Liber 21, Caput 15, zie: Ray, J. (1686), Historia plantarum deel 1: 156
In het geslacht Humulus is een handvol soorten benoemd,Humulus in de IPNI-database waarvan een deel later is gereduceerd tot variëteit van H. lupulus. Van deze soort worden nu de volgende variëteiten onderscheiden: H. lupulus var. lupulus – Europese hop H. lupulus var. cordifolius () – Japanse hop H. lupulus var. neomexicanus – Amerika (noordwestelijke staten) en Canada H. lupulus var. pubescens – Amerika (midden- en westelijke staten) H. lupulus var. lupuloides – Amerika (oostelijke staten)
Oorsprong Op grond van de verspreiding van de hedendaagse genetische variatie, stellen Murakami et al. dat het geslacht Humulus waarschijnlijk in China is ontstaan. (2006), Molecular phylogeny of wild Hops, Humulus lupulus L. Heredity 97: 66-74 Als aanvullende aanwijzing hiervoor noemen ze dat alle drie de tegenwoordig nog onderscheiden soorten (H. lupulus L., H. japonicus Siebold & Zuccarini [syn. H. scandens (Loureiro) Merrill] en H. yunnanensis Hu) in China voorkomen en dat één ervan een endeem is. Volgens dezelfde auteurs heeft H. lupulus zich 6,38 miljoen jaar geleden, in het Mioceen, gescheiden van H. japonicus. De eerste soort heeft zich daarna in een aantal variëteiten gesplitst. Aangezien de nu bekende variëteiten H. lupulus var. lupuloides, H. lupulus var. neomexicanus en H. lupulus var. pubescens uit Noord-Amerika en H. lupulus var. cordifolius uit Oost-Azië nauwer aan elkaar verwant zijn dan aan H. lupulus var. lupulus, moet de soort zich volgens Murakami et al. eerst in twee variëteiten hebben gesplitst waarvan de een, in het noordwesten van China, de voorouder van var. lupulus was, en de ander, in het zuidoosten, de voorouder van de overige. Dit zou 1,05 (± 0,28) tot 1,27 (± 0,30) miljoen jaar geleden, in het Pleistoceen, gebeurd zijn. De noordwestelijke variëteit, H. lupulus var. lupulus, heeft zich daarna over West-Azië en Europa verspreid. De zuidoostelijke variëteit heeft zich over Oost-Azië en Noord-Amerika verspreid, en zich verder ontwikkeld tot de vier nu bekende variëteiten. De scheiding tussen de Oost-Aziatische en Noord-Amerikaanse variëteiten moet vervolgens 0,46 (± 0,17) tot 0,69 (± 0,21) miljoen jaar geleden hebben plaatsgehad.
Op grond van de genetische variatie in H. lupulus var. lupulus, concluderen de auteurs dat deze variëteit niet recent door mensen in Europa is geïntroduceerd. H. lupulus komt dus van nature in Europa voor. De geringe genetische variatie in de Europese populatie laat zich geheel verklaren door de laatste ijstijd (Weichselien), waarna de soort zich in hoog tempo vanuit het zuiden opnieuw in vrijwel heel Europa vestigde.
Ecologie Hop groeit op eutrofe tot meso-eutrofe, humeuze, gewoonlijk vochtige grond, maar niet op zeeklei. In elzen- en wilgenbossen groeit hop vaak op de hoogste delen, zoals rond de stammen. Hop klimt graag in doornstruwelen. De plant groeit vaak samen met andere lianen zoals bitterzoet (Solanum dulcamara), heggenduizendknoop (Fallopia dumetorum), wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum), bosrank (Clematis vitalba), en heggenrank (Bryonia cretica).
Hop is een van de waardplanten van de gehakkelde aurelia. Aan het eind van de negentiende eeuw gold hop als de voornaamste waardplant voor deze vlinder in Groot-Brittannië en veroorzaakten de rupsen soms grote schade in de teelt van dit gewas. De hopwortelboorder (Hepialus humuli) leeft behalve van hop ook van wilde peen, paardenbloem en zuring. Hij kan schade veroorzaken in hopkwekerijen.
Syntaxonomie In de syntaxonomie staat hop binnen de struweelformatie te boek als kensoort voor de sleedoorn-orde.
Hop in bier miniatuur|260px|Hop wordt niet alleen gebruikt in bier, er kan ook jenever van worden gestookt. De lupulinekorreltjes uit de vruchtkegels van de vrouwelijke plant (hopbel) worden vanwege de alfazuren en de etherische oliën (aroma's) gebruikt als grondstof voor bier. Gehopt bier is geattesteerd vanaf de 9e eeuw in Karolingisch Europa, met name in monastieke middens. (2024). "Sicera humolone quantum necessitas exposcit. La bière entre nécessité alimentaire et usages sociaux au début du Moyen Âge (VIe-XIe siècle)" in: Revue du Nord, nr. 448, p. 19-37. Het was tegelijk conserveermiddel en smaakmaker, toegevoegd om de bitterheid en het aroma. Daarnaast werd in de middeleeuwen ook bier zonder hop geproduceerd, hoofdzakelijk met gruit. Hop vergde minder graan en gaf een dunner, minder zoet bier. De plant werd belangrijker toen de Noord-Duitse hanzesteden vanaf circa 1200 bier over langere afstanden gingen exporteren. (2004). Beer in the Middle Ages and the Renaissance, University of Pennsylvania Press, p. 57 e.v. Het duurde nog tot de 19e eeuw vooraleer men alle parameters die de kwaliteit van het hoppen beïnvloeden, goed beheerste. (2004). Beer in the Middle Ages and the Renaissance, University of Pennsylvania Press, p. 55-56 e.v.
Zeker in de Engelse bitters en in de meeste Belgische speciaalbieren is hop onmisbaar, omdat er in die bieren veel meer van wordt toegevoegd dan in lagerbieren. Een biertype waarbij speciaal veel hop wordt gebruikt is India pale ale. Voorheen werd dat sterk gehopt om het houdbaar te maken voor de lange reis per schip naar India. Moderne India pale ales worden met moderne, aromatische hoppen gehopt, waarbij een geur en smaak van tropisch fruit ontstaat.
Overjarige hop heeft een kaasgeur, die het gevolg is van de oxidatie van bètazuren die gedurende de opslag plaatsheeft. (2013). Flavour stability of pale lager beer; Characterisation of critical factors related to wort production and hopping. Dissertatie KU Leuven. Gearchiveerd op 4 maart 2016. Voor lambiek gebruikt de brouwer deze overjarige hop, waarvan de vluchtige bitterstoffen vervlogen zijn, maar die alle andere hopeigenschappen nog heeft. Vroeger werd de variëteit Coigneau (Aalst - Asse) aangewend voor lambiek, omdat deze hopvariëteit zeer weinig bitterheid gaf.
Bitterheid De bittere smaak wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de aanwezigheid van alfa- en bètazuren in de hop. Deze smaken op zichzelf niet bitter maar tijdens het brouwproces (met name het koken) worden ze geïsomeriseerd, waarbij de alfazuren worden omgezet in iso-alfazuren, en die smaken wel bitter. De hoeveelheid alfazuren is afhankelijk van de hopvariëteit en varieert van 2 tot 18%.
Aroma Gekweekte hoprassen verschillen van elkaar in onder andere de hoeveelheid en verhouding van de verschillende aroma's, hetgeen van belang is voor de smaak van het bier. In de verschillende hopvariëteiten varieert het percentage etherische oliën van 0,5% tot 5%.
Water De hopbellen van de vrouwelijke hopplant bevatten bij de oogst circa 80% water, wat als gevolg zou hebben dat de bellen verrotten indien ze in die toestand bewaard zouden worden. Daarom moeten de hopbellen direct bij de oogst gedroogd worden om het gehalte aan water terug te brengen tot maximaal 10%. De EU schrijft dit ook wettelijk voor. Het drogen wordt gedaan in eesthuizen. Het drogen is een belangrijk deel van het oogsten en verwerken van de hopbellen. Indien te lang en bij te hoge luchttemperatuur (hoger dan 65 graden Celsius) gedroogd wordt, verliest de hop een deel van het aroma. Indien meteen na de oogst met verse (ongedroogde) hop gebrouwen wordt, heeft het bier daarom ook meer aroma. Brouwen met "natte" hop kan dus alleen gedurende een zeer korte tijd na de oogst, daar "natte" hoppen niet houdbaar zijn.