thumb|De Ernestijnse hertogdommen in 1910 De Ernestijnse hertogdommen of Saksische hertogdommen waren een wisselend aantal hertogdommetjes en na 1815 één groothertogdom in het huidige Thüringen (niet te verwarren met de Thüringse staten) die ontstonden uit verdeling van de nalatenschap van hertog Ernst I van Saksen-Wittenberg (1441-1486), keurvorst van Saksen onder zijn zoons.

Ontstaan Bij de Verdeling van Leipzig (26 augustus 1485) werden de bezittingen van het huis Wettin verdeeld onder de broers Albrecht (Albertijnse linie) en Ernst I (Ernestijnse linie). De Ernestijnse tak behield de titel van keurvorst, de Albertijnse tak die van hertog van Meißen en Noord-Thüringen (en zou later over de koninkrijken Saksen en Polen regeren).

Bij de Capitulatie van Wittenberg (1547) die een einde maakte aan de Schmalkaldische Oorlog verloren de Ernestijnen de keurvorstelijke titel en de meeste van hun erflanden aan de Albertijnen. Ze behielden een deel van hun Thüringse bezittingen: de heerlijkheden, steden en sloten Gerstungen, Eisenach, Wartburg, Kreuzburg, Tenneberg, Waltershausen, Leuchtenburg, Roda, Orlamünde, Gotha, Jena, Kapellendorf, Roßla, Weimar, Wachsenburg, Dornburg, Camburg, Buttstädt, Arnshaugk, Weida en Ziegenrück. Na de dood van hertog Johan Ernst I van Saksen-Coburg verkregen de Ernestijnen in 1553 ook nog Coburg, Sonneberg, Hildburghausen, Königsberg, Veilsdorf en Schalkau; in 1554 door het Verdrag van Naumburg verdere gebieden van keurvorst August van Saksen. In 1555 verkregen ze door ruil met de graven van Mansfeld de heerlijkheid Römhild en ten slotte in 1583 (de facto 1660) Meiningen, Themar, Maßfeld, Behrungen, Henneberg, Milz, Ilmenau, Kaltennordheim, Frauenbreitungen, Sand en Wasungen.

Verdeling thumb|left|200px|De Ernestijnse hertogdommen in 1786 (interne grenzen niet aangegeven) Het Ernestijnse gebied werd sinds 1573 door steeds verdere verdeling van nalatenschap (als een hertog stierf werd zijn gebied verdeeld onder zijn zoons) steeds verder versplinterd. Door dit typische voorbeeld van Duitse Kleinstaaterei verloren de Ernestijnse hertogdommen, evenals de naburige Reussische en Schwarzburgse vorstendommen, elke politieke betekenis. In sommige perioden was het Ernestijnse gebied in elf verschillende staten verdeeld. Pas in 1826 deelde de Saksische koning Frederik August II het gebied opnieuw in met de staten Saksen-Meiningen, Saksen-Altenburg en Saksen-Coburg en Gotha. Het in 1815 tot groothertogdom verheven Saksen-Weimar-Eisenach bleef bij deze herindeling gespaard. Ook deze staten waren in politiek opzicht onbeduidend. Slechts Saksen-Coburg en Gotha verwierf zich internationale bekendheid door de uiterst succesvolle huwelijkspolitiek van de hertogen die de Coburgers tevens op de tronen van België, Portugal, het Verenigd Koninkrijk en Bulgarije bracht.

De vier resterende Ernestijnse hertogdommen namen in 1867 deel aan de Noord-Duitse Bond en in 1871 aan het Duitse Keizerrijk. Na de afschaffing van de monarchie gingen de Ernestijnse hertogdommen in de jaren 1918-1920 op in het bondsland Thüringen, behalve Coburg, dat per plebisciet besloot zich bij Beieren aan te sluiten.

Ernestijnse hertogdommen thumb|Staatkundige ontwikkeling van de Ernestijnse hertogdommen Saksen-Coburg Saksen-Coburg 1541 tot 1553 Saksen-Coburg 1596 tot 1633 Saksen-Coburg 1680 tot 1699 Saksen-Jena 1672 tot 1690 Saksen-Altenburg Saksen-Altenburg 1603 tot 1672 Saksen-Altenburg 1826 tot 1918 Saksen-Gotha 1640 tot 1680 Saksen-Gotha-Altenburg 1681 tot 1826 Saksen-Coburg en Gotha 1826 tot 1918 Saksen-Gota 1826 tot 1918 Saksen-Coburg 1826 tot 1918 Saksen-Römhild 1680 tot 1710 Saksen-Eisenberg 1680 tot 1707 Saksen-Saalfeld 1680 tot 1735 Hertogdom Saksen-Coburg-Saalfeld 1735 tot 1826 Saksen-Hildburghausen 1680 tot 1826 Saksen-Meiningen 1681 tot 1918 (vanaf 1806 officieel) Saksen-Weimar: Saksen-Weimar 1572 tot 1603 Saksen-Weimar 1603 tot 1640 Saksen-Weimar 1640 tot 1672 Saksen-Weimar 1672 tot 1741 Saksen-Weimar-Eisenach 1741 tot 1918 (na 1903 officieel Groothertogdom Saksen)

Zie ook Lijst van heersers van Saksen