De Mont Saint-Michel is een klein, rotsachtig getijdeneilandSedert de vaste oeververbinding werd afgebroken, kan men terug van een getijdeneiland spreken. De Mont is nu met een brug verbonden met het vasteland. in Normandië, Frankrijk gelegen in een grote baaiDe baai is ca. 500 vierkante km groot en wordt begrensd door het Normandische schiereiland van de Contentin in het westen en door Bretagne in het zuidoosten. aan de monding van de Couesnon. Een middeleeuwse abdij bekroont het granieten massief van de Mont Saint-Michel. Op de torenspits van de abdijkerk staat sinds 1898 een beeld van de heilige Michaël dat honderdzeventig meter boven de baai uitsteekt. Het eiland ligt ongeveer een kilometer uit de kust bij de stad Avranches in Normandië. Oorspronkelijk was het over land bereikbaar bij laagwater, maar bij hoogwater was het omringd door water. Tegenwoordig loopt er een smalle brug, met pendeldienst, naar het eiland. De Mont Saint-Michel, met zijn trapstraten, is alleen toegankelijk voor voetgangers.
In 1979 werd de Mont Saint-Michel met abdijcomplex en de omliggende baai uitgeroepen tot werelderfgoed door de UNESCO.Site Unesco. De Mont Saint-Michel is de derde toeristische trekpleister in Frankrijk na de Eiffeltoren en het Kasteel van Versailles, met jaarlijks meer dan 3.500.000 bezoekers.La baie du Mont-Saint-Michel
De baai miniatuur|De baai van de Mont Saint-Michel (2006) De baai van de Mont Saint-Michel is ca. 500 km² groot en wordt begrensd door het Normandische schiereiland van de Cotentin in het oosten en door Bretagne in het zuidwesten. De baai kent het grootste getijdenverschil van Europa. Het verschil tussen de waterstanden bij laag- en hoogwater kan tot 15 meter bedragen, gemiddeld is het 10 meter. Door het feit dat de laagwaterstand onder het niveau van de baai ligt komt het water bij vloed zeer snel opzetten. De stadslegende heeft het over de snelheid van een galopperend paard (25 à 30 km/h) maar in de realiteit gaat het over een gemiddelde snelheid van 3,75 km/h; het maximum dat gemeten werd bedroeg 6,1 km/h. Fernand Verger, "A la vitesse d'un cheval au galop ?", Pour la Science, janvier 2010, p. 20
Omdat de baai extreem vlak is en het water makkelijk blijft staan kunnen in de baai plekken met drijfzand ontstaan. Ter plaatse noemt men dat lises. Drijfzand in de baai van de Mont Saint-Michel vormt zich door water onder het zand dat niet kan wegtrekken omwille van onderliggende klei. De toeristische diensten organiseren wandelingen van het vasteland naar de berg, onder de leiding van een kundige gids, waarbij men kennis kan maken met deze plekken van drijfzand.Traversée commentée, met foto's van drijfzandslachtoffers. Gearchiveerd op 26 maart 2023.
miniatuur|Mont Saint-Michel bij nacht
Legende van het eiland Oorspronkelijk zou het eiland, zoals zijn zustereiland Tombelaine, een bergje geweest zijn in een bosrijk gebied, het woud van Scissy. Dat bos lag dicht bij de kust en was niet beschermd door duinen. De druïden van de Kelten gebruikten de plaats voor hun heidense cultus en om offers te brengen aan hun goden. Bij een vloedgolf in 709 werd het bos in één nacht verwoest en een deel van de grond spoelde weg naar zee. Hierdoor werd het land waar vroeger dat bos lag, net laag genoeg om door de zee bij vloed overstroomd te worden. Het bergje werd een eiland waar men een abdij op gebouwd heeft. Dit verhaal werd verteld in de Revelatio ecclesiae sancti Michaelis in monte Tumba,Zie bij geschiedenis. en het is hierop dat de geograaf François Manet (18e - 19e eeuw) zich baseerde om zijn thesis over de fatale stormvloed van 709 te beschrijven, die in één nacht de baai van de Mont Saint-Michel verzwolgen zou hebben. Scissy - dat afgeleid zou zijn van Sessiacum - bevat trouwens geen verwijzing naar een bos maar zou te verstaan zijn als domein van Siccius of Siscius,Albert Dauzat, Charles Rostaing, Dictionnaire étymologique des noms de lieu en France, Librairie Guénégaud, Parijs, 1989, p. 657. dus verwijzend naar een Gallo-Romeinse villa, die men bezwaarlijk in een woud kan situeren.
Geschiedenis van de abdij Voor de christelijke tijd was de berg gekend onder de naam Mons vel Tumba Beleni of berg van het graf van Belenos. Reeds in de vijfde en de zesde eeuw hadden zich heremieten op de berg gevestigd en hun graftombes en sarcofagen kunnen nog altijd bezocht worden in de parochiekerk van Saint-Pair-sur-Mer genoemd naar een van hen, Paternus van Avranche. In de middeleeuwen noemde men de plaats nog Scissy.De sectie geschiedenis is gebaseerd op het werk van Paul Gout, Le guide du visiteur du Mont Saint-Michel, 1909-1910. Waar andere bronnen gebruikt werden is dit aangeduid met referenties.
De stichting door Aubert De geestelijke gemeenschap op de Mont Saint-Michel werd rond 700 gesticht door de heilige Aubert, bisschop van Avranches, die op de toen nog door het bos omringde berg in eenzaamheid kwam bidden. Volgens de legende zou de aartsengel Michaël verschenen zijn aan Aubert, die visioenen kreeg over een kerk op de rots. Michaël beval Aubert tot driemaal toe om op die plek een kerk op te richten; nadat Michaël hem met de vinger had aangeraakt en daarmee een gat in zijn schedel had gebrand, begon hij in 708 aan bouw van een gebedshuis op de rotspunt, dicht bij de kust. De kerk moest gebouwd worden naar het model van het heiligdom van de Monte Sant'Angelo sul Gargano in de provincie Foggia in Noord-Apulië, dat eveneens toegewijd was aan de aartsengel Michaël. Het verhaal van de stichting is overgeleverd in de Revelatio ecclesiae sancti Michaelis in monte Tumba.Chroniques Latines du Mont Saint-Michel. De tekst over de Revelatio is bewaard gebleven in een dertigtal manuscripten. Aubert stuurde twee monniken naar het heiligdom in Apulië om relikwieën van de H. Michaël op te halen. Toen die met hun kostbare last terugkwamen stonden ze stomverbaasd naar de zee te kijken in plaats van naar het imposante bos rondom de berg.
Op 16 oktober 709 werd het kerkje ingewijd en de bisschop vestigde er een kapittel met twaalf kanunniken. Resten van het eerste gebedshuis zijn teruggevonden in de kapel Notre-Dame-Sous-Terre, gelegen onder het schip van de huidige abdijkerk. Volgens de overlevering vond in maart 709 de stormvloed plaats waarbij de heuvel in zee kwam te liggen.
Negende en tiende eeuw In de 9e eeuw en de eerste helft van de 10e eeuw was er alleen maar een kerkje op het rotseiland en de verblijven voor de kanunniken.Michel de Boüard, L'église Notre-Dame sous Terre, au Mont Saint-Michel. Essai de datation, Journal des savants Année 1961 Volume 1 Numéro 1 pp. 10-27, p. 27 De plaats evolueerde al snel tot een druk bezocht bedevaartsoord tijdens de regering van Karel de Grote. In 847 wordt de berg ingenomen door de Noormannen. De kanunniken namen de vlucht. Na het akkoord van Saint-Clair-sur-Epte afgesloten in de herfst van het jaar 911 tussen Karel de Eenvoudige en Rollo, een Vikingkrijgsheer, herstelde Rollo de rust in het gebied van het oude Neustrië dat hij van de koning in leen had gekregen tussen de Epte en de zee, een gebied dat zou overeenkomen met de bisdommen Rouen, Evreux en Lisieux of de voormalige regio Haute-Normandie. Rollo was akkoord gegaan om zich te laten dopen en nam de gemeenschap van de Mont Saint-Michel onder zijn hoede. Hij liet de schade herstellen die hij met zijn troepen had aangebracht en riep de gevluchte kanunniken terug om als cenobieten de diensten in het heiligdom te hervatten.
In 966 vestigden benedictijnse monniken zich op de rots op vraag van Richard I, hertog van Normandië. Ze bouwden op die plek een coenobium of klooster. Daar hoorde waarschijnlijk een abdijkerk bij, die zich boven de Notre-Dame sous Terre zou bevonden hebben.Michel de Boüard,1961 pp. 10-27, p. 27 Het is in deze kerk dat abt Hildebert I (1009-1017) de teruggevonden relieken liet bijzetten. De pelgrims werden elk jaar talrijker en de faam van de plaats nam toe in het ganse koninkrijk. Aan de voet van de abdij ontstond een kleine nederzetting, de Normandiërs - nazaten van de Noormannen - begonnen zich op het rotseiland te vestigen. Ze bouwden onderaan op het eiland kleine houten huizen en ook toen al vervulden ze de rol van hotelier.
Elfde tot dertiende eeuw Op het einde van de 10e eeuw brandde het klooster af bij een brand die ontstaan was in het dorp, maar de monniken herstelden de gebouwen en de kleine kerk uit de tiende eeuw dankzij de hulp van hertog Richard II. Onder het abbatiaat van Hildebert II (1020-1033) begonnen de monniken met de bouw van de preromaanse kerk op het bovenste plateau van de berg, de Notre-Dame-Sous-Terre wordt als fundering en crypte gebruikt.Michel de Boüard, 1961, pp. 19-20 De verdere ontwikkeling van de abdij verloopt vrij onrustig onder meer door de tussenkomst van Willem de Veroveraar en zijn opvolgers in de aanstelling van de abt, maar op 27 mei 1154 vond voor het eerst weer een vrije abtskeuze plaats die Robert de Torigni aan het hoofd van de abdij plaatste. Dat luidde een periode van vooruitgang in zowel op materieel als op intellectueel gebied. Ook het bouwen werd voortgezet. Maar tijdens de verovering van Normandië door Philippe Auguste werd in 1204 brand gesticht in het dorp door Guy de Thouars waarbij ook een belangrijk deel van de abdij in de vlammen opging. Ter compensatie stelde Filips de fondsen ter beschikking voor de heropbouw van de abdij. Dit leidde tot de bouw van het gotisch gedeelte van de abdij tussen 1211 en 1228. Die gebouwen kregen de bijnaam La Merveille.
Tijdens de Honderdjarige Oorlog miniatuur|Bombardes buitgemaakt op de Engelsen op 17 juni 1434. Vanaf het abbatiaat van Richard Turstin (1236-1264) begon men met de versterking van de abdij waaraan verder gebouwd werd tot in de veertiende eeuw onder Pierre Le Roy (1386-1410). In 1356 werd Tombelaine ingenomen door de Engelsen en begon de belegering van de Mont. Bertrand du Guesclin werd aangesteld tot kapitein van het garnizoen en hij bracht de Engelsen verschillende nederlagen toe. In de 15e eeuw werden de wallen uitgebreid onder Robert Jolivet die evenwel daarna in 1420 voor een jaarrente van 1000 ecu's overliep naar de Engelsen. In 1419 viel Rouen in de handen van de Engelsen en was de Mont Saint-Michel de enige plaats in Normandië die nog in handen was van de Fransen. In 1423 begonnen de Engelsen met een totale blokkade van de abdij waarbij Robert Joliver in 1424 de leiding van de belegeraars op zich nam. Maar in 1434 werden de Engelsen op de vlucht gejaagd door Louis d'Estouteville, kapitein van het garnizoen dat de site verdedigde. De twee bombardes die ze achterlieten, worden nog steeds tentoongesteld als de trofeeën van deze overwinning van een klein garnizoen op een groot leger. Ondanks de lamentabele toestand van de abdij en het garnizoen, slaagden ze erin verschillende versterkingen van de vijand in de buurt van de abdij te veroveren. Het zou evenwel nog tot 1450 duren eer de Engelsen na hun nederlaag in de Slag bij Formigny Normandië verlieten.
Van de negentiende eeuw tot nu In 1865 werden de gebouwen voor negen jaar gehuurd door de bisschop van Coutances om er de cultus in ere te herstellen. Na een eerste periode met seculiere priesters werden er terug monniken gevestigd van de abdij van Saint-Edme in Pontigny. Die huurden na de afloop van de eerste huurovereenkomst de gebouwen verder voor een periode van zes jaar, maar de huurovereenkomst werd niet vernieuwd.
Vanaf 1874 werden de abdij en de wallen toegewezen aan de diensten van de historische monumenten behorend tot het Ministerie van Schone Kunsten. Sedertdien werden kosten noch moeite gespaard om de gebouwen in hun oude glorie te herstellen.
Sinds 2001 verzorgen de broeders en zusters van de Monastieke Gemeenschappen van Jeruzalem de religieuze aanwezigheid in de abdij. Ze verzorgen erediensten in de abdijkerk in de zomer en in de crypte "Notre-Dame des Trente Cierges" in de winter.
Verzanding rond Mont Saint-Michel