Dit is een lijst van de burgemeesters van Brugge.
De burgemeester De naam 'burgemeester' is in de stad Brugge al heel vroeg in gebruik gekomen. Dit was niet vanzelfsprekend, want om het hoofd van een stedelijke administratie aan te duiden werden soms andere namen gebruikt. In Gent was dit een 'voorschepen'.
Tot op het einde van het ancien régime telde Brugge zelfs twee burgemeesters. De ene droeg de naam burgemeester van de raadsleden of burgemeester van de commune of van den courpse. Hij nam een soort juniorpositie in en was onder meer verantwoordelijk voor de ordehandhaving in de stad. De andere, en voornaamste, was de burgemeester van de schepenen, die het hoofd van het stadsbestuur was en hierin werd bijgestaan door twaalf schepenen.
Het volledige stadsbestuur bestond uit: de schepenbank, bestaande uit de burgemeester en twaalf schepenen de raad, bestaande uit de burgemeester van de raad en twaalf raadsleden het college van de hoofdmannen: zes hoofdmannen, hetzij één per sestendeel de twee stadsthesauriers de stadspensionarissen In bijzondere omstandigheden werd dan ook nog de 'derde schepenbank' opgeroepen, die bestond uit de vroegere burgemeesters en schepenen.
De jaarlijkse benoeming Bij de benoeming, die in principe voor de duur van één jaar was, was ook de regel van de zogenaamde 'wepelgang' van toepassing, wat betekende dat uittredende bestuurders één of twee jaar moesten wachten alvorens opnieuw een functie in het stadsbestuur te worden toegewezen. Bijkomend waren er ook nog regels over de onverenigbaarheid van personen met nauwe familiebanden binnen eenzelfde bestuur.
De strenge regels werden gaandeweg over het hoofd gezien. Zo werd de annaliteit niet strikt toegepast en konden besturen twee of zelfs méér jaren aan de macht blijven. Ook de onverenigbaarheid tussen familieleden werd steeds ruimer opgevat. Men begon met toe te staan dat een familielid van iemand die schepen was, kon zetelen als raadslid of als hoofdman. Weldra konden zelfs twee of méér schepenen met elkaar verwant zijn. Ook met de wepelgang nam men al vlug een loopje. Niet alleen kon een burgemeester soms meerdere jaren op post blijven, maar vooral konden heel wat stadsmagistraten gedurende vele jaren bestuurder blijven door de posten af te wisselen: nu eens waren ze burgemeester van de raadsleden en dan weer burgemeester van de schepenen, nu eens schepen, dan eens raadslid, nu eens hoofdman, dan weer thesaurier.
Historische evolutie Vanaf de aanvang was de invloed van de graaf van Vlaanderen en van zijn opvolgers aanzienlijk en zelfs doorslaggevend bij de benoeming van de stadsbestuurders. Er was niettemin een evolutie, naargelang de gemeentelijke overheid méér of minder politieke macht verkreeg. Enkele markante evoluties: 988: Dat jaar of een van de volgende jaren zou, volgens de historicus Jacob De Meyere, de graaf van Vlaanderen Boudewijn IV van Vlaanderen het privilege hebben toegekend aan de stad Brugge om dertien schepenen te hebben die onder hen een burgemeester kozen. Over deze vroege organisatie bestaan geen documenten en dus geen zekerheid. 1190: Uit een charter van dat jaar blijkt dat de schepenen voor het leven werden benoemd. De graaf mocht nieuwe benoemen in opvolging van de overleden schepenen. 1241: een charter uit dat jaar bevestigt dat de stadsmagistraat elk jaar vernieuwd werd, door de graaf of zijn gezant. Dat jaar, waarschijnlijk ook al voordien, gebeurde de benoeming van burgemeesters, schepenen, raadsleden en hoofdmannen op 2 februari, feest van Onze-Lieve-Vrouw Lichtmis. Dit gebeurde op een samenkomst die werd voorgezeten door een vertegenwoordiger van de graaf en tegenover wie de eed van trouw door de verkozenen werd uitgesproken. 1272: Vanaf dat jaar verschenen de raadsleden met aan hun hoofd de burgemeester van de commune. 1281: een Keure van graaf Gewijde van Dampierre zegde dat de graaf de dertien schepenen benoemde, die dan onder hen de burgemeester en daarnaast de burgemeester van de raad en de dertien raadsleden mochten benoemen. 1298: een gemeentelijk statuut voorzag dat elk jaar, op Sint-Denijsfeest (9 oktober), de schepenen en raadsleden de burgemeesters zouden kiezen. Dit was zo al het geval sinds enige tijd, hoewel in de dertiende en veertiende eeuw de data van aanstelling nogal uiteen liepen. 1299: Een nieuw statuut verordende dat voortaan de wetsvernieuwing zou plaatsvinden op 2 februari Lichtmis. 1329: voortaan was de benoeming van de schepenen volledig in handen van de graaf op basis van de selectie die door zijn commissarissen vooraf was gemaakt. 1383: Voortaan gebeurde de vernieuwing van de magistraat telkens op 2 september. Behalve in uitzonderlijke omstandigheden, bleef die datum behouden tot op het einde van het ancien régime. 1399: Filips de Stoute en Margaretha van Male beslisten op 25 augustus 1399 dat de graaf jaarlijks de benoeming zou doen van dertien schepenen onder wie een burgemeester en dertien raadsleden. De schepenen konden echter de benoemingen van de raadsleden wraken en dezelfde dag eigen kandidaten benoemen. Uit de benoemde raadsleden stelde de graaf een burgemeester van de raadsleden aan. De graaf benoemde ook de twee stadstresoriers en de zes hoofdmannen. Ook hier konden de schepenen andere kandidaten voorstellen, onder wie de graaf een keuze zou maken. De rechten die aldus aan de schepenen werden verleend bleven theoretisch, aangezien hun eigen benoeming afhing van de graaf. 1477: Op 13 maart 1477 verleende Maria van Bourgondië een keure aan de stad Brugge. Haar commissarissen zouden jaarlijks dertien schepenen benoemen: vier uit de poorterij, negen uit de ambachten en neringen. Die dertien moesten de burgemeester van de schepenen verkiezen en de dertien raadsleden. Die zesentwintig kozen dan de burgemeester van de raadsleden. Dit gaf een heel wat grotere autonomie aan het stadsbestuur ten overstaan van de centrale macht. Dit zou niet lang duren. 1488: Maximiliaan van Oostenrijk vaardigde op 2 februari 1488 een keure uit waarbij hij bepaalde dat de stadsmagistraat jaarlijks zou worden vernieuwd door zijn commissarissen die hiervoor ter plekke zouden komen en de burgemeesters, schepenen en raadsleden kiezen uit alle klassen van poorters en leden van de gilden en ambachten. De vier commissarissen meldden zich elk jaar op 1 september aan. Op 2 september, na een Mis van de H. Geest in de Sint-Donaaskathedraal trok men naar het stadhuis waar de aanstelling volgde van dertien schepenen onder wie de burgemeester van de schepenen, de dertien raadsleden onder wie de burgemeester van de raadsleden, de twee stadstresoriers en de zes hoofdmannen van de stadswijken. Het gebeurde dat onder de aanwezigen rumoer ontstond bij het horen van deze of gene naam. Bij duidelijke afkeuring, benoemden de commissarissen iemand anders. Daarop volgde de eedaflegging. Dit is de regel die van kracht bleef tot in 1793.
De lijst hierna geeft, voor zoveel ze bekend zijn, de namen van de burgemeesters van de schepenen (niet die van de burgemeesters van de raadsleden) voor wat betreft het ancien régime en van de burgemeesters na 1795 tot heden.
Sommige vermelde namen in de dertiende en veertiende eeuw worden gevolgd door een vraagteken, omdat tot hiertoe geen zekerheid bestaat of zij wel de burgemeester van schepenen waren. Het is waarschijnlijk dat ze het waren, omdat ze als eerste vermeld werden op de lijst van de schepenen, maar niet absoluut zeker omdat de hoedanigheid van burgemeester niet achter hun naam vermeld werd.
Graafschap Vlaanderen (11de eeuw - 1385) 1228: Hendrik de Ram 1229-1268: onbekend 1269-1270: Petrus de Wedra of Pieter van der Weyde 1270-1271: Lambertus Tolnare 1271-1278: onbekend 1278-1279: Pieter Bonin 1279-1280: Bonin Cant 1280-1281: Pieter van der Weyde 1281-1282: Lambertus Tolnare 1282-1283: Paul de Calkere of Paulus Calkra of de Calckere 1283-1284: Lambertus Tolnare 1285-1286: onbekend 1286-1287: Paul de Calkere of Paulus Calkra of de Calckere 1287-1288: Mattheus Hooft 1288-1289: Paul de Calkere 1289-1290: Johannes Hubrecht 1290-1291: Mattheus Hooft 1291-1292: Johannes Hubrecht en Paul de Calkere 1292-1293: Alaerdin Lam 1293-1294: Johannes Hubrecht en Paul de Calkere 1293-1294: Alaerdin Lam 1294: Mattheus Hooft en Paul de Calkere 1294-1295: Johannes Hubrecht 1295-1296: Jacob van Groenendike 1296-1297: Joris van der Matte of Egidius de Mota 1297-1298: Johannes Alverdoe (?) 1298-1299: Colard Alverdoe (?) 1299-1300: Johannes Alverdoe (?) 1300-1301: Gillis van Aartrike (?) 1301-1302: Johannes Alverdoe (?) 1302-1303: Jan Heem 1303-1304: Jan van den Hoye 1304-1305: Heinric Thobe 1305-1306: Heinricke van Thourout 1306-1307: Joris van der Matte 1307-1308: Clais van Leffinghe 1308-1309: Jacob Utenzacke 1309-1310: Clais van Leffinghe 1310-1311: Joris van der Matte 1311-1312: Jacob van den Ackere 1312-1313: Lamsin Loevijn 1313-1314: Jacob van Cranenbuerch 1314-1315: onbekend 1315-1316: Jacob van den Ackere 1316-1317: Rogier van Coudebrouc 1317-1318: Jacob van den Ackere 1318-1319: Wouter de Ruddere 1319-1320: onbekend 1320-1321: Rogier van Coudebrouc 1321-1325: onbekend 1325-1326: Jan van Harelbeke 1326-1327: Jan van Harelbeke 1327-1328: Willem Canin 1328-1329: Willem van der Stove 1329-1330: Willem van der Stove 1330-1331: Willem van der Stove 1331-1332: Clais Bonin van den Gapere 1332-1333: Willem van der Stove 1333-1334: Willem van der Stove 1334-1335: Gillis van Aertrike 1335-1336: Willem van der Stove 1336-1337: Gillis van Aertrike 1337-1338: Willem van der Stove 1338-1339: Jan Cortscoef 1339-1340: Gillis van Coudebrouc 1340-1341: Jan van Coekelaere 1341-1342: Gillis van Coudebrouc 1342-1343: Jan vanden Paradise 1343-1344: Gillis van Coudebrouc 1344-1345: Jan van Coekelaere 1345-1346: Gillis van Coudebrouc 1346-1347: Jacob Wittebolle 1347-1348: Gillis van Coudebrouc 1348-1349: Simon van Aertrike 1349-1350: Jacob Alverdoe 1350-1351: Jacob den Buerchgrave 1351-1352: Jacob van den Walle 1352-1353: Pieter de Pinkere 1353-1354: Jacob van den Walle 1354-1355: Pieter de Pinkere 1355-1356: Jacob van den Walle 1356-1357: Pieter de Pinkere 1357-1358: Jacob van den Walle 1358-1359: Jacob Metteneye 1359-1360: Jacob van den Walle en Pieter van der Haghe 1360-1361: Pieter van der Haghe 1361-1362: Pieter van der Haghe en Simoen van Aertricke 1362-1363: Simoen van Aertricke 1363-1364: Zeger Honin 1364-1365: Jan Bonin 1365-1366: Lamsin de Vos 1366-1367: Philip Rynvisch 1367-1368: Tideman van den Berghe 1368-1369: Jan Bonin 1369-1370: Philip Rynvisch 1370-1371: Jan Bonin 1371-1372: Lamsin de Vos 1372-1373: Jan Bonin 1373-1374: Tideman van den Berghe 1374-1375: Jan Walkier 1375-1376: Willem Maze 1376-1377: Willem Maze 1377-1378: Tideman van den Berghe 1378-1379: Jan Bonin 1379-1380: Willem Maze 1380-1381: Willem Maze 1381-1382: Willem Maze 1382-1383: Pieter Smout 1383-1384: Zeger Honin 1384-1385: Jacob Metteneye
Bourgondische hertogen (1385-1482) 1385-1386: Jan Heldebolle (overleden 8 april 1386, niet officieel vervangen) 1386-1387: Jacob van den Vagheviere 1387-1388: Jan de Munter 1388-1389: Pieter I Adornes 1389-1390: Jan Heldebolle 1390-1391: Jan IV van der Beurze 1391-1392: Jan Camphin 1392-1393: Jan Honin 1393-1395: Jan Camphin 1395-1396: Jan IV van der Beurze 1396-1397: Jan Camphin 1397-1398: Jan Honin I 1398-1399: Jan Honin I 1399-1400: Jan Camphin 1400-1401: Jan Bonin 1401-1403: Jan Camphin 1402-1403: Jan Camphin 1403-1404: Lieven de Scuetelaere 1404-1405: Joris Braderic 1405-1406: Nicolaas de Zoutere 1406-1407: Nicolaas de Zoutere 1407-1408: Jan Biese 1408-1409: Jan Biese 1409-1410: Jan Biese 1410-1411: Boudewijn de Vos 1411-1412: Lieven de Scuetelaere 1412-1413: Lieven de Scuetelaere 1413-1414: Jacob Brooloos 1414-1415: Thomas Bonin 1415-1416: Jan Cate 1416-1417: Pieter Metteneye 1417-1418: Jacob Brooloos 1418-1419: Jan Ruebs 1419-1420: Gerard Ruebs 1420-1421: Pieter Metteneye