thumb|Portret van Henri de Toulouse-Lautrec, 1894, door Paul Sescau, Musée Toulouse-Lautrec, Albi Henri Marie Raymond graaf de Toulouse-Lautrec-Monfa (Albi, 24 november 1864 - kasteel Malromé (Gironde), 9 september 1901) was een Franse kunstschilder, graficus en lithograaf.
Levensloop Gedaanten Henri de Toulouse-Lautrec is de afficheontwerper, schilder en chroniqueur van zijn tijd, de "belle époque". Hij is ook de decadente aristocraat die er genoegen in schept de vunzigheid, politieke wanorde, hypocrisie en eenzaamheid van zijn tijd uit te beelden. Hij schetst de verschoppelingen uit zijn maatschappij, in hun intiemste momenten. Hij is ook de kapotte mens die zelf deel uitmaakt van de zwarte nacht van Parijs en de kunstenaar vooral, die kijkt en weergeeft, zonder te moraliseren en zonder pretentieus commentaar.
thumb|De moeder van de kunstenaar aan het ontbijt in het familiekasteel, circa 1883
Jeugdjaren Toulouse-Lautrec-Monfa werd geboren op het landgoed van zijn adellijke familie te Albi (zuidelijke departement Tarn). Zijn vader graaf Alphonse-Charles heeft de inborst van een middeleeuws legerleider, die zich moet schikken in een tijd waarin voor ridderdaden geen ruimte meer is. Een heerszuchtig, eigenzinnig edelman met drie grote liefhebberijen: de jacht, paarden en lekker eten. De adellijke titels van de Toulouse-Lautrecs dateren van omstreeks 750, de tijd van Karel de Grote. De voornaam Henri is bedoeld als eerbetoon aan de Franse troonpretendent, de zogenaamde koning Henri V, graaf van Chambord.
Henri's moeder, Adèle-Marquette Tapié de Céleyran, is een nicht van haar man. Haar stamhuis dateert uit de 12e eeuw. Zij schenkt haar man een indrukwekkende bruidsschat. In de 19e eeuw trouwde de Franse adel vaak binnen de familie, om verdeling van erfgoed tegen te gaan. Na Henri kregen zijn ouders nog een zoon, die na een jaar stierf.
Alle voorwaarden om op te groeien tot een vermogende, mondaine Franse aristocraat lijken verzameld, ware het niet dat Henri fysiek afwijkt van de standaard. Zijn beendergestel is broos door pyknodysostose. Ook blijft de schilder altijd relatief klein, door een vorm van dwerggroei. Zelf zei hij hierover: "Ik mag misschien wel klein zijn, maar ik ben geen dwerg!" Hij was net geen 1 meter 50 groot. Zijn kleine gestalte en pyknodysostose is het gevolg van inteelt, veroorzaakt door onderlinge huwelijken binnen zijn familie.
Nog voor Henri's geboorte hadden zijn ouders de opvoedingstaken verdeeld. De eerste jaren zou de kleine Henri naar traditie toebedeeld worden aan zijn moeder, waarna zijn vader de opvoeding zou voortzetten. In de praktijk zou het anders lopen. De graaf schaamde zich voor zijn mismaakte, dwergachtige zoon en weigerde zich met hem te vertonen. Bovendien liet hij zich van Adèle scheiden toen Henri nog geen vier jaar oud was.
thumb|right|250px|Lautrec schildert Le Moulin Rouge, 1890 In 1872, een jaar na de Frans-Pruisische oorlog, vestigde de moeder van de toen achtjarige Henri zich te Parijs en schreef ze hem in aan het Lycée Fontanes. Hij won veel prijzen en behoorde tot de beste leerlingen. Hij schetste ruiters, paarden, ridders en koetsen in de marge van zijn taalschriften. Een klasgenoot, Maurice Joyant, werd later zijn beste vriend. In die tijd werd hij vanwege zijn kleine gestalte 'P'tit bonhomme' genoemd.
Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij van school gehaald toen hij tien jaar was. Terug in Albi studeerde hij thuis, maar het ging niet van harte. In 1878, op dertienjarige leeftijd, kreeg hij een ongeluk waarover de lezingen uiteenlopen. Hij brak zijn linkerdijbeen, het bot heelde slecht en hij begon te hinken. Het jaar erop brak hij zijn rechterdijbeen. Beide ongelukken hadden tot gevolg dat de groei van zijn benen stopte, terwijl zijn bovenlichaam doorgroeide. Het resultaat was dat Henri, die op zijn dertiende bijna 1,50 meter groot was, als volwassene amper enkele centimeters groter was.
Er bestaat weinig twijfel over dat Toulouse-Lautrec leed aan pyknodysostose, een kwaal die dwerggroei tot gevolg heeft en in twintig procent van de gevallen door incest of inteelt veroorzaakt wordt. Hij was een typisch voorbeeld van deze ziekte: kleiner dan anderhalve meter met een normaal volgroeide romp en hoofd, maar met te korte armen en benen, brede neusvleugels, een ingevallen kin, felrode en getuite lippen en een veel te grote tong, waardoor de persoon onophoudelijk lispelt en kwijlt. Bijziendheid had tot gevolg dat Toulouse-Lautrec een pince-nez moest dragen. Het feit dat ter hoogte van het voorhoofd de fontanel niet helemaal dichtgegroeid was, noodzaakte hem ertoe in alle omstandigheden, binnen en buiten, goed of slecht weer, een hoed te dragen.
thumb|right|Moulin rouge - La Goulue door Toulouse-Lautrec, 1891 Hij kreeg zo'n hekel aan lopen, dat hij het liefst in een koets reed. Zijn waarnemingsvermogen groeide uit tot een journalistieke scherpte, die uitmondde in zijn uitdrukkingskracht. Niettegenstaande zijn broos beendergestel waren zijn geesteskracht, zijn intellect en zijn energie uitzonderlijk, evenals zijn schilder- en tekenbegaafdheid.
Artistieke vorming In 1882, op zijn zeventiende verjaardag, kreeg Toulouse-Lautrec toestemming van zijn ouders om het tekenen en schilderen serieus te gaan beoefenen. Zijn eerste leraar was de onbesuisde schilder René Princeteau, een vriend van Toulouse-Lautrecs vader, gespecialiseerd in het tekenen en schilderen van paarden. Onder zijn invloed werd Toulouse-Lautrec geboeid door de schilderachtige paardenrennen rondom Parijs, zoals Auteuil en Longchamps.
Al gauw besloot Princeteau dat hij Toulouse-Lautrec niets meer kon bijbrengen en gaf hij zijn ouders de raad hem naar Léon Bonnat (1834-1922) te sturen. Deze was een plaatselijke beroemdheid, maar een volstrekt academisch schilder. Hij vond Toulouse-Lautrecs manier van schilderen niet slecht, doch zijn tekenkunsten ronduit verschrikkelijk.
Toen Bonnat zijn atelier sloot, vormde Toulouse-Lautrec samen met andere oud-leerlingen van Bonnat een groep kunstenaars onder leiding van Frédéric Cormon (1845-1924). Met deze laatste mocht hij meewerken aan de illustraties voor de derde reeks van Victor Hugo's poëtisch epos 'La Légende des siècles', uitgegeven in 1883. Daar leerde hij de schilder Émile Bernard (1868-1941) kennen, die hem wees op de kunst van Paul Cézanne (1839-1906), Edgar Degas (1834-1917), Édouard Manet (1832-1883) en Auguste Renoir (1841-1919), alsook op deze van de Spaanse schilders Francisco Goya en Diego Velázquez.
Verwezenlijking van zijn persoonlijkheid in het Parijs van de laat 19e eeuw In 1884 verhuisde Toulouse-Lautrec naar een studio in Montmartre, die de volgende dertien jaar zijn thuisbasis vormde. Hij bezocht Le Chat Noir, het cabaret dat eind 1881 gesticht werd door de schilder Rodolphe Salis op de plaats van zijn atelier en vernoemd werd naar de vertelling De Zwarte Kat, van Edgar Allan Poe. Salis werd in plaats van een slecht schilder een vermaarde cabaretier. Onder zijn gasten waren Victor Hugo (1802-1885), Émile Zola (1840-1902), Alphonse Daudet (1840-1897) en anderen. Zijn gelijknamige weekblad steeg in belang uit boven zijn cabaret, omdat er het leven en streven van Montmartre, zijn landschappen, zijn misdadigers en zijn prostituees in beschreven werden. 'Le Chat Noir' vormde de neerslag van het Parijs van de laatste twintig jaar van de 19e eeuw, een stad die gonsde van klinkende namen, een reusachtige magneet waarnaar zich de krachten van heel Europa richten. Parijs is de bakermat van alle mogelijke geestelijke stromingen.
thumb|right|250px|Het bed, 1892 In het nachtelijk leven van deze stad vond Toulouse-Lautrec de vrijheid om te schilderen wat hem boeide: het leven zelf, de mensen die hem interesseren in een omgeving die hij kent. Hij schilderde in milieus die pas opbloeien bij kunstlicht. Dit was volledig in tegenstelling tot de toen geldende principes van het impressionisme, waarin de effecten van het licht in het landschap gezocht worden. Voor die tijd was zijn werk ongewoon en gewaagd en de verguizing niet gering.
Vooral in 'Le Chat Noir' en ook in de 'Boule Noire' vond hij de mensentypes die hem boeiden. Hij observeerde de welgestelde heren met een bloem in het knoopsgat, lakschoenen met slobkousen, lichte handschoenen en een wandelstok met gouden knop, de beursspeculanten in rok, de opgeblazen officieren, de adel van West- en Oost-Europa die het frivole leven in de Lichtstad boven hun eigen hoofdstad verkoos, de krijtwitte dames van lichte zeden, de maîtresses met hun zwaar aangezette ogen en lippen, de hoertjes met hun uitgebluste gezichten, pronkend in smakeloze, opvallende kleding en de kunstenaars en kunstenmakers met hun zwierige zwarte dassen en breedgerande zwarte hoeden. Kunst en dagelijks leven leken moeiteloos in elkaar over te vloeien.
Door zijn kennismaking met Louis Anquetin (1861-1932) werd Toulouse-Lautrec geïntroduceerd in de kring van briljante gasten van 'Le Mirliton', het café-cabaret dat de componist en zanger Aristide Bruant in Montmartre opende in het oude lokaal van 'Le Chat Noir'.
Vincent van Gogh kwam in het voorjaar van 1886 naar Parijs en werd bevriend met Toulouse-Lautrec. Beiden hadden hun intense liefde voor het leven en hun frustraties gemeen. Toulouse-Lautrec wist zich met zijn bijtende humor en ironische verachting voor het lot staande te houden, terwijl Van Gogh zwaarmoedig op de tragedie van het leven broedde. In 1887 tekende Toulouse-Lautrec Vincents portret: een expressieve pastel van een man, die drie jaar later de dood zocht. miniatuur|Portret van Vincent van Gogh, 1887 thumb|De jockey, 1899 Toulouse-Lautrec tekende en schilderde de bonte wereld van artiesten en hun publiek. Hij voelde zich thuis in 'Le Cirque Fernando', ook de geliefde verblijfplaats van Edgar Degas, Auguste Renoir en Georges Seurat (1859-1891). Andere favoriete verblijfplaatsen van de schilder waren het circus en later danszaal 'Folies-Bergères', de danszaal 'Moulin de la Galette' alsook de music-hall 'Moulin-Rouge'. Hij leerde het niet al te mooie, maar fascinerende ex-verkoopstertje Yvette Guilbert kennen, de vrouwelijke clown 'Cha-U-Kao', de Spaanse danseres 'La Macarona', de danseres 'Môme Fromage', het blonde meisje van plezier 'La Goulue' en de slangenmens 'Valentin le Désossé' die er de dansen leidde.
Tekenaar – schilder – afficheontwerper De eerste schilderstijl van Toulouse-Lautrec was afgeleid van de impressionisten. In het bijzonder het decoratieve oppervlakte-effect van Pissarro, gecreëerd door zijn penseelwerk van parallelle lijnen en toetsen, benutte hij. Deze manier van schilderen, gebruikelijk in de jaren 1885 tot 1890 werd later vervangen door een vrijere, meer open techniek met vloeiende, grafisch omlijnde eenvormige kleurvlakken. Toulouse-Lautrec wijzigde veelvuldig zijn penseelstreek: stippen, korte lijnen en zigzagstrepen, dit om een decoratief equivalent te creëren voor diverse oppervlaktestructuren, zoals Van Gogh deed in zijn pentekeningen, maar minder naturalistisch.