Het landgraafschap BrabantF.J. Van Droogenbroeck (2004). De betekenis van paltsgraaf Herman II voor het graafschap Brabant – in Eigen Schoon en De Brabander 87.F.J. Van Droogenbroeck (2004). Het landgraafschap Brabant en zijn paltsgrafelijke voorgeschiedenis – in Anecdota Belgarum Historica 1. was een hypothetisch landgraafschap dat tussen 1086 en 1183 gelegen zou geweest zijn tussen de Dender en de Zenne. Na 1183 bestaan er enkele narratieve vermeldingen uit gebieden die zich niet konden verzoenen met de hertogelijke titulatuur van Hendrik I van Brabant. Chronica regia Coloniensis, MGH Script. Rer. Germ. XVIII, 166 (ad 1198): et lantgravius ac dux Lovaniae de Iherosolimis revertentur. Annales Coloniensis Maximi, MGH Scriptores XVII, 808 (ad 1198): et lantgravius et duc Brabantiae de Iherosolimis revententur. Het landgraafschap was wellicht territoriaal beperkt tot de regio tussen Dender en Zenne, doch wegens het fabelachtige bestaan van het zogenaamde "graafschap Brussel" is het niet uitgesloten dat het zich oostwaarts uitstrekte tot aan de Dijle.

Het is bekend dat de abdij Affligem in 1084 werd begiftigd met een allodium dat in onverdeeldheid toebehoorde aan Hendrik III van Leuven, Godfried I van Leuven en Herman II van Lotharingen, paltsgraaf van Lotharingen. Herman stierf op 20 september 1085. Dat is korte tijd voor de uitgifte van de schenkingsoorkonde van Hendrik III van Leuven ten gunste van de abdij van Affligem in augustus 1086, wanneer Hendrik voor het eerst oorkondigt als landgraaf van Brabant (patriae comes Bracbatensis).

Critici viseren slechts één overlevering. Nochtans voeren twee handschriften paltsgraaf Herman ten tonele als de gezaghebbende graaf in de betrokken regio. In het Miraculum Affligemense dat een herkomst vindt in de Sint-Alexanderabdij te Grafschaft en tussen 1164-1176 werd opgetekend, richt de paltsgraaf zich tot de monniken van Affligem met de openingszin Ego, quondam princeps regionis hujus. Wattenbach, W., Handschriftliches’, Neues Archiv der Gesellschaft für ältere deutsche Geschichtskunde 7 (1882) 621-629 De stichtingskroniek van de Abdij van Maria Laach,https://la.wikisource.org/wiki/Annales_Lacenses die eeuwenlang onder het misleidend etiket van Annales Lacenses de inleiding vormt op de gesta van de abten van Maria Laach, preciseert de weduwe van paltsgraaf Herman, Adelheid van Orlamunde (†1099), als weduwe van de voormalige graaf van Brabant: Adleide, quam relictam cujusdam comitis Brabantinis.

De theorie luidt derhalve dat het landgraafschap Brabant als rijksleen in 1085/1086 aan de graven van Leuven werd toegewezen. Het valt op dat ze deze gebiedsnaam zowel ten westen als ten oosten van de Zenne. Omstreeks 1106 verwierven ze de titel "hertog van Neder-Lotharingen", maar niettegenstaande vermeldt de hertog in het openingsprocol soms ook de Brabants graventitel. Wellicht was het landgraafschap de legitieme territoriale basis voor de verheffing tot hertogdom Brabant in 1183.

De theorie stuit op kritiek, evenwel op grond van zwakke argumenten, zoals oorkonden die niet in origineel zijn overgeleverd of charters die men vroeger van valsheid verdacht wegens (vermeend) anachronistisch gebruik van de geografische omschrijving "Brabant".Lisa Demets (2017). Discours, macht en legitieme autoriteit in de oorkonden van de hertogen van Brabant (1106-1248) – in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis 95, deel 2, p. 199-201 en voetnoot. Een anachronisme werd vermoed, omdat het hertogdom Brabant in 1183 werd opgericht. Om geldigheid van Brabantse charters te betwijfelen, is dit argument wegens de mogelijke territoriale restrictie tot het landgraafschap (tussen Dender en Dijle) onhoudbaar geworden.

Het is bekend dat de Brabantgouw uiteenviel in kleinere graafschappen. Volgens de kronieken van Brabant maakt ook het hypothetische graafschap Brussel daar deel vanuit, namelijk de smalle strook tussen de Zenne en de Dijle. Het bestaan daarvan moet echter betwijfeld worden, omdat het markgraafschap Ename zich wellicht tot aan de Dijle uitstrekte en de Verdunse hegemonie langer heeft geduurd dan in andere theorieën wordt aangenomen. Dit wordt bevestigd door indelingen uit latere eeuwen die zowel de regio ten westen als ten oosten van de Zenne aanbelangen, zoals het "burggraafschap Brussel" en de "ammanie van Brussel". Bijkomend kan er gewezen worden op de schenking van het immune domein ter oprichting van de abdij van Affligem uit 1084. Het Leuvense aandeel daarin kan evengoed voortkomen uit de Verdunse nalatenschap van Gozelo I van Lotharingen aan zijn twee dochters (Mathilde van Verdun, moeder van paltsgraaf Herman, en Oda van Verdun, grootmoeder van Hendrik III en Godfried I van Leuven). De Verduntheorie weerlegt derhalve de oude (onhoudbaar geworden) visies van onder meer Charles Piot en Léon Vanderkindere. Het sprookjesachtige graafschap van Lambert I van Leuven en Gerberga van Neder-Lotharingen heeft mogelijk nooit bestaan of heeft zich hoogstens beperkt tot het klein allodium op Ukkel, Sint-Gillis en een deel van het Zoniënwoud (alleszins buiten de eerste omwalling van Brussel). Georges Despy, ’Un dossier mystérieux: les origines de Bruxelles’, Bulletin de la Classe des Lettres et des Sciences Morales et Politiques 6e serie, deel VIII (1997) 271-279.

De titel "landgraaf" en het territorium "Brabant" wordt hoe dan ook amper aangewend in de historische bronnen. Gedurende de 12e eeuw noemden de Leuvense dynasten zich veelal "graaf van Leuven", "hertog van Leuven" of "hertog van Lotharingen". Uitzonderlijk echter ook "(land)graaf van Brabant". F. J. Van Droogenbroeck, ‘Het landgraafschap Brabant (1085-1183), de territoriale en institutionele aanloop tot het ontstaan van het hertogdom Brabant’, De Hertog en de Staten, de Kanselier en de Raad, de Rekenkamer, het Leenhof, de Algemene Ontvangerij, de Drossaard en de Woudmeester, het Notariaat, en het Landgraafschap Brabant. (Acht bijdragen tot de studie van de instellingen in het Hertogdom Brabant in de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd), Uitgave van het Koninklijk Historisch Genootschap van Vlaams-Brabant en Brussel en het Algemeen Rijksarchief (Brussel 2010) 161-176.

Gedurende de 11e eeuw staan vermeldingen van het "graafschap Brabant" nog meestal in verband met de oude Brabantgouw. Vermeldingen zoals castrum Eiham cum provincia Brabantensi ("de burcht te Ename met het gebied Brabant") verschijnt in een keizerlijk diploma uit 1015. De titel "graaf van Brabant" ressorteerde toen nog onder de graven van Verdun en bleef zelfs in zwang tot de Brabantgouw werd opgedeeld in het noordelijk gelegen markgraafschap Ename en het zuidelijke deel dat ca.1029 aan de graven van Henegouwen was gevallen. Wanneer Herman II van Lotharingen later optrad als "graaf van Brabant", betrof dit het deel van de mark Ename na afsplitsing in 1062/1063 van het rijksleen tussen Schelde en Dender aan de graven van Vlaanderen (Rijks-Vlaanderen).Van Droogenbroeck, F. J., ‘De markenruil Ename-Valenciennes en de investituur van de graaf van Vlaanderen in de mark Ename’, Handelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Oudenaarde 55 (2018) 47-127.

Bronnen

Categorie:Hertogdom Brabant