De Grote- of St. Catharinakerk in de Nederlandse stad Nijkerk is gebouwd in 1461 en herbouwd na een stadsbrand in 1540. De kerk bestaat uit een middenschip, met twee zijbeuken en een koor.

Met Sint Catharina, naar wie de kerk genoemd is, wordt bedoeld de legendarische Catharina van Alexandrië. In de huidige rooms-katholieke kerk van Nijkerk staat een oud beeld van deze heilige, dat ooit in de Grote Kerk zou hebben gestaan. Tegenwoordig wordt de kerk meestal 'Grote Kerk' genoemd en niet meer 'Sint Catharinakerk'. De kerk is nog steeds voor kerkdiensten in gebruik. In 1594 werd de kerk officieel protestants. De Hervormde Gemeente Nijkerk behoort tot de Protestantse Kerk in Nederland.

Kerk Geschiedenis Tot 1461 Waarschijnlijk is er al in de 13e eeuw sprake geweest van een kerk of kapel in Nijkerk, op de plek van de huidige Grote Kerk. Algemeen wordt aangenomen dat de kerk die toen gebouwd is (ter onderscheiding van de oude parochiekerk in Putten) ‘Nije Kerck’ werd genoemd; de herkomst van de naam Nijkerk. De plaatsnaam werd voor het eerst genoemd in 1313, op een lijst van bezittingen van Herbertus, heer van Putten. Dat duidt erop dat de 'Nije Kerck' er toen al stond en het dorp eromheen al zo genoemd werd. In belastingadministratie uit 1333/1334 wordt gesproken over 'paludis apud Nyenkercke', wat 'moeras bij Nijkerk' betekent. Ook wordt ‘Nykerc’ genoemd in het archief van het Vaticaan in een pausbul uit 1353. De plaatsnaam Nijkerk kan echter ook zijn ontstaan toen de bewoners van de middeleeuwse buurtschap Ark (in de huidige polder Arkemheen) op hoger gelegen gebieden gingen wonen en hiervoor de naam 'Nie-Ark' (dat wil zeggen 'Nieuw Ark') gebruikten.

De plaatsnaam Nijkerk is dus geen onomstreden bron voor de datering van de eerste kerk in Nijkerk. De wijding aan Sint Catharina geeft echter ook een indicatie. In de 11e, 12e en 13e eeuw werden verschillende kerken gewijd aan Sint Catharina, zoals de kerk in het naburge Bunschoten in 1300. Volgens een verklaring van pastoor Everhardus Swaer uit 1558, had hij in het kellenaarshuis van de Paderbornse abdij in Putten een stichtingsakte van de Nijkerkse kerk uit 1222 gezien. Het jaar 1222 wordt in veel boeken over de historie van Nijkerk genoemd, maar er is nooit bewijs gevonden dat dit daadwerkelijk het stichtingsjaar is van de 'Nije Kerck'. In 1421 werd deze 'Nije Kerck' of kapel verwoest tijdens twisten tussen bisschop Frederik van Blankenheim van Utrecht en hertog Reinoud IV van Gelre (die Nijkerk in 1413 stadsrechten had gegeven).

1461-1600 De bouw van een nieuwe kerk in Gotische stijl begon in 1461. De eerst steen werd gelegd door Peter van Egmond, 'richter van de Veluwe', op 3 juni van dat jaar. In de toren kwamen twee luidklokken te hangen die gegoten waren door Steven Butendijc.

Bij een stadsbrand op 15 augustus 1540 raakte het gebouw zwaar beschadigd. De toren bleef grotendeels gespaard, evenals een deel van de muren. Na deze brand werd de kerk weer opgebouwd. In de Grote Kerk hangt nu nog een herdenkingsbord ter herinnering aan deze stadsbrand. Het is niet duidelijk of men de kerk herbouwd heeft met dezelfde vormen. Waarschijnlijk was het middenschip voorheen lager, wat blijkt uit bouwsporen op de oostelijke torenmuur, zichtbaar op de kerkzolder. Aangenomen wordt dat het koor ouder is dan de rest van de kerk. In 1554 werd het bestaan van de kapel aan de oostzijde van de zuiderzijbeuk vermeld. Dit is de voormalige Bentinckkapel, die nu bij de kerkruimte hoort. De kapel was gewijd aan Sint Anna en Sint Catharina. De herbouw van de Grote Kerk kwam mogelijk gereed in 1561. Er staat geschreven dat in dat jaar 'de romp der kerk opgebouwd en vernieuwd werd. De gerfkamer dateert ook uit de 16e eeuw. Boven de zoldering is te zien dat deze ruimte ooit ook overwelf was. links|miniatuur|226x226px|Gerrit van de Pol wist in 1871 deze tekening te maken van een oude muurschildering van Sint Christoffel die bij de Reformatie witgekalkt was. Bij de herbouw kreeg de kerk een nieuw orgel en er kwamen zeven altaren te staan. Het hoofdaltaar dat gewijd was aan Sint Catharina stond in het koor. In de zijbeuken stonden nog zes kleinere altaren. Een daarvan was gewijd aan Sint Jacob, zoals blijkt uit een beschrijving die zegt dat dit altaar in 1591 nog in de kerk stond. In de noorderzijbeuk werd een muurschildering aangebracht van Sint Christoffel. Deze schildering werd bij de Reformatie in 1593 witgekalkt, maar kwam in 1871 bij een restauratie weer tevoorschijn. De Nijkerkse tekenaar Gerrit van de Pol wist er nog wel een tekening van te maken. Daarna verdween de schildering voorgoed.

Blijkens een akte uit 1656 had de kerk glas-in-lood-ramen met wapenschilden van verschillende families.Archief kerkvoogdij hervormde gemeente 1594-1960. Gemeentearchief Nijkerk nr. 530.

Reformatie In Nijkerk bracht de Reformatie nog niet direct veranderingen. Pas in 1583 stuurde de Gelderse synode de gereformeerde predikant Rutger van Siburg naar Nijkerk. Het Hof van Gelre verbood pastoor Everardus Swaer om te preken. Van Siburg preekte op 2 juni 1583 in de kerk, 'op bevel van de hooge overheid'. Na het vertrek van Van Siburg naar Amersfoort, werd pastoor Swaer weer aangesteld, hetzij sunder eenige ceremoniën te gebruycken' (dat wil zeggen zonder de Roomse sacramenten). Uiteindelijk zette de Reformatie toch door in 1593, door de komst van Johannes Fontanus. In 1594 werd de gereformeerde predikant Johannes Switterius dominee in Nijkerk. De Grote Kerk werd toen ontdaan van de altaren en beelden.

1600-1700 In 1606 werden er twee nieuwe luidklokken in de toren gehangen. Deze waren gegoten door Henrich Aalten van Muers in Utrecht, met gebruikmaking van materiaal van de oude klokken.Archief kerkvoogdij hervormde gemeente 1594-1960. Gemeentearchief Nijkerk nr. 371. Ook kwam er een 'klein klokje'. Blijkens een begroting kwamen er in 1616 nieuwe eikenplanken onder het kerkdak.Archief kerkvoogdij hervormde gemeente 1594-1960. Gemeentearchief Nijkerk nr. 528. In 1621 vervaardige Henrich Simons een preekstoel voor de Grote Kerk. In 1622 kwamen er nieuwe leien op het kerkdak.Archief kerkvoogdij hervormde gemeente 1594-1960. Gemeentearchief Nijkerk nr. 529. In de jaren 1625 tot 1628 werd het orgel gerestaureerd. Een rekening uit 1630 spreekt van het verhangen van de grote klok en de Martinusklok'.Archief kerkvoogdij hervormde gemeente 1594-1960. Gemeentearchief Nijkerk nr. 579.

In 1673 eisten Franse soldaten die naar Amsterdam wilde optrekken, maar gehinderd werden door de waterlinie, het kerkgebouw op. Zij leefden de kerk volledig uit en vernielden het interieur en de ramen. De Fransen voerden voor korte tijd de rooms-katholieke eredienst weer in. Dominee Johannes Cotius schreef:'In dien selven somer hebben de Franschen alles in de kercke verbrant, de wapens, het orgel, gestoelten en baanken en alle de baren, de glasen an stucken gebroocken, soodat niet geheels of ongeschonden is gebleven, selfs tot de predikstoel en doophuys incluys, soodat de kerck door het continuele vieren en door den roock en smoock eer na een paardestal als na een kerck quam te gelijcken.

Hoe slecht het kerkgebouw er aantoe was, blijkt uit rekeningen uit 1674, toen 5000 leien, nog eens 2000 leien, 2500 leinagels, lood en hout gekocht werden voor het herstellen van het kerkdak. Verder kreeg de kerk nieuwe ramen. Ook moest er een nieuwe preekstoel komen, die in januari 1675 in gebruik werd genomen. Toen werd de 'nyeuen predickstoel geset in dese kerck in Nijckerk'. Ook werden de kroonluchters teruggehangen, die 'Hendrick Hermens, coster, geberght hebbe voor de Fransen.

1700-1800 In 1756 kreeg de kerk een nieuw orgel, gebouwd door Matthijs van Deventer uit Nijmegen. In 1774 werd de oude torenspits afgebroken, waarna in 1776 de huidige statige, barokke toren gereed kwam. Ook kwam er een nieuwe deurpartij onder de toren, in dezelfde stijl. In 1780 werd de vloer van grafzerken opgehoogd.Archief kerkvoogdij hervormde gemeente 1594-1960. Gemeentearchief Nijkerk nr. 561.

In 1788 werd 'de kerk inwendig geheel vernieuwd'. Daarbij kwam er 'eene dubbele bank voor de ambtsjonkers en hunne dames', de zogenaamde regeringsbank. In 1789 vervaardige Hendrik Gerrit van Raan de huidige preekstoel. Deze is gemaakt van mahoniehout en voorzien van houtsnijwerk in de vorm van tabaksbladeren. Van Raan maakte ook een bijpassend doophek, waarop ook tabaksbladeren te zien zijn. In de 18e eeuw werd Nijkerk namelijk rijk met de teelt van tabak die tot ver buiten de landsgrenzen geëxporteerd werd. Op 18 oktober 1789 werd 'de eerste leerrede gehouden op den nieuwen predikstoel.

Op 19 mei 1793 werden 'twee groote kronen in de kerk gehangen'.

1800-1900 In 1841 werden de dakruiter en de zonnewijzer aan het koor opnieuw geschilderd.

Op 10 januari 1842 verscheen een rapport over de bouwkundige staat van de kerk, opgesteld door de Nijkerkse stadsarchitect C.L. Jurling en L. van Dijkhuizen.Archief kerkvoogdij hervormde gemeente 1594-1960. Gemeentearchief Nijkerk nr. 523. Hieruit blijkt dat de muren van de kerk instabiel waren en naar buiten weken. Dit kwam doordat delen van de muurplaten (de houten balken waarop de kap rust) vergaan, waardoor het gewicht van het dak zijwaartse krachten veroorzaakte. Verder waren de gewelven en bogen op verschillende plekken gescheurd en waren hout en metselwerk aangetast door lekkages. Vooral aan beide zijden van de toren vertoonden de gewelven grote gebreken. Jurling en Van Dijkhuizen stelden voor de muren te stabiliseren met ankers. Daarnaast adviseerden zij het plaatsen van extra schuine steunbalken (standvinken) die het gewicht van de houten kap lager op de muren overbrengen.

Een eerste begroting van de kosten dateert van 19 januari 1842, waarbij Jurling opmerkte dat het in alles een even moeijelijk als gevaarlijk werk is, daar een gering verzuim groote ongelukken zou kunnen veroorzaken.' De totale kosten beraamde hij op 1620,40 gulden.

Twee dagen later, op 21 februari 1842, ontving men een schrijven uit Arnhem van ingenieur Conrad (vermoedelijk Martinus Hendrik Conrad) waarin de inzichten van Jurling bevestigd werden, met de woorden: 'De wijze waarop dit door den Stads architect Jurling is voorgedragen, acht ik vrij doelmatig, en houde ik het er voor, dat wanneer de door hem voorgestelde werkzaamheden, behoudens eenige wijzigingen wijzigingen, die ik hier vervolgens zal opgeven, onder een goed toezigt, en met zorg worden uitgevoerd het gevaar van verdere uitwijking zal ophouden.' Conrad achtte het noodzakelijk dat er extra ijzeren stangen door de kerkruimte kwamen om de muren te verankeren. Ook kwam het advies om wanneer er bij het luiden der klokken, dreuning wordt waargenomen, dan liever dat luiden te staken, tot dat de nodige voorzieningswerken zullen uitgevoerd zijn.' Jurling paste vervolgens zijn begroting van de kosten aan. Deze kwam op 2155,40 gulden voor het reparatiewerk aan de gewelven, de kapconstructie en het aanbrengen van ijzeren stangen.

Het bestek voor de werkzaamheden, opgesteld door Jurling, werd vastgesteld op 23 juli 1842, waarna het op 29 juli werd goedgekeurd door het Gelderse College van Toezicht. Op 6 augustus 1842 vond de openbare aanbesteding plaats in herberg De Roskam vlakbij de kerk. Naast de noodzakelijke reparaties, voegde men er ook een perceel aan toe voor 'het leveren en zetten in ramen van negen gegoten ijzeren ramen met glas.' Daarnaast voorzag men het vervangen van allerlei onderdelen van de kapconstructie, alsmede het toevoegen van extra kruisschoren en standvinken en het vervangen van (een deel van) de leien op het kerkdak. Verder het aanbrengen van zolders in de gedeelten aan weerszijden van de toren; zeer waarschijnlijk ter vervanging van de gewelven die daar in slechte staat waren. Het werk moest binnen vier maanden gereed zijn en men bepaalde dat Ieder Aannemer zal moeten zorgen, dat door het verrigten zijner werkzaamheden, geen hindernis aan de uitoefening der Godsdienstoefening wordt toegebracht.'