De javamens (vroeger Pithecanthropus erectus en tegenwoordig Homo erectus javanicus) is een prehistorische mens waarvan in 1891–1892 fossielen werden gevonden op het oosten van het Indonesische eiland Java.
De javamens wordt tegenwoordig door antropologen net als vergelijkbare fossielen uit de omgeving van de Chinese hoofdstad Peking (de pekingmens) tot de soort Homo erectus gerekend. Deze leefde rond 1 miljoen jaar geleden. De eerste fossielen van de javamens werden ontdekt aan de oever van de Solorivier door een team van de Nederlandse antropoloog Eugène Dubois in 1891 en deze bevinden zich tegenwoordig in de collectie Dubois van Naturalis in Leiden. Sinds augustus 2019 is in Naturalis ook een reconstructie te zien van hoe de javamens er uit had kunnen zien.
Ontdekking Eerste vondsten thumb|upright|"Pithecanthropus alalus" Charles Darwin had in zijn boek The Descent of Man and Selection in Relation to Sex in 1871 het vermoeden uitgesproken dat de mens zich in Afrika had ontwikkeld, aangezien op dat continent gorilla's en chimpansees voorkomen, de nauwste levende verwanten van de mens. De meeste moderne antropologen zijn het met hem eens. thumb|left|upright|Haeckels stamboom In tegenstelling tot Darwin vermoedde de Duitse bioloog Ernst Haeckel in zijn boek Natürlichen Schöpfungsgeschichte van 1868 dat de mens waarschijnlijk in Zuid-Azië was ontstaan. Haeckel dacht dat dit gebeurd was op het verzonken continent Lemurië, waarvan de Indonesische Soenda-eilanden een overblijfsel zouden zijn. Hij noemde de hypothetische schakel tussen aap en mens in 1889 Pithecanthropus alalus, de 'niet-sprekende aapmens', die de laatste stap in de menswording, het spreken, nog niet meester was. Hij plaatste deze puur theoretische vorm in de 'evolutionaire stamboom', een concept dat hijzelf bedacht had, tussen de Aziatische mensapen en de moderne mens. Hij dacht namelijk, in navolging van Charles Lyell en Alfred Russel Wallace, dat juist gibbons en orang-oetans daaraan nauwer verwant waren. Hij vormde zich ook al een beeld van het uiterlijk van zo'n wezen: harig, met een lang hoofd en vooruitstekende tanden. Het zou niet helemaal rechtop gelopen hebben maar zich voortbewogen met een ineengedoken romp. De befaamde apenschilder Gabriel von Max gaf in 1894 in olieverf deze vorm gestalte. Overigens kwam het niet bij Haeckel op om zelf naar de fossielen van het schepsel te gaan zoeken. De embryologie achtte hij al bewijs genoeg. Wel riep hij anderen in het algemeen op in 'Maleisische grotten' op zoek te gaan. thumb|upright|Dubois en zijn vrouw Anna Lojenga in 1887 Haeckels idee werd enorm populair. Zij fascineerde de jonge Nederlandse arts en natuurvorser Eugène Dubois. Dubois had als scholier al in Zuid-Limburg fossielen opgegraven. Door een krantenartikel over een voordracht van de materialist Carl Vogt werd hij op tienjarige leeftijd darwinist. Vogt meende ten onrechte dat de aandoening van microcephalie het restant was van een eerdere evolutiefase van de mens. Dubois las op het HBS in Roermond Haeckels boeken. In Amsterdam bezocht Dubois, tussen 1877 en 1881 student medicijnen, een lezing van Haeckel. Anders dan deze wel veel waarde hechtend aan de 'harde' feiten, raakte Dubois geobsedeerd door de hoop de ontdekker van de missing link te zullen worden. Opgravingen in Zuid-Limburg in 1886 en 1887 leverden geen prehistorisch materiaal op. Een baan als lector vergelijkende anatomie onder Max Fürbringer bij de Universiteit van Amsterdam, na een aanstelling in 1886, gaf hij plots op. Een plan voor een paleontologische expeditie naar Indië werd door de staat afgewezen. Niemand had ooit eerder zo'n gerichte paleo-antropologische speurtocht uitgevoerd. Dubois reisde in oktober 1887 met vrouw en kind naar Nederlands-Indië om, dan maar als arts in dienst getreden van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, op zoek te gaan naar de ontbrekende schakel in de evolutie tussen mensen en hun aapachtige voorouders. Op 11 december 1887 kwam hij aan in Padang op Sumatra. Dubois werd gelegerd in een militair hospitaal en kon alleen in zijn vrije tijd en op eigen kosten naar fossielen zoeken. Mei 1888 werd hij overgeplaatst naar Payakumbuh.
In juli 1888 begon Dubois de Lida Adjer uit te graven, een grot waar hij vele botten van fossiele zoogdieren vond. In april 1888 schreef Dubois een artikel waarin hij vijf argumenten opsomde om aan te nemen dat de missing link in Indië te vinden zou zijn. Het verlies van lichaamshaar wees op een herkomst van de mens uit de tropen. In de tropen zijn ook basale mensapen te vinden. In India waren al resten gevonden van oude mensapen en Indië moest een vergelijkbare habitat geweest zijn. Gibbons delen verschillende kenmerken met mensen. De weinige menselijke fossielen die bekend waren, had men altijd in grotten gevonden en Sumatra had daarvan een ruime voorraad omdat de plaatselijke geologie veel karstvormen toonde. Hij overtuigde hiermee de commissie voor wetenschappelijk onderzoek ervan om in maart 1889, van het ministerie van onderwijs uit, een expeditie te financieren en twee genisten, Franke en Van den Nesse, en vijftig dwangarbeiders ter beschikking te stellen voor opgravingen. Het werk ging in 1889 zeer moeizaam. Een genist bleek te lui om te werken, de ander ging dood aan malaria die ook Dubois zelf en groot deel van zijn arbeiders velde. Hij hoopte grotten te onderzoeken maar de plaatselijke bevolking hield daarvan de locatie geheim omdat ze dachten dat het Dubois om verborgen goudschatten te doen was. Men kon zich niet voorstellen dat zoveel inspanning gewijd was aan het vinden van wat oude botten. In 1889 werden geen menselijke resten gevonden op Sumatra en alleen botten van recente zoogdieren. Op 24 oktober 1888 was echter door mijningenieur B.D. van Rietschoten een fossiele menselijke schedel gevonden bij Wadjak op Java. Die was weliswaar van een vrij modern type maar Dubois zag de vondst als een goed voorteken. thumb|left|Inlandse dwangarbeiders deden het graafwerk. Op 14 april 1890 kreeg Dubois toestemming zijn werkzaamheden naar Java te verleggen. Hij zette zijn hoofdkwartier op in Tulungagung in het zuidoosten van het eiland. Hij kreeg twee nieuwe korporaals der genie toegewezen, de competente Gerardus Kriele en Anthonie de Winter, en een verse lichting inheemse dwangarbeiders. Eerst probeerde hij weer grotten te onderzoeken, zonder veel resultaat. Er waren echter fossielen gemeld van de oevers van de rivier de Solo bij het dorp Trinil en Dubois besloot daar maar eens te laten graven. Op 24 november 1890 vond men een menselijke kaak met tanden bij Kedung Brubus. Dubois vond die echter niet primitief genoeg. Een nieuwe opgraving werd gestart in een bocht van de Solo. Daar groef men een kuil in de oeverwand met een doorsnede van veertien meter. Op zeventien meter diepte stuitte men op een harde fossielhoudende laag van een meter dik. Al snel waren zo'n twaalfduizend zoogdierfossielen verzameld, genoeg om vierhonderd kratten te vullen. Die waren ook van de gewenste ouderdom, het Pleistoceen. In augustus 1891 vond men een grote kies, een bovenste derde rechtermolaar. In oktober 1891 vonden de korporaals, die samen met de vijftig dwangarbeiders het echte werk deden, een schedeldak (calvaria). Het regenseizoen onderbrak de werkzaamheden die hervat werden in mei 1892. Eind augustus 1892 werd dieper in de groeve, een dozijn meter stroomopwaarts van de kies, door de Winter een linkerdijbeen ontdekt. Kriele moest op 7 september rapporteren dat beenschilfers van het onderste gewrichtsvlak van het bot verloren waren gegaan omdat De Winter ze op een djatiblad had gelegd dat wegwoei. Zulke bladeren, die ruimschoots voorhanden waren, vormden het gebruikelijke verpakkingsmateriaal. Dubois, zelf geen geoloog, documenteerde de vondsten slecht, zodat hun positie in de stratigrafie niet vastgelegd werd, die een indicatie van de relatieve ouderdom had kunnen geven.
Naamgeving thumb|Het manuscript waarin de naam Anthropopithecus doorgestreept is. Dubois ging er meteen van uit dat alle vondsten van één taxon afkomstig waren en zelfs één individu, een oude vrouw. Hij noemde de vondst van de kies in 1891 Anthropopithecus ("mensaap"), naar het geslacht Anthropopithecus, in de negentiende eeuw een alternatief voor Pan, de geslachtsnaam van de chimpansee. In 1878 waren tanden uit India toegewezen aan een Troglodytes sivalensis, een vermeende voorloper van de chimpansee. Overigens hadden de Franse antropologen Gabriel de Mortillet en Abel Hovelacque in 1873 de missing link een Anthropopithèque genoemd. Na de vondst van het dijbeen werd de soortaanduiding erectus, "rechtopgaand", toegevoegd. De naam Anthropopithecus gebruikte Dubois nog op 18 december 1892, in een dankbrief aan de anatoom Max Weber die hem uit Amsterdam een chimpanseeschedel ter vergelijking gezonden had. Omdat hij begreep dat hij met een nieuwe tussenvorm tussen apen en mensen te maken had, veranderde hij dit uiteindelijk in Pithecanthropus erectus (rechtopstaande aapachtige mens). Naar deze naam werd voor het eerst verwezen in een brief gedateerd 28 december 1892, waarin Dubois Anthropopithecus doorstreept en vervangt door Pithecanthropus, de hoofdletter over de tweede p van Anthropopithecus pennend. Ten onrechte wordt hierdoor soms wel gedacht dat hij Anthropithecus schreef. De geslachtsnaam verwees naar het werk van Haeckel maar diens soortaanduiding alalus bleef vervangen door erectus, een verwerping van het vooroordeel dat zo'n tussenvorm niet helemaal rechtop liep. De keuze voor Pithecanthropus werd volgens biograaf Bert Theunissen geïnspireerd door het feit dat Dubois zijn eerste schatting van het hersenvolume van de schedelkap, 700 cc, na verdere preparatie en verwijdering van opvullende matrix moest herzien naar 1000 cc. Het was dus meer een 'aapmens' dan een 'mensaap'.
Een satirisch bedoeld artikel over de vondst in het Bataviaasch Nieuwsblad, van 3 februari 1893, werd ondertekend met 'Homo erectus', de eerste keer dat die naam gedrukt werd.
In januari 1894 publiceerde Dubois in Indië zijn bevindingen waarbij hij de naam Pithecanthropus erectus formeel benoemde. Hij claimde dat dit de missing link was en de directe voorouder van de mens. Het geschrift was in het Duits geschreven, dat in de tijd van Germania docet het Latijn en Frans als wetenschapstalen aan het verdringen was. Bij de vindplaats liet hij een klein monument oprichten waarnaast nu een museum staat.
Een koele ontvangst thumb|Het koffertje van Dubois