De gaviaal (Gavialis gangeticus) is een krokodilachtige die behoort tot de familie gavialen (Gavialidae). Het was lange tijd de enige moderne vertegenwoordiger, tot in 2007 ook de onechte gaviaal (Tomistoma schlegelii) aan de groep werd toegevoegd. Later werd de onechte of valse gaviaal wederom onder de echte krokodillen geplaatst, nog wel in een aparte onderfamilie: Tomistomatinae. De naam 'gaviaal' is afgeleid van het Indische woord 'ghara', wat verbasterd is tot (Engels) Gharial en later tot het Nederlandse gaviaal.

De gaviaal wordt ook wel gangesgaviaal of Indische gaviaal genoemd. Het is een van de grotere soorten krokodilachtigen en kan een totale lichaamslengte tot meer dan zeven meter bereiken, althans de mannetjes -de vrouwtjes blijven aanzienlijk kleiner. De gaviaal valt op door de zeer lange smalle snuit en vele naaldachtige tanden. Van alle krokodilachtigen heeft de gaviaal met 106 tot 110 tanden het grootste aantal. De gaviaal is sterk bedreigd en is bijna uitgestorven. In India zijn de populaties weer wat aangesterkt door de dieren in gevangenschap groot te brengen, maar buiten India zijn de dieren erg zeldzaam. De gaviaal is een sterk op het water aangepaste soort die leeft in rivieren. Op het menu staat vrijwel uitsluitend vis, de bek is hierop speciaal aangepast.

Naamgeving en taxonomie thumb|left|Tekening uit Iconographia Zoologica. De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst voorgesteld door Johann Friedrich Gmelin in 1789. Oorspronkelijk werd de naam Lacerta gangetica gebruikt, het geslacht Lacerta wordt tegenwoordig tot de familie echte hagedissen (Lacertidae) gerekend.

De naam 'gaviaal' is afgeleid van het Indische woord 'ghara', wat later verbasterd is tot (Engels) gharial en later tot het Nederlandse gaviaal. Een ghara is een Indiaas woord voor een aardewerken pot die met enige fantasie lijkt op het uitgroeisel op de neus van de volwassen mannetjes van de gaviaal. De soortaanduiding gangeticus betekent vrij vertaald 'van de (rivier) de Ganges'. Een aantal krokodilachtigen worden verdeeld in verschillende ondersoorten, van de gaviaal zijn echter geen ondersoorten bekend.

Lange tijd werd de familie slechts vertegenwoordigd door een enkele soort en dat was de gaviaal. In 2007 werd na onderzoek door R. Willis, L McAliley, E Neeley en L Densmore naar de verwantschappen tussen krokodilachtigen op basis van hun genen vastgesteld dat de onechte gaviaal (Tomistoma schlegelii) sterker verwant is aan de gaviaal dan lange tijd werd aangenomen. De onechte gaviaal komt veel zuidelijker voor dan de gaviaal en leeft in Indonesië. Beide soorten hebben een kenmerkende lange snuit, maar die van de gaviaal is relatief langer dan die van de onechte gaviaal. Tegenwoordig wordt de onechte gaviaal ook tot de gavialen gerekend.

Bekende uitgestorven aanverwanten zijn Rhamphosuchus en de tien meter lange Gavialosuchus. Er zijn daarnaast acht uitgestorven soorten uit het geslacht Gavialis bekend.

Evolutie thumb|270px|right|Rutiodon leek op een gaviaal maar is niet verwant. De gaviaal werd lange tijd beschouwd als een levend fossiel vanwege het feit dat er geen tussenvormen zijn gevonden van gavialen en de andere krokodilachtigen. Van de andere groepen van krokodilachtigen zoals alligators (geslacht Alligator) en de typische krokodillen (geslacht Crocodylus) waren al wel tussenschakels bekend.

De familie van de gavialen was vroeger veel groter, er zijn vele uitgestorven soorten bekend. De vroegste fossielen van vertegenwoordigers van de gavialen zijn ongeveer 20 miljoen jaar oud. Enkele uitgestorven soorten konden bijzonder groot worden en een lichaamslengte bereiken van 17 meter. Ook in delen van Europa kwamen ze lange tijd geleden voor; er zijn fossielen bekend uit het Tertiair. Ook uit delen van Azië zijn dergelijke fossielen bekend. Een voorbeeld van een dergelijke uitgestorven soort is Gavialosuchus, die bekend is uit delen van Noord-Amerika en leefde van het Oligoceen tot het Mioceen. Ook deze soort kwam voor tot in Europa. Tegenwoordig komt geen enkele krokodilachtige meer voor op het Europese continent.

Vanwege de enorm lange bek en de afwijkingen van de schedel ten opzichte van andere krokodillen werd de gaviaal wel toegewezen als de enige vertegenwoordiger van de uitgestorven familie van zeekrokodillen, de Telosauridae. Fossielen van de soort Steneosaurus uit het Jura bijvoorbeeld lijken sterk op het skelet van de gaviaal. Tegenwoordig weten we dat de gaviaal eenzelfde voorouder heeft als de andere moderne krokodillen en dat de verlengde snuit in deze groep vroeger meer voorkwam. Het ontwikkelen van een zeer lange kaak blijkt een vorm van convergente evolutie, dieren die er hetzelfde uitzien hebben de gemeenschappelijke kenmerken niet te danken aan een verwantschap, maar aan het leven in een gelijkende leefomgeving en in dit geval eenzelfde voedselspecialisatie; het vangen van vis. Een voorbeeld van een soort die sterk op een gaviaal lijkt maar dit zeker niet is, is Rutiodon uit het Trias. Deze soort had echter enkele belangrijke verschillen, zo waren de neusgaten vlak voor de ogen gepositioneerd en dit kenmerk komt bij de krokodilachtigen nooit voor.

Uiterlijke kenmerken thumb|270px|right|Skelet van een gaviaal. thumb|270px|right|Mannetjes hebben een vergroeiing op de neus. thumb|270px|right|Vergelijking met andere krokodilachtigen. De gaviaal heeft een langwerpig lichaam met een lange staart en een uitzonderlijk lange snuit. Deze doet enigszins denken aan een snavel en kan zes keer langer worden dan de breedte aan de basis van de snuit.

Kop De gaviaal verschilt hiermee sterk van alle andere krokodilachtigen en is direct te herkennen aan de zeer lange, smalle bek die vele kleine tanden bevat. Alleen de onechte gaviaal (Tomistoma schlegelii) heeft een enigszins vergelijkbare schedelbouw maar heeft een bredere snuit. De gaviaal is sterk op het water aangepast en heeft een zijdelings afgeplatte staart, een hoge staartkam, kleine poten en goed ontwikkelde vliezen tussen de tenen van de achterpoten.

De vorm van de snuit verandert gedurende het leven van de gaviaal. Zeer jonge dieren die net uit het ei zijn gekropen hebben een relatief dikke snuit die met de jaren smaller en langer wordt. Bij heel oude gavialen echter wordt de snuit wat breder. De snuit van de gaviaal is uitstekend geschikt om vis te eten, de smalle bek is licht en geeft weinig weerstand in het water als met een zijwaartse beweging een vis wordt gegrepen. De vele tanden zijn aangepast om glibberige prooien als vissen goed vast te houden.

Een gaviaal lijkt niet alleen meer tanden te hebben door de lange bek, maar heeft ook daadwerkelijk het grootste aantal tanden van alle krokodilachtigen. De meeste soorten hebben ongeveer 66 tot 82 tanden in de bek, de gaviaal heeft 106 tot 110 tanden; 5 rijen voortanden (premaxillair) en 23 of 24 rijen tanden (maxillair) in de bovenkaak en 25 of 26 rijen kiezen (mandibulair) in de onderkaak. De eerste en de vierde tand in de onderkaak zijn duidelijk groter dan alle andere tanden, hierdoor heeft de bovenkaak aan weerszijden twee inkepingen waarin de tanden worden geborgen bij een gesloten bek. Alle andere tanden haken precies tussen elkaar als de bek is gesloten.

Op de snuitpunt van een volwassen mannetje is een vergroeiing op de neus te zien, die behoorlijk opvalt en onregelmatig van vorm is. Lange tijd werd gedacht dat dit een onbedoelde vergroeiing of misschien een ziekte was maar na onderzoek blijkt dat het uitsteeksel meerdere doelen dient. Het wordt onder andere gebruikt als seksuele prikkel voor de vrouwtjes en om lage geluiden te produceren die ver dragen onder water, zie ook onder voortplanting.

Naast de lange snuit verschilt de schedel ook wat betreft de openingen; de temporale openingen bijvoorbeeld zijn even groot als de oogkas en zijn rond van vorm. Bij andere krokodillen zijn de openingen kleiner en langwerpig van vorm.

Lichaam De gaviaal is een van de grootste moderne krokodilachtigen en bereikt een gemiddelde lichaamslengte van 6,4 meter. De grotere mannetjes kunnen echter meer dan zeven meter lang worden en de kleinere vrouwtjes bereiken een gemiddelde lichaamslengte van ruim vier meter. Mannetjes worden groter dan de wijfjes, en kunnen een lichaamsgewicht van meer dan een ton (1000 kilo) bereiken.

De lichaamskleur is groen of bruin, jongere exemplaren zijn lichtbruin tot olijfgroen van kleur en oudere dieren zijn donkerder tot bijna zwart, jongere exemplaren hebben daarnaast een patroon van zwarte vlekjes en een donkere bandering over het gehele lichaam maar vooral op de staart. Deze kleuren en patronen vervagen naarmate de dieren ouder worden maar ook bij oudere dieren zijn vaak nog dwarsbanden op de rug aanwezig.

Krokodilachtigen zijn vaak te onderscheiden aan de vorm, de positie en het aantal beenplaten in de nek en de platen direct achter de kop. De beenplaten in de nek worden de nuchale platen genoemd en de platen achter de kop de postoccipitale platen. Nuchaal betekent 'nek' en post-occipitaal betekent 'achter het achterhoofd'. De nuchale en postoccipitale platen hebben bij de gaviaal dezelfde vorm als de beenplaten op de rug, en lopen in elkaar over. In totaal heeft de gaviaal 20 of 21 rijen beenplaten aan de bovenzijde, dus inclusief de nuchale en postoccipitale platen. Een dergelijk patroon waarbij de rugplaten en de nekplaten niet op enige afstand liggen maar tegen elkaar aan vindt men verder alleen bij de onechte gaviaal.

Poten en staart De achterpoten zijn duidelijk groter dan de voorpoten, de achterpoten zijn daarnaast voorzien van zwemvliezen. Deze vergroten het pootoppervlak waardoor de gaviaal een betere grip heeft op de ondergrond. De poten worden niet direct gebruikt bij het zwemmen, want tijdens het zwemmen worden ze tegen het lichaam gehouden. Ze worden wel gebruikt als 'roer' om te sturen. De poten zijn vrij klein en ze zijn te zwak om het lichaamsgewicht van de gaviaal te dragen op het land. De gaviaal kan zich hierdoor niet ver over land bewegen als bijvoorbeeld een poel uitdroogt, in tegenstelling tot alle andere soorten krokodilachtigen. Het dier kan zich wel op het land hijsen om een zonnebad te nemen of in het geval van vrouwtjes om de eieren af te zetten.

De staart is sterk zijdelings afgeplat en wordt voornamelijk gebruikt bij het zwemmen. De staart wordt dan krachtig heen- en weer bewogen wat voor de voortstuwing zorgt. De basis van de staart is plat, naar achteren toe worden de beenplaten hoger en aan de staartpunt zijn ze sterk gekield. De beenplaten aan de bovenzijde van de staart dragen kleine puntjes, in tegenstelling tot de beenplaten aan de bovenzijde van de rug.

Voedsel thumb|270px|right|Een etende gaviaal. Het voedsel bestaat vrijwel uitsluitend uit vissen, waarschijnlijk worden soms kleine zoogdieren en andere gewervelden gegeten. Ook waarnemingen van gavialen die watervogels aten zijn wel bekend. De gaviaal eet uitsluitend prooidieren die in de smalle bek passen en in één keer kunnen worden doorgeslikt. De kaken van de gaviaal zijn absoluut niet geschikt om stukken vlees af te scheuren zoals van andere krokodilachtigen bekend is. Ook kunnen geen grote brokken vlees worden doorgeslikt.

Van andere krokodilachtigen is bekend dat ook schildpadden worden gegeten, de bek van de gaviaal is hiervoor echter ongeschikt. Juveniele dieren leven van kleine ongewervelden zoals insecten die in het water leven of terechtkomen en kleine gewervelde dieren zoals kikkers.