Norton is een Britse producent van motorfietsen.

Het merk werd opgericht in 1898 en trad in 1953 toe tot Associated Motor Cycles (AMC). Bij het faillissement van AMC in 1966 ging het op in Norton-Villiers, dat in 1972 door de overname van de BSA groep Norton-Villiers-Triumph werd, maar in 1977 ook failliet ging. Omdat er met een dergelijke grote naam goed geld te verdienen valt, zijn er enkele pogingen gedaan het merk opnieuw op de markt te brengen. Intussen is de merknaam na vele omzwervingen weer in Britse handen, en worden er zelfs weer nieuwe Nortons geproduceerd.

Bedrijfsnamen De bedrijfsnamen waren: 1898-1913: Norton Mfg. Company, Birmingham - Eigenaar: James Lansdowne Norton 1913-1953: Norton Motors Ltd., Birmingham - Eigenaar: James Lansdowne Norton, Shelley & Co 1953-1966: Norton Motors Ltd., Birmingham - Eigenaar: Associated Motor Cycles, London 1966-1972: Norton-Villiers, Andover - Eigenaar: Dennis Poore (Manganese Bronze Holdings) 1972-1977: Norton-Villiers-Triumph, Andover - Eigenaar: Dennis Poore (Manganese Bronze Holdings) 1978-2008: Andover Norton (International) Ltd - Eigenaar: BSA Regal, vanaf 2007:Joachim Seifert. Produceert en verkoopt reservedelen. 1978-1987: Norton Motors (1978) Ltd., Shenstone - Eigenaar: Dennis Poore (Manganese Bronze Holdings) 1987-1993: Norton Group PLC, Vancouver - Eigenaar: Philippe LeRoux, vanaf 1991: Midland Bank. Bezat de naamrechten voor het Verenigd Koninkrijk en Noord-Amerika 1989-heden: Norton Motors Deutschland - Eigenaar: Joachim Seifert. Bezat de naamrechten voor het Europese Continent tot in 2002, ging daarna samenwerken met Kenny Dreer. 1993-1994: Norton Motors (1993) Ltd., Vancouver - Eigenaar: Melrose Investments. Bezat de naamrechten voor het Verenigd Koninkrijk en Noord-Amerika 1994-2002: Norton Motorcycles Inc, Vancouver - Eigenaar: Aquilini Investment Group. Bezat de naamrechten voor het Verenigd Koninkrijk en Noord-Amerika 1994-heden: Molnar Precision Limited, Preston, England - eigenaar Andy Molnar, heeft de rechten om de Manx racer te produceren 1996-2008: Norton Motors Ltd., Andover - Eigenaar: Joachim Seifert. Dochteronderneming van Norton Motors Deutschland, om Britse klanten met wankelmotoren van service en onderdelen te voorzien. 2002-2008: Norton Motorsports, Gladstone - Eigenaar: Kenny Dreer. Bezat de naamrechten van Norton wereldwijd. 2006-heden: Norton Racing Ltd. - Eigenaar: Stuart Garner. Raceafdeling samen met Brian Crighton opgezet om de 588 cc wankelmotoren opnieuw in races in te zetten. 2008-heden: Norton Motorcycles Ltd, Donington Park - Eigenaar: Stuart Garner. Bezit de naamrechten van Norton wereldwijd en produceert nieuwe motorfietsen. 2009-heden: Works Racing Motor Cycles Ltd, Stratford-upon-Avon - Eigenaar: Patrick Walker. Produceert verbeterde Norton Manx racers en onderdelen voor klassieke Manx racers. Werkt samen met Norton Motorcycles Ltd.

Geschiedenis 19e eeuw Jaren negentig Norton Mfg. Company, Birmingham The Norton Mfg. Company, Birmingham, was een Engelse fabriek, in 1898 opgericht door James Lansdowne ("Pa") Norton, die destijds bijna 30 jaar oud was. Oorspronkelijk maakte hij kettingen en "fittings and parts for the two-wheel trade" (fietsonderdelen) en een enkel motorfiets-frame. De fabriek was aanvankelijk gevestigd aan Bradford Street in Birmingham.

20e eeuw Jaren nul Eerste motorfietsen Energette Na 1902 en een verhuizing naar Bracebridge Street nr. 10 in Birmingham volgden lichte motorfietsen die Norton Energette werden genoemd, maar feitelijk waren het in licentie geproduceerde Clément-frames waarin ook een Clément-snuffelklepmotor was gemonteerd. James Lansdowne Norton had in dat jaar Charles Garrard ontmoet, die voor het Franse merk Clément werkte en bekend zou worden van de Clément-Garrard motorfietsen. Vanaf 1907 werden de Energettes voorzien van Moto-Rêve inbouwmotoren. In 1907 won Rem Fowler de tweecilinderklasse in de eerste TT van Man met een Norton-Peugeot.

Big Four 633 cc In hetzelfde jaar bouwde Norton zijn eerste eigen motorblokken, zowel één- als tweecilinders, allemaal met zijkleppen. Het eerste model was de "Big Four", een 633 cc zijklepper met een lange slag motor (boring × slag 82 × 120 mm). Deze was in eerste instantie bedoeld als zijspantrekker. Net als de Norton 16 H zouden er heel lang machines met deze naam geproduceerd worden, en de ontwikkelingen gingen ook gelijk op. Pas in 1954 ging de "Big Four" uit productie, als laatste zijklepmotor van het merk.

Jaren tien Bijna failliet 3½ HP en Model 9 TT In 1911 zette Norton een 490 cc zijklepper in in de 500 cc Senior TT. De machine kwalificeerde zich niet voor de wedstrijd, maar in 1912 won hij de TT op Brooklands, waarbij drie wereldrecords werden gevestigd. Hierna werd een ontwerp met kettingaandrijving en een Sturmey-Archer drievernellingsbak ontwikkeld. Dit was de Norton 3½ HP die in 1912 op de markt kwam. Hiermee was de basis gelegd voor de Norton Model 16, die lange tijd de vlaggendrager van het merk zou zijn. In 1912 verscheen ook het Model 9 TT, een sportversie met hetzelfde blok als de 3½ HP, maar als sportmodel met riemaandrijving in plaats van een ketting en een versnellingsbak.

Norton Motors Ltd. Nadat het bedrijf in 1913 bijna failliet ging, vooral door de grote investeringen in racemotoren, grepen de grootste investeerders Shelley & Co., in. Bob Shelley werd mededirecteur en de naam veranderde in Norton Motors Ltd. Ondanks de financiële problemen én het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef Norton zich inspannen om goed te presteren in wedstrijden, en men maakte ook speciale modellen voor sportieve rijders. Norton kreeg tijdens de oorlog geen regeringsopdrachten, maar vanwege het gebrek aan grondstoffen was de productie van motorfietsen voor particulieren verboden. De motorfietsproductie lag dus vrijwel stil. Het Britse Ministerie van Oorlog had echter een order van het Russische leger binnengesleept voor de levering van militaire motorfietsen, waarvan Norton mee profiteerde, net als AJS, BSA en Sunbeam. Norton leverde aan Rusland de Big Four machines als zijspantrekker. Na de oorlog produceerde men vijf typen van de Modellen 16 en Big Four. Vreemd genoeg waren de drie sportieve modellen nog uitgerust met riemaandrijving, voor de liefhebbers van "pure snelheid", terwijl er voor de meer toeristisch ingestelde klanten twee modellen met kettingaandrijving en versnellingen beschikbaar waren.

Model 7 BS en 8 BRS In deze periode werden ook al echte sportieve modellen gemaakt, omgebouwde 3½ HP's, die de extra aanduiding "BS" oftewel "Brooklands Special" kregen, zoals het Model 7 BS (1914-1922) en het Model 8 BRS (Brooklands Road Special, 1914-1922). Deze modellen werden geleverd met een certificaat omdat het blok op het Brooklands Circuit een gegarandeerde snelheid had gehaald: voor de BRS modellen was dat 65 mijl per uur () en voor de BS modellen zelfs 70 mijl per uur (). De sportmodellen hadden tot 1919 allemaal riemaandrijving, waarschijnlijk omdat de riemen indertijd simpelweg nog sterker waren dan de aandrijfkettingen. Bovendien was er in die tijd nogal wat discussie over het nut van koppelingen en versnellingsbakken, die vaak als "ballast" werden afgedaan.

Model 16 In 1919 werd uit de 3½ HP het Model 16 ontwikkeld. Deze motorfiets werd geleverd met een Sturmey-Archer versnellingsbak en kettingaandrijving. Het model dreef gedeeltelijk op de racesuccessen uit het verleden, maar werd toch de motor voor de "gewone man". Toch zou dit model een enorm succes worden. Tot halverwege de jaren vijftig zouden opgewaardeerde en gemodificeerde motorfietsen met deze modelnaam geleverd worden. In hetzelfde jaar kregen alle Norton motorfietsen kettingaandrijving. De reclameslogan "The Unapproachable Norton" werd gelanceerd, en deze bijnaam zou het merk zijn hele bestaansgeschiedenis houden.

"Curly N" logo Tot 1914 was het Norton logo getekend met kapitalen in art-decostijl, maar vanaf 1915 verscheen een nieuw logo, dat door James Norton samen met zijn dochter Ethel was getekend en bekend werd als het "Curly N" logo. Dit logo wordt nog steeds gebruikt.

Jaren twintig

Sportsuccessen en kopklepmotoren Model 16H en 16C Vanaf 1921 werden ook motorfietsen geproduceerd voor de Britse koloniën. Dit waren verstevigde versies van de normale modellen, als eerste de Norton Model 16, die vanaf dat moment als 16H (Home) en 16C (Colonial) te koop was. De 16H zou later, als motorfiets voor praktisch gebruik een beetje bleek afstekend tegen de vele sportievere modellen, de bijnaam "Poor man's Norton" krijgen.

Model 18 In 1923 verscheen de eerste Norton met kopklepmotor, het Model 18. De motor was duidelijk gebaseerd op het Model 16, met hetzelfde carter en dezelfde boring/slagverhouding van 79×100 mm, maar uiteraard een andere cilinderkop, kopkleppen en stoterstangen.

Overlijden van "Pa" Norton Al in 1922 was bij John Lansdowne Norton darmkanker vastgesteld, waaraan hij in 1925 overleed.

Brooklands Special Bob Shelleys zwager Dan "Wizard" O'Donovan ontwikkelde op Brooklands de 490 cc-Brooklands Special (of BS), de eerste productieracer ter wereld, voorzien van het "Old Miracle" frame. In 1928 kregen de Norton-modellen een dubbele uitlaatpijp met spiraalvormige demperplaatjes.

Model 19 In 1924 won Alec Bennett de Senior TT (tot 500 cc) met het Model 18. Ook de GP's van België en Frankrijk werden gewonnen, en bovendien werd het Britse uurrecord met 87,07 mijl (140,1 km) op naam van Norton gezet. George Tucker won de Sidecar TT met een 588 cc-versie van het Model 18. Door dit motorblok, met een boring/slagverhouding van 79 × 120 mm, in het rijwielgedeelte van het Model 18 te bouwen, ontstond het 588 cc Model 19.

CS1, CJ1 en Model 25 TT Replica In 1927 ontwierp Walter Moore de Norton CS1, een sportmotor die waarschijnlijk gelijktijdig ontwikkeld werd met de ES2, een stoterstangen kopklepper. Beide modellen deelden een groot aantal onderdelen, maar hadden een andere klepbediening. De CS1 kreeg zijn naam van de bovenliggende nokkenas: Camshaft Senior (Model) 1. Hij was ontwikkeld voor de Senior (500 cc) klasse in de TT van Man. De enkele bovenliggende nokkenas werd aangedreven door een koningsas. De machine kreeg een nieuw enkel wiegframe met een close ratio versnellingsbak, 20 cm (8 inch) trommelremmen, een Amal TT-carburateur, een Lucas racemagneet en een 11 liter tank. De race-Nortons zouden de komende twintig jaar gebaseerd worden op deze motorfiets, de koningsasaandrijving van de nokkenas zou zelfs tot in de jaren zeventig toegepast worden. Alec Bennett won de eerste race op deze machine (de TT van 1927), terwijl de snelste ronde werd gereden door Stanley Woods, die uitviel. In 1928 won de privérijder Tim Hunt de Amateur TT en zette een nieuw TT record. Opmerkelijk genoeg won hij met dezelfde machine een gouden medaille in de Scottish Six Days Trial, een terreinwedstrijd. Dat was maar goed ook, want 1928 en 1929 waren slechte racejaren voor het Norton fabrieksteam. Walter Moore had een nieuwe cilinderkop ontwikkeld, waarmee grote problemen ontstonden. In 1929 wist men alleen de Spaanse Grand Prix te winnen. In 1928 verscheen ook een Junior (350 cc) versie van de CS1, die uiteraard CJ1 (Camshaft Junior (Model) 1) ging heten. De eerste, door Moore ontwikkelde modellen kregen de bijnaam "Cricket Bat", vanwege de vorm van het rechter carterdeel en de behuizing van de koningsas, die samen op een slaghout leken. In 1927 verscheen ook het model 25 "TT Replica", een 588 cc productieracer met stoterstangen en een Sturmey Archer versnellingsbak zonder kickstarter (vanwege de duwstart in races).

ES2 en EJ