200px|miniatuur|rechts|Palme op Schiphol in 1974 200px|miniatuur|rechts|Het graf van Palme 200px|miniatuur|rechts|Gedenksteen Palme op Sveavägen De moordaanslag op Olof Palme en zijn echtgenote vond plaats op vrijdagavond 28 februari 1986. Olof Palme, toenmalig premier van Zweden, was die avond uitgegaan zonder lijfwachten, zoals hij vaker deed. De moord werd gepleegd toen hij met zijn vrouw Lisbet naar de bioscoop was geweest en naar huis wandelde. Om 23.21 uur, op de hoek van de straten Sveavägen en de Tunnelgatan, in het centrum van Stockholm, werd Palme eenmaal in de rug geschoten. Zijn vrouw Lisbet Palme overleefde de aanslag; een op haar afgevuurde kogel schampte af langs haar rug.

Volgens de politie belde een automobilist die over een autotelefoon beschikte het alarmnummer. Ook een taxichauffeur alarmeerde via zijn centrale de politie. Palme was op slag dood. De dader ontsnapte via de Tunnelgatan. 130 mensen hebben de moord bekend, maar dit heeft jarenlang niet tot opheldering van de moord geleid.

Op 10 juni 2020 maakte de Zweedse hoofdofficier van justitie bekend dat op grond van alle onderzochte gegevens de slotsom niet anders kon luiden dan dat Palme wel moest zijn omgebracht door Stig Engström. Zijn opvolger Lennart Guné kwam hier op 18 december 2025 op terug. Volgens hem is er onvoldoende bewijs voor de verdenkingen jegens Engström, maar omdat verder onderzoek volgens Guné vermoedelijk niet tot een wezenlijke verandering in bewijslast zal leiden, blijft het onderzoek wel gesloten.

Het moordwapen, volgens de politie blijkens de gebruikte munitie een groot kaliber revolver van het type .357 Magnum, is nooit gevonden.

Ingvar Carlsson nam onmiddellijk de taken als premier van Zweden over en werd de nieuwe leider van de Sociaaldemocratische Partij.

Het schokkende karakter van de moord is ook wel beschouwd als een keerpunt in de nationale psyche van de Zweden: het was de eerste moord op een politicus in het land sinds de 18e eeuw.

Omstandigheden Uit het feit dat er op de plaats van het misdrijf geen patroonhulzen werden aangetroffen, die verdere forensische aanwijzingen hadden kunnen opleveren, werd afgeleid dat het moordwapen een revolver moest zijn geweest. De beheerste manier waarop Palme werd gedood, het gebruikte wapen en de rustige manier waarop de dader zich uit de voeten had gemaakt, duidden volgens veel journalisten niet op een impulsieve daad maar op een geplande moordaanslag.

Desalniettemin was het bioscoopbezoek niet van tevoren gepland - uiteindelijk viel de keuze op de film Bröderna Mozart, een nieuwe komedie van de bekroonde Zweedse regisseuse Suzanne Osten - en behalve zijn vrouw, een van zijn zonen en diens vriendin (die alle drie ook in de bioscoop waren) was niemand ervan op de hoogte. Het echtpaar ging met de metro naar de bioscoop en besloot na de voorstelling te voet huiswaarts te gaan. In plaats van de kortste route koos men voor een kleine omweg via Sveavägen, een drukke straat met in de omgeving diverse uitgaansgelegenheden.

Aangenomen werd dat de dader enige tijd op de hoek van de Tunnelgatan op de loer stond, voor de etalage van de verfwinkel Dekorima. Het kantoor van de persoon die uiteindelijk pas in 2020 als dader werd aangemerkt lag vlak bij de moordplek, zodat hij de Palmes had kunnen zien naderen.

Sommige getuigen beweren dat de Palmes werden aangesproken bij een reclamezuil op een vijftiental meter van de plaats van de moord. De Tunnelgatan, die voor auto's aan deze kant doodloopt en zich daarna voortzet met trappen die een heuvel op gaan, bood voor de dader een ideale mogelijkheid om te voet te ontkomen.

Lisbet Palme zei in haar oorspronkelijke getuigenverklaring dat ze de dader amper had gezien. Later herzag ze haar verklaringen en gaf ze wel een nauwkeurige beschrijving. Onderzoekers houden er evenwel rekening mee dat de persoon die ze beschreef een getuige kon zijn geweest en niet de dader.

Oplossing Februari 2020 In februari 2020 werd door het Zweedse Openbaar Ministerie aangekondigd dat het langlopende onderzoek naar de moord in de zomer van dat jaar tot een einde zou komen. De hoofdaanklager van de zaak, Krister Petersson, niet te verwarren met de verdachte Christer Pettersson, deelde dit mee aan de Zweedse staatsomroep SVT. Zweden had in 2010 de verjaringstermijn voor moordzaken opgeheven, mede opdat ook dit onderzoek kon worden voortgezet.Explained: Why the killing of Sweden's prime minister 34 years ago is back in the news today . Gearchiveerd op 28 juli 2025.

Juni 2020 Begin juni 2020 werd door het OM bekendgemaakt dat blijkens een hernieuwde studie van alle beschikbare gegevens de lange tijd voor "getuige" gehouden Stig Engström, die bekend was geworden als de 'Skandiaman' en inmiddels was overleden, de dader moest zijn geweest. Hoofdaanklager Krister Petersson presenteerde deze uitkomst op een persconferentie die online werd gehouden vanwege de coronacrisis. Engström, die bij verzekeringsmaatschappij Skandia werkte, dicht bij de plaats van de moord, was reeds in de begindagen van het onderzoek ondervraagd. Hij kwam echter pas een paar jaar geleden naar voren als potentiële verdachte. Er was echter geen definitief materieel forensisch bewijs gevonden dat hem direct koppelde aan de moord of een wapen. Hij overleed in 2000, waardoor hij niet kon worden vervolgd. Het onderzoek werd daarom afgesloten, aldus Petersson.

Forensisch deskundigen hadden 788 vuurwapens getest als onderdeel van de jacht op het moordwapen, maar konden er geen koppelen aan de bij de moord afgevuurde kogels, verklaarde politie-inspecteur Hans Melander.

De politie was in 2017 de 'Skandiaman' als mogelijke verdachte gaan onderzoeken. Zijn getuigenverklaring klopte niet helemaal met andere getuigen ter plaatse, aldus Melander. In de periode na de moord werd hij voornamelijk afgedaan als een onbetrouwbare getuige die uit was op aandacht. Hij beweerde zelf behulpzaam te zijn geweest bij een poging Palme te reanimeren en ook achter politieagenten aan te zijn gerend om informatie te verstrekken over het signalement van de dader die hij zou hebben gezien. Men meende dat hij zijn eigen rol bij de gebeurtenissen wilde overdrijven. Later rees bij de politie alsnog de verdenking dat hij Palme heeft vermoord en met onjuiste verklaringen de politie op een dwaalspoor had gezet.

De kleding die Engström destijds droeg kwam overeen met beschrijvingen die getuigen hadden gegeven van de wegvluchtende dader, maar de andere getuigen herinnerden zich onvoldoende om hem zeker te hebben gezien op de plaats van het misdrijf, ondanks zijn eigen beweringen dat hij er direct bij stond toen de schoten werden gelost. Zijn verklaringen over hoe hij zelf had gehandeld kwamen overeen met de bewegingen van de wegvluchtende dader. Engström beweerde echter dat hij achter politieagenten aanrende, die volgens hem op de trappen van de nabijgelegen Tunnelgatan achter de wegvluchtende moordenaar aanzat.

Bij het onderzoek werd bekend dat Engström toegang had tot wapens en een hekel had aan Palme.

De moord op Palme was het langstlopende en duurste onderzoek in de Zweedse geschiedenis. Petersson en Melander erkenden bij het bekendmaken van hun oplossing dat ze begrepen dat andere theorieën zouden kunnen blijven voortwoekeren.Sweden names suspect in 1986 murder of Prime Minister Olof Palme. Gearchiveerd op 18 april 2025.Olof Palme: The 34-year investigation into the murder of the Swedish PM in numbers. Gearchiveerd op 3 december 2023.

December 2025 In december 2025 kwam Peterssons opvolger Lennart Guné tot een andere conclusie. Nadat een verzoek was ingediend om het onderzoek te heropenen in verband met mogelijk dader-DNA op de jas van Palme, bekeek hij het dossier opnieuw. Guné kwam toen tot de conclusie dat er onvoldoende omstandigheden waren die tot een vervolging van Engström zouden kunnen leiden, en dat hij niet langer als verdachte kon gelden. Guné zag echter geen redenen om het onderzoek te heropenen, omdat hij niet verwachtte dat dit tot een doorslaggevende verandering in de bewijslast kan leiden.

Theorieën Jarenlang deden er vele uiteenlopende hypotheses en complottheorieën de ronde.

Rechts-extremisten Een Zweedse rechts-extremist, Victor Gunnarsson, werd vrij snel gearresteerd op verdenking van de moord. Hij moest echter spoedig weer worden vrijgelaten omdat de verdenkingen niet hard genoeg bleken. Ook werd John Ausonius verdacht, destijds bekend onder pseudoniem John Stannerman. Hij was de voormalige filmoperateur van de bioscoop die Palme voor de moord bezocht. Hij viel echter af wegens een sterk alibi: op de moordavond bevond hij zich in de gevangenis. Enkele jaren later werd hij geïdentificeerd als de 'laserman', een schutter die een serie aanslagen pleegde op migranten, van wie er een werd gedood en tien gewond raakten.

Koerdische samenzwering Een andere verdachte was de Koerdische verzetsorganisatie PKK. In de periode voorafgaande aan de moord had de PKK meerdere gewelddaden in Zweden gepleegd en was de organisatie als terroristische organisatie aangemerkt, evenals eerder in Turkije en West-Duitsland. Ook waren enkele leden van de organisatie vastgezet en wachtten ze op uitlevering.

Het onderzoeksteam richtte aanvankelijk alle aandacht op deze hypothese. Ze werden hierbij gesteund door tips die bij de Zweedse veiligheidsdienst Säpo waren binnengekomen. Meerdere Koerden werden aangehouden en weer vrijgelaten.

Op de 20e sterfdag van Palme verscheen in Nederland het boek Oh, was hij het...? De voorspelde moord op Olof Palme en de Dutch connection. In het boek schetst de Nederlandse ex-politiecommissaris Dolf van Soest de vermeende rol van de PKK bij de moord op Palme. Bewijzen voor enig verband tussen de PKK en de moord zijn echter nooit gevonden.

De theorie van betrokkenheid van de Koerden is volgens vooraanstaande Zweedse journalisten als Gunnar Wall, Sven Anér en Lars Borgnäs een dwaalspoor dat mogelijk bewust is gelegd.

De onderzoeksleider in die periode was Hans Holmér, die nooit eerder een moordonderzoek had geleid. Holmérs rol was omstreden. Hij arresteerde Koerden zonder toestemming van de rechter. Ook zou hij volgens meerdere bronnen hebben gelogen over waar hij zich bevond op het moment van de moord. Daarnaast had hij goede banden met politiemensen die nadien in de media als mogelijke betrokkenen bij de moord werden genoemd.

Holmér werd in 1987 van het onderzoek gehaald. Auteur Jan Bondeson behandelt de verdenkingen omtrent de Koerdische betrokkenheid in zijn boek Blood on the Snow: The Killing of Olof Palme (2005) in het hoofdstuk over "The Kurdish Conspiracy".Blood on the snow - The killing of Olof Palme, hoofdstuk 7, pag. 88-97 Dolf van Soest bleef echter "geloven" in een betrokkenheid van de PKK, ook zelfs nadat in 2020 het onderzoek door het Zweedse Openbaar Ministerie werd afgesloten met de slotsom dat de inmiddels overleden Stig Engström de dader moest zijn geweest.Oud-politiecommissaris Van Soest uit Deventer woest na sluiten moordzaak premier Palme: 'Flutverhaal'

Christer Pettersson In 1988 leek de moord opgelost. Christer Pettersson, een alcoholist en druggebruiker die eerder voor doodslag was veroordeeld, werd toen gearresteerd. Lisbet Palme had hem op een videoband aangewezen als de schutter. In eerste instantie werd hij tot levenslang veroordeeld, maar in hoger beroep werd hij vrijgesproken. Dit gebeurde omdat er behalve de herkenning door Lisbet Palme geen bewijzen waren.

Ook na zijn vrijspraak bleef Pettersson in de ogen van de politie de dader. Tot eind jaren negentig richtte het onderzoek zich grotendeels op het verzamelen van gegevens om Pettersson opnieuw veroordeeld te krijgen. Getuigenverklaringen die hem koppelden aan de omgeving van de plaats van de moord werden door de rechtbank echter onvoldoende betrouwbaar geacht om een nieuw proces te openen. Christer Pettersson overleed op 29 september 2004.

Zuid-Afrika