Echte cobra's (Naja) zijn een geslacht van slangen uit de familie koraalslangachtigen (Elapidae).
Het geslacht van de echte cobra's is de meest wijd verspreide en bekendste groep van slangen. Buiten dit geslacht zijn er echter nog enkele andere die ook met cobra's worden aangeduid, maar niet tot de echte cobra's behoren. De schildcobra's (geslacht Aspidelaps) en de koningscobra (Ophiophagus hannah) bijvoorbeeld behoort niet tot deze groep. Cobra's leven in Afrika, Azië en het Midden-Oosten. Ze komen voor van woestijnen tot bossen, de verschillende soorten zijn bodembewonend maar kunnen ook klimmen en zwemmen.
Cobra's behoren tot de koraalslangachtigen en zijn zonder uitzondering giftig. Een beet van een cobra kan fataal zijn voor de mens. Alle soorten kennen een dreighouding waarbij het voorste deel van het lichaam wordt opgericht en rond de hals een schotelachtige verbreding wordt getoond.
Cobra's leven van knaagdieren en andere gewervelden, ook amfibieën en andere reptielen worden wel gegeten. Belangrijke vijanden zijn roofvogels en zoogdieren. Er zijn 34 soorten echte cobra's.
Naamgeving De wetenschappelijke naam van de groep werd voor het eerst voorgesteld door Josephus Nicolaus Laurenti in 1768.
De Portugezen noemden een slang die zijn nek verbreedt cobra de capello (slang met capuchon). Die naam werd in verkorte vorm (cobra) in het Nederlands overgenomen. De wetenschappelijke naam Naja is afgeleid van Sanskriet naga, dat 'slang' betekent.
Cobra's worden ook brilcobra's of brilslangen genoemd, naar de soms brilachtige tekening op de hals. Bij veel soorten lijkt deze tekening echter niet op een bril en bij andere soorten ontbreekt een tekening. Sommige soorten kunnen het gif naar een belager spugen, dergelijke soorten worden ook spugende cobra's genoemd. Zowel de tekening aan de nek als het vermogen tot spugen komt voor bij verschillende soorten.
Verspreiding en habitat thumb|left|260px|Verspreiding van de zwarthalscobra in het rood. Cobra's komen voor in delen van Afrika, Azië en het Midden-Oosten. In Afrika ontbreken de cobra's alleen in het uiterste noorden en delen van uiterst zuidelijk Afrika. Ook in de Sahara komen geen soorten voor. In Azië komen de soorten voor van oostelijk in China tot westelijk in Turkmenistan. In het Midden-Oosten komen de soorten in het grootste deel voor, van Iran tot Jemen.
Het verspreidingsgebied verschilt per soort en met name de grootte van het areaal kan sterk variëren. De Egyptische cobra of ureüsslang (Naja haje) heeft het grootste verspreidingsgebied en komt voor in het grootste deel van Afrika. De soort Naja mandalayensis daarentegen heeft een aanzienlijk kleiner verspreidingsgebied en is endemisch in Myanmar.
Vroeger hadden de cobra's een heel ander verspreidingsgebied. Er zijn bijvoorbeeld fossiele resten gevonden in delen van Europa. De soort Naja romani leefde in het Mioceen in onder andere Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk. Uit Spanje is de soort Naja iberica bekend uit het Turonien.
Cobra's komen in uiteenlopende biotopen voor, zoals bossen, moerassen, regenwouden en bergstreken. De Egyptische cobra bijvoorbeeld is een bewoner van droge en woestijnachtige streken en de zwart-witte cobra leeft meer in vochtige en warme bossen. De Kaapse cobra is te vinden in rotsige berggebieden.Ook in door de mens aangepaste landschappen worden de slangen gevonden, zoals rijstvelden en stadsparken. Ook in sterk geürbaniseerde gebieden kan de slang opduiken, aangetrokken door de ratten die hierop afkomen. Voorbeelden zijn dorpsstraten, tuinen, marktpleinen en opslagplaatsen.
Cobra's schuilen in verborgen plaatsen zoals scheuren in rotsen, holle bomen, nesten van knaagdieren en termietenheuvels. Van de soort Naja mossambica is bekend dat de schuilplaatsen gedeeld worden met andere slangen, zoals de zwarte mamba (Dendroaspis polylepis). Van een aantal soorten is bekend dat ze een vaste schuilplaats hebben waarnaar ze steeds terugkeren. Alleen als de slang wordt verstoord wordt naar een andere schuilplaats gezocht. Voorbeelden van dergelijke soorten zijn Naja anchietae en Naja annulifera.
Uiterlijke kenmerken Kop thumb|260px|Kop en halstekening van de brilslang. thumb|260px|De zwarthalscobra (Naja nigricollis) heeft een donkere kop en hals. thumb|260px|De Filipijnse brilslang (Naja philippinensis) in opgerichte houding. Cobra's hebben een typisch slangachtige, afgeplatte kop, de ogen zijn relatief ver aan de voorzijde van de kop geplaatst. De ogen zelf zijn vrij klein en hebben altijd een ronde pupil. De neusgaten zijn vlak bij de ogen gelegen. De giftanden zijn vrij kort, zeker in vergelijking met de uitklapbare giftanden van de adders. De gifklieren zijn achter de ogen gelegen en via kleine kanaaltjes komt het gif in de giftanden. De giftanden zijn gegroefd of soms buisvormig zoals een injectienaald. De mannetjes hebben iets langere giftanden dan de vrouwtjes.
De kopschubben zijn groot en dik, aan de voorzijde van de kop is de rostrale schub gelegen, hieronder is een opening aanwezig, zelfs als de bek gesloten is, om de tong naar buiten te steken. Met de tong worden geurdeeltjes opgenomen die vervolgens door een weefselstructuur in de neusholte worden 'uitgelezen'. Dit vomeronasale orgaan wordt het orgaan van Jacobson genoemd. Cobra's zijn sterk afhankelijk van deze vorm van zintuiglijke waarneming aangezien het visuele vermogen vrij beperkt is. Met de ogen kunnen grote prooien en vijanden worden waargenomen, de reukzin is echter het belangrijkste zintuig voor de slang om zich te oriënteren.
De echte cobra's hebben een schubbenconfiguratie van de kop die bestaat uit vergrote internasale schubben in vergelijking met de koningscobra die juist smalle internasalen heeft. De koningscobra heeft daarnaast vergrote achterhoofdschubben. Bij de echte cobra's zijn de achterhoofdsschubben altijd ongeveer even groot als de schubben op de rug.
Hals Echte cobra's kennen allemaal het karakteristieke vermogen om de hals sterk af te platten bij opwinding. Hierdoor lijkt de kop van de slang veel groter dan deze in werkelijkheid is. De huid van de hals is losser dan de huid van de rest van het lichaam maar in rust is dit moeilijk te zien. Bij het afplatten van de hals worden de flexibele ribben aan de halswervels uitgezet en komt de huid strak te staan. Dit doet enigszins denken aan het uitklappen van een paraplu. De uitsteeksels worden wel halsribben genoemd, de eerste drie wervels van de hals vanaf de kop dragen geen uitsteeksels. Bij het vormen van de schotelachtige hals zijn soms 27 ribben betrokken.
Aan de achterzijde van de opgezette hals is vaak een tekening aanwezig. De vorm van deze tekening, die ook wel masker wordt genoemd, verschilt per soort maar kan ook afwijken tussen verschillende individuen binnen een soort. De Indochinese brilslang heeft vaak een volledig masker, dat zich uitstrekt over de gehele breedte van de achterzijde van de hals. Bij andere soorten, zoals Naja kaouthia, is het masker geïsoleerd en is in het midden gelegen. De zogenaamde brilslangen of brilcobra's, zoals de brilslang, hebben een tekening die enigszins aan een bril doet denken. Dit masker bestaat uit twee donkere vlekken die met een lusachtige witte vlek zijn verbonden. Sommige cobra's worden wel brilslang genoemd maar hebben geen briltekening. De cobra's met een halstekening tonen hun masker bij bedreiging.
Het kunnen afplatten van de hals is niet uniek voor de echte cobra's, ook de koningscobra (Opiophagus hannah) en de ringhalscobra (Hemachatus haemachatus) kunnen hun hals schotelachtig plat maken.
Cobra's zijn door hun lange halswervels met maar weinig andere slangen te verwarren. De uitzondering vormen soorten uit de geslachten schildcobra's (Aspidelaps) en Pseudonaja. Deze soorten worden ook cobra's genoemd en kunnen eveneens hun hals afplatten. In vergelijking met de echte cobra's is de afplatting echter minder sterk en er ontstaat geen ronde halsvorm zoals bij de echte cobra's.
Lichaam en staart Echte cobra's kunnen zich allemaal oprichten waarbij ze het eerste deel van hun lichaam omhoog brengen. Bij het omhoog brengen van het lichaam steunt de slang op de achterzijde van het lichaam en de staart.
Cobra's zijn vrij slanke slangen die een lichaamslengte bereiken tot ongeveer 2,5 meter, veel soorten blijven wat kleiner. De meeste soorten zijn bruin tot zwart van kleur en hebben een egale lichaamskleur. Van de brilslang (Naja naja) is een grote variatie bekend, van bruin en zwart naar geelbruin tot grijs. Ook zijn albino's bekend, deze zijn geheel wit en hebben rode ogen. Sommige soorten hebben een afwijkende kleur zoals de rode spuwende cobra (Naja pallida), die geheel rood van kleur is met een zwarte band om de hals. Enkele soorten hebben een bruin lichaam met een gele kop en hals, zoals de soort Samar-brilslang (Naja samarensis). De schubben zijn glad en ongekield.
De staart is te onderscheiden aan de schubben aan de onderzijde; slangen hebben slechts een enkele rij buikschubben maar de staartschubben bestaan altijd uit meerdere rijen. De staart is aan de onderzijde van het lichaam ook duidelijk te onderscheiden van het lichaam door de aanwezigheid van de cloaca. Deze lichaamsopening dient zowel voor de uitscheiding als de copulatie en is voorzien van een zogenaamde anale schub. Bij sommige gifslangen is deze ongepaard maar bij de cobra's is de anale schub gepaard en bestaat uit twee delen.
Voedsel thumb|left|240px|Een soort uit India jaagt op een grote slang. Cobra's zijn allemaal carnivoor en leven van andere dieren. De voorkeur gaat uit naar gewervelde dieren en dan met name knaagdieren. Als er weinig voedsel is worden ook wel grote insecten gegeten zoals sprinkhanen. Cobra's zijn voornamelijk bodembewoners, maar bij het foerageren klimmen ze ook in bomen en struiken.
De meeste soorten eten ratten en muizen, daarnaast worden hagedissen en amfibieën zoals kikkers gegeten. Veel soorten jagen daarnaast op vogels en roven ook vogelnesten leeg door in bomen te klimmen. Ook de eieren van op de bodem broedende vogels zoals fazanten zijn niet veilig. Vanwege de voorkeur voor ratten en vogels zijn cobra's vaak in de nabijheid van de mens te vinden. Ze dringen soms binnen bij pluimveebedrijven waar ze als schadelijk worden gezien.
Sommige soorten eten ook wel andere soorten slangen, een voorbeeld is de Kaapse cobra (Naja nivea). De echte cobra's zijn echter geen slangeneters, zoals de koningscobra (Ophiophagus hannah). Deze soort is wel een echte slangeneter (ophio-phaag betekent slangen-etend), maar de koningscobra behoort niet tot de echte cobra's. Bij een cobra werd eens een 1,8 meter lange gladde slang Ptyas mucosa in de maag aangetroffen, terwijl de cobra iets kleiner was. Slangen die andere soorten slangen eten kunnen prooien aan die langer zijn dan zijzelf, doordat de buitgemaakte slang wordt opgevouwen in de maag van de slangeneter. Ook werd eens een 60 cm lange Bengaalse varaan (Varanus bengalensis) in de maag van een cobra gevonden.
Vijanden en verdediging thumb|260px|Mangoesten zijn een belangrijke vijand, afgebeeld zijn opgezette dieren. Cobra's worden ondanks hun giftigheid door verschillende dieren gegeten. Belangrijke vijanden zijn mangoesten, zoals de Egyptische ichneumon en de Indische ichneumon. Deze dieren eten de slang niet maar doden het reptiel als ze er één tegenkomen. Van mangoesten is bekend dat ze minder vatbaar zijn voor het gif, maar ze zijn echter niet immuun. Ze zullen altijd proberen de beet van een cobra zoveel mogelijk te ontwijken. De mangoest springt net zo lang heen- en weer tot de cobra van uitputting zichzelf niet meer op kan richten. De cobra komt echter niet altijd als verliezer uit de strijd. Een cobra kan zich ook dood houden, hierbij draait de slang zich op zijn zij en blijft stil liggen. Als het gevaar geweken is komt de slang weer 'tot leven'.