Henry William Allingham (Londen, 6 juni 1896 – Ovingdean, nabij Brighton, 18 juli 2009) was een Brits militair en technicus. Hij was een van de laatste zes nog levende Eerste Wereldoorlogsveteranen en met zijn 113-jarige leeftijd van 19 juni 2009 tot zijn dood gedurende 29 dagen officieel de oudste levende man ter wereld, en is nog altijd de oudste Britse man ooit.

Hij was het laatste levende voormalig lid van de Royal Naval Air Service (RNAS) en de laatste nog levende oprichter van de Royal Air Force (RAF). Door zijn diensttijd in de Eerste Wereldoorlog in combinatie met zijn hoge leeftijd had hij vele nationale en internationale onderscheidingen gekregen (zowel civiele als militaire), waarvan vele van de laatste jaren van zijn leven dateren.

Biografie Vroege jaren miniatuur|links|200px|Allingham als baby Henry Allingham werd op 6 juni 1896 geboren in Clapton, een wijk van Londen. Hij was enig kind in een arbeidersfamilie. Zijn vader stierf aan tuberculose toen Allingham nog maar 18 maanden oud was.Aged 111, Britain's oldest birthday boy just 'pleased to see another tomorrow' Daily Mail 6 juni 2007. Gearchiveerd op 9 maart 2016. Daarom werd hij door zijn moeder en zijn grootouders opgevoed.

Allingham ging naar de London County Council School, waarna hij bij het St Bartholomew's Hospital als leerling het gereedschap repareerde. Spoedig daarna ging hij bij een bedrijf werken dat gespecialiseerd was in koetswerken voor auto's. (archiefversie van 7 juli 2009)

Tijdens de Eerste Wereldoorlog miniatuur|links|Henry Allingham met RNAS-uniform in 1916 In augustus 1914 wilde Allingham als koerier deelnemen aan de oorlog, maar zijn – inmiddels doodzieke – moeder hield hem tegen. Een jaar later stierf zij op 42-jarige leeftijdObituary: Henry Allingham BBC 18 juli 2009. Gearchiveerd op 19 juli 2022. en ging hij bij de Royal Naval Air Service, de voorganger van de Royal Air Force. Hij werd aangesteld als Air Mechanic Second Class (Soldaat der 3de klasse), de laagste rang van de Britse luchtmacht, op 21 september 1915. Tijdens zijn opleiding was hij gestationeerd in Chingford met het serienummer RNAS F8317.

Na zijn opleiding werkte hij in Great Yarmouth aan het onderhoud van vliegtuigen en soms mocht Allingham ook zelf een vliegtuig besturen.Britain's oldest man and one of the last Great War heroes, Henry Allingham, dies, aged 113 News of the World (Britse krant) 19 juli 2009 Op 13 april 1916 inspecteerde koning George V het vliegveld. Helaas vertrok de koning voordat Allingham hem kon spreken. Daarna werkte Allingham aan de kust van Norfolk, waar nachtvluchten werden uitgevoerd. Spoedig daarna ging hij werken op oorlogsschepen die naar U-boten op jacht waren. Hij onderhield daar de vliegtuigen en hielp mee met het optakelen van de vliegtuigen nadat ze waren teruggekeerd van een patrouille.

miniatuur|300px|Een Sopwith Schneider-watervliegtuig zoals Allingham onderhield tijdens de Zeeslag bij Jutland Op 31 mei 1916 troffen de Britten en Duitsers elkaar nabij Jutland (Denemarken) in een slag die later bekend zou worden als de Slag bij Jutland. Allingham was gestationeerd op de HMT Kingfisher. Royal Air Force 21 juni 2007 Op het dek van het schip stond een Sopwith Schneider-watervliegtuig dat de Hochseeflotte van de Kaiserliche Marine in de gaten moest houden. Allinghams taak was onder andere het laten opstijgen van dat vliegtuig. Hoewel Allingham daar niet aan de frontlinie gevochten heeft, mocht hij zich wel de laatste overlevende van die slag noemen.Portrait of Henry Allingham, 1 december 2005

In september 1917, nadat hij was bevorderd tot Air Mechanic First Class (Soldaat der 2de klasse), werd hij naar het westfront gestuurd nabij Klein-Sinten bij Duinkerke met het 12de eskader van de Royal Naval Air Service. Hij trainde daar andere troepen van de RNAS en maakte landmijnen onschadelijk die de vluchtende Duitsers achterlieten in de loopgraven. Vlak na zijn aankomst raakte de RNAS betrokken bij de Derde Slag om Ieper (ook wel bekend als de Slag om Passendale). Daar werd hij één keer in zijn arm geschoten en is hij gevallen in een gat gevuld met rottende lichaamsdelen en ratten toen hij bezig was met het opruimen van de aldaar aanwezige landmijnen.

In dezelfde tijd hanteerde hij ook als een van de allereersten een camera bedoeld voor de verkenningsvliegtuigen die hij onderhield. Het is niet bekend of daar nog beelden van bestaan.

Op 12 november werd Allingham gestationeerd bij een vliegveld in Duinkerke, waar hij tot het einde van de oorlog vliegtuigen zou onderhouden. Dat vliegveld werd maandenlang gebombardeerd vanaf de zee, lucht en land. Tijdens zijn verblijf op het vliegveld landde er vlak bij Allingham een hevig bloedende piloot die even later overleed. Hij zei later er nog altijd spijt van te hebben dat hij geen EHBO-cursus gevolgd had, omdat hij daardoor de piloot niet had kunnen helpen.

Op 1 april 1918 ging Allingham bij de Royal Air Force (RAF), omdat de Royal Naval Air Service (RNAS, een deel van de Royal Navy) en de Royal Flying Corps (RFC) (ondersteuning van landtroepen) werden samengevoegd tot één luchtmacht. In de RAF was hij een Air Mechanic Second Class met zijn nieuwe serienummer: 208317. Hij was sinds het overlijden van de 109-jarige Gladys Powers (1899-2008) aanzien als de laatste overlevende uit de prille beginjaren van de Royal Air Force, maar daar kwam postuum toch nog verandering in, want in januari 2010 werd die status aan de momenteel 110-jarige Florence Green (geboren in 1901) toebedeeld, nadat ze daartoe erkend was. Na het staakt-het-vuren op 11 november 1918 bleef hij in dienst in Frankrijk. Rond die tijd ging hij een keer naar het Duitse Keulen, waar hij zich verbaasde over hoe aardig de Duitse burgers waren tegen de Britse soldaten. In februari 1919 ging hij terug naar Engeland, en op 16 april van datzelfde jaar verliet hij de RAF.

Interbellum en familie In 1916 ontmoette Allingham in Great Yarmouth Dorothy Cator, met wie hij enkele jaren later, in 1918, zou trouwen. Zij werd geboren in 1895 en overleed in 1970 aan leukemie, na ruim 51 jaar huwelijk. Samen kregen ze twee dochters: Betty (geboren in 1920) en Jean (1923-1996). Betty trouwde in 1944 met Ronald Hankin. Jean was in 1945 met de Amerikaan Lonny Gray in het huwelijk getreden en na de geboorte van hun dochter Jill naar Michigan in de Verenigde Staten geëmigreerd, waar alle bekende familieleden ten tijde van Allinghams dood nog steeds leefden. Toen Allingham overleed, had hij naar verluidt zes kleinkinderen, twaalf achterkleinkinderen, veertien achterachterkleinkinderen en één achterachterachterkleinkind.BBC 6 juni 2009 Zelf had Henry Allingham altijd gedacht dat zijn oudste dochter, Betty, niet meer in leven was. Ze hadden geen enkel contact meer met elkaar de laatste 40 jaar van Allinghams leven door een vete tussen hen. Allingham ging ervan uit dat zijn dochter anders nog wel de moeite gedaan zou hebben om hem op te zoeken gezien zijn verworven status en hoge leeftijd. Doch niets is minder waar, want pas toen Betty Hankin in de krant las over zijn overlijden, lichtte ze eindelijk haar zoon en vier kleinkinderen in over het feit dat Henry Allingham niemand minder dan haar vader geweest was. En dus had Allingham eigenlijk nog wél familie in eigen land, zelfs niet zo ver van de plek waar hij uiteindelijk gestorven is.Feud that broke the heart of the world's oldest man, Henry Allingham Daily Mail 24 juli 2009

Begin jaren dertig bezat de familie Allingham al een automobiel dankzij Henry Allinghams goedbetaalde baan bij Ford (zie: Techniek). Auto's waren in die tijd nog vrij zeldzaam.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog Gedurende de Tweede Wereldoorlog hoorde hij bij de reservetroepen in Engeland. Hij hielp met verschillende projecten aan het thuisfront, waaronder tijdens kerstochtend 1939 toen hij werd opgeroepen om mee te helpen voor maatregelen tegen Duitse zeemijnen in het dok van Harwich. Negen dagen later had hij deze opdracht met succes voltooid.

Op Allinghams 48e verjaardag in 1944 lanceerden de Amerikanen en Britten Operatie Overlord. Dankzij deze operatie werd Frankrijk twee maanden later bevrijd.

Latere jaren miniatuur|De Cenotaaf in Londen, waar Allingham de ceremonies op 4 augustus 2004 en 11 november 2008 bijwoonde Voor meer dan tachtig jaar had Allingham bijna nooit iets verteld over zijn ervaringen in de Eerste Wereldoorlog. Maar in 2001 ontmoette Allingham Dennis Goodwin, de oprichter van de World War I Veterans' Association en tevens een Tweede Wereldoorlogsveteraan. Samen gingen ze de jaren erna naar vele evenementen zowel in het binnen- en buitenland om Allingham te laten vertellen over zijn ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Goodwin werd een goede vriend van Allingham.

Op 23 oktober 2003 lanceerde Allingham het Poppy Appeal van dat jaar aan boord van het Britse oorlogsmuseumschip de HMS Belfast.War veteran launches Poppy Day scratchcard The Daily Telegraph 16 oktober 2003 Het Poppy Appeal is een organisatie die elk jaar rond de herdenkingen van november papieren klaprozen uitdeelt aan mensen in ruil voor een kleine donatie. Dit geld gaat dan naar (ex-)militairen die in geldnood zijn.

Op 4 augustus 2004 ging Allingham naar de ceremonie bij de Cenotaaf op Whitehall in Londen, die de 90e verjaardag markeerde van de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan de Eerste Wereldoorlog toen Duitsland het neutrale België binnenviel. Bij deze ceremonie waren ook drie andere Britse Eerste Wereldoorlogsveteranen aanwezig: Bill Stone, Fred Lloyd en John Oborne. Een jaar later, op Remembrance Sunday, de tweede zondag van november, wanneer de oorlogsslachtoffers herdacht worden, marcheerde Allingham langs de Cenotaaf in Londen. Dat jaar was de laatste keer dat een veteraan langs de Cenotaaf marcheerde, omdat er nog maar een handjevol soldaten van die oorlog in leven was, vaak slecht ter been. Op 11 november 2005 legde hij tevens een krans bij de Cenotaaf in het Franse Sint-Omaars.

Als laatste lid van de Royal Air Force was Allingham een "special guest" in Sint-Omaars op 11 september 2004 toen de British Air Services Memorial werd onthuld. De jonge Britse militairen die daarbij waren bezochten Allingham de jaren erop nog regelmatig als blijk van waardering voor wat hij door de jaren heen had meegemaakt.Kitchener's Last Volunteer (2008), p. 165 In november van datzelfde jaar woonde hij in Sint-Omaars een ceremonie bij waar hem de gouden medaille van de stad werd uitgereikt.

In november 2005 werd door de International Holographic Portrait Archive een holografisch portret van Allingham gemaakt. Omstreeks deze tijd was er een tentoonstelling op het museumschip HMS Belfast, genaamd Ghosts of Jutland. Een kopie van zijn holografische portret werd aan het museum gedoneerd. Het portret werd onthuld bij de opening van de tentoonstelling door een lid van het Britse koninklijk huis, Birgitte van Deurs, de vrouw van Richard, hertog van Gloucester, een neef van koningin Elizabeth.

Op 11 april 2006 werd Henry Allingham de 'Vrijheid van de stad Eastbourne' gegeven in de vorm van een boekrol door de burgemeester. Eigenlijk had hij deze prijs een maand eerder moeten krijgen, maar toen was Allingham ziek.WWI veteran honoured by home town BBC 21 april 2006. Gearchiveerd op 10 augustus 2017. In mei van dat jaar verhuisde Allingham vanwege zijn verslechterende zicht van zijn huis in Eastbourne, waar hij al sinds zijn pensioen in 1960 woonde, naar een verzorgingshuis voor (bijna) blinde ex-militairen vlak bij Brighton. Daar zou hij tot zijn overlijden blijven.Oldest man marks 111th birthday BBC 6 juni 2007. Gearchiveerd op 2 april 2022.

miniatuur|links|250px|Henry Allingham (rechts) samen met het Britse parlementslid Simon Hughes in het Imperial War Museum op 26 juni 2006