Anchiornis is een geslacht van theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Maniraptora, dat leefde in het gebied van het huidige China.

Naamgeving en ontdekking De typesoort Anchiornis huxleyi werd in 2008 benoemd en beschreven door Xu Xing, Zhao Qi, Mark Norell, Corwin Sullivan, David Hone, Gregory Erickson, Wang Xiaolin, Han Fenglu en Guo Yu. De geslachtsnaam is afgeleid van Oudgrieks ἄγχι ánchi (nabijMuller, F. (1932). Grieksch woordenboek. (3de druk). Groningen/Den Haag/Batavia: J.B. Wolters’ Uitgevers-Maatschappij N.V.) en ὄρνις órnis (vogel), vrij te vertalen als de vogels nabijkomend, een verwijzing naar de nauwe verwantschap met de vogels. De soortaanduiding eert de negentiende-eeuwse Britse bioloog Thomas Huxley die als een van de eersten een evolutionaire band veronderstelde tussen vogels en dinosauriërs. Veel samenstellingen in het Oudgrieks met ἄγχι zijn voornamelijk bijvoeglijke naamwoorden. Het Oudgriekse woord ἀγχίθεος (de goden nabijkomend of de goden gelijk) is op soortelijke manier als Anchiornis gevormd uit ἄγχι met een zelfstandig naamwoord. Het zelfstandig gebruiken van deze voornamelijk bijvoeglijk gebruikte samenstellingen met ἄγχι, komt ook in het Oudgrieks voor, zoals bij ἀγχίθεος in de betekenis van halfgod.Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press. left|thumb|Een van de vele gevonden skeletjes Het fossiel, holotype IVPP V14378, bestaat uit een vrij volledig skelet op een plaat en tegenplaat waarvan echter het hoofd, de voorste nekwervels, de achterste staartwervels en de rechteronderarm ontbreken. De precieze datering is onzeker, maar het is gevonden in een meerafzetting van de Liaoningformatie (Boven-Jura / Onder-Krijt), bij het plaatsje Yaolugou in het district Jianchang. Het skelet toont ook vage veerresten, maar niet die van slagpennen: bij de ruggengraat zijn sporen van twintig millimeter lange draadstructuren zichtbaar met te weinig detail om vast te stellen om wat voor soort verenkleed het gaat.

Tweede exemplaar thumb|Het verenkleed van Anchiornis In 2009 werd een tweede fossiel beschreven, LPM-B00169, deel van een partij van twee die van een boer werden verworven. Het lukte de plek van de opgraving vrij precies te lokaliseren. Volgens de beschrijvers van dit tweede exemplaar zou de vindplaats uit de Tiaojishanformatie dateren, lagen uit het vroege Boven-Jura (Oxfordien, ongeveer 160 miljoen jaar oud). Ze menen dat het eerste exemplaar, als beide fossielen inderdaad van dezelfde soort stammen, vermoedelijk foutief, te jong, gedateerd was. Dit zou Anchiornis het oudste bekende lid van de Paraves maken; dus ouder dan Archaeopteryx en daarmee het probleem van de zogenaamde "tijdsparadox" oplossend: dat de bekende nauwe dinosauriërverwanten van de vogels jonger zijn dan de oudste vogel.

Dat het tweede specimen aan Anchiornis kan worden toegewezen, leidde men af aan de vrijwel identieke vorm van alle botten en de overeenkomende proporties. Een onderscheid is wel dat het tweede fossiel 60% langer is, dus viermaal de omvang heeft van het eerste.

Nieuwe vondsten Het ontdekken van de precieze vondstlocatie maakt het eenvoudiger professionele opgravingen te verrichten en illegaal verwijderde skeletten in beslag te nemen. In 2013 werd door Peng e.a. de vondst van vijf nieuwe exemplaren gemeld. In 2014 bleek dat dit nog maar het topje van de ijsberg was toen in het kader van een onderzoek naar de vraag of borstbeenderen althans als platen kraakbeen aanwezig waren maar liefst 226 skeletten gemeld werden, specimina STM 0-1 tot STM 0-226. Het gaat om individuen die ongeveer een factor twee in lengte verschillen en dus kennelijk jongvolwassen tot volwassen exemplaren vertegenwoordigen. Ook deze fossielen bestaan uit vrij complete skeletten platgedrukt op platen, meestal met resten van de weke delen inclusief verenkleed. Hiermee is Anchiornis verreweg de best bekende troödontide. Daarnaast is vermoedelijk nog een groot aantal skeletten illegaal verhandeld en onbeschreven.

In 2017 werden vier van de beste exemplaren in detail beschreven, de specimina PKUP V1068, BMNHC PH804, BMNHC PH822 en BMNHC PH823. Daarbij werd geconcludeerd dat Aurornis een jonger synoniem is van Anchiornis. In de beschrijving van Serikornis datzelfde jaar werd gepoogd dat weer te weerleggen maar die weerlegging riep op haar beurt weer de vraag op of ook Serikornis zelf geen jonger synoniem van Anchiornis was; de enorme hoeveelheid fossielen maakt de kans groter dat er een paar afwijkende tussen zitten.

Een andere studie uit 2017 meldde de resultaten van een onderzoek naar de weke delen via laser-stimulated fluorescence.

In 2018 werden twee nieuwe exemplaren beschreven, de specimina 41HIII 0404 en 41HIII 0415. Bij die gelegenheid werd geschat dat het aantal gevonden exemplaren al in de duizenden liep.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken left|thumb|Anchiornis behoort tot de kleinste bekende dinosauriërs van zijn tijd Anchiornis is een erg klein dier met een geschat gewicht van 110 gram en een geschatte lengte van 34 centimeter: de romp is zo'n acht centimeter lang en het bewaard gebleven stuk staart elf centimeter. Het holotype betreft echter vermoedelijk een nog niet geheel volwassen dier.

Wat de onderscheidende kenmerken zijn, hang af van de positie in de evolutionaire stamboom die voor Anchiornis wordt aangenomen. Tegenwoordig wordt het dier meestal gezien als een lid van de Troodontidae. In dat geval zijn enkele eigenschappen afwijkend. Het ondervlak van het ravenbeksbeen wordt doorboord door talrijke kleine putjes. Het zitbeen is uitzonderlijk kort, met maar een kwart van de lengte van het dijbeen. Het scheenbeen is langwerpig, 57 tot 61% langer dan het dijbeen.

In 2017 werd ook een autapomorfie, uniek afgeleid kenmerk, vastgesteld voor de Paraves als geheel. Vóór de nek van de achterhoofdsknobbel bevindt zich een verdieping in de onderkant van het basioccipitale.

Skelet Oorspronkelijke beschrijving thumb|upright=1.7|Een diagram van het skelet door Jaime Headden De morfologie werd in 2008 beschreven als liggend tussen die van de vogels en de overige dinosauriërs. Het zitbeen, os ischii, is extreem kort. Er is geen verbeend sternum, borstbeen, aangetroffen. Een furcula is aanwezig. De armen zijn met een lengte van twaalf centimeter — 80% van die van de benen — net lang genoeg om als vleugels omschreven te worden. Het polsgewricht toont dat de armen in ieder geval als een vleugel ingeklapt konden worden. De tweede vinger is zeer robuust, een mogelijke aanpassing voor de aanhechting van slagpennen en het tweede middenhandsbeentje is vergroeid met het derde, een typische versteviging voor het vliegen die zelfs Archaeopteryx niet bezit. De ellepijp is echter vrij dun, niet dikker dan het spaakbeen, en nauwelijks gebogen, wat weer tegen een vermogen tot vliegen spreekt. De beschrijvers vermoeden al met al dat de armen een vliegfunctie hadden, wellicht voor een glijvlucht, misschien zelfs voor echte slagvlucht.

De achterpoten waren relatief lang, met een vrij kort dijbeen, maar lange tenen waarvan de tweede een vergroot maar gelijkvormig klauwtje draagt dat opgetrokken kon worden over het dragende teenkootje, wellicht homoloog aan de sikkelklauw van andere eumaniraptoren.

Nieuwe gegevens over de bouw Schedel thumb|upright=1.7|Specimen YFGP-T5199 dat weke delen heeft bewaard