Een ziekenfonds was een private instelling die tot doel had, haar leden een ziektekostenverzekering te bieden. Zij onderscheidde zich daarin van andere verzekeraars, doordat zij de rekening voor genoten medische zorg direct aan de zorgverlener betaalde, zonder dat de verzekerde de rekening zag. Hiervoor werden door het ziekenfonds contracten gesloten met artsen, apothekers en andere zorgverleners. Andere onderscheidende kenmerken waren onder andere het feit dat de premies van het door het ziekenfonds aangeboden arrangement inkomensafhankelijk waren en het feit dat de kring van verzekerden werd beperkt doordat het inkomen of loon onder een bepaalde grens moest liggen.
Oorspronkelijk boden ziekenfondsen een vrijwillig collectief verzekeringsarrangement voor de minvermogende bevolkingsgroepen aan. Met de afkondiging van het Ziekenfondsenbesluit in 1941 werd er een zorgverzekering, een verplichte ziektekostenverzekering voor loontrekkers met een inkomen onder een bepaald bedrag, in het leven geroepen die door erkende ziekenfondsen moest worden uitgevoerd. Hierdoor werden ziekenfondsen in plaats van private instellingen uitvoeringsorganen van een publiekrechtelijke regeling. Daarnaast hielden ziekenfondsen via het in eigen beheer uitvoeren van de vrijwillige ziekenfondsverzekering en via het aanbieden van eigen aanvullende verzekeringen, een zekere mate van autonomie. Met de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006 werd de verplichte verzekering vervangen door de basisverzekering, met een verzekeringsplicht ongeacht het inkomen en uitgevoerd door private zorgverzekeraars. Het overgrote deel van de huidige zorgverzekeraars is ooit begonnen als ziekenfonds.
Ziekenfondsen in de 19e eeuw Aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw werden in Nederland tal van ziekenfondsen opgericht, veelal in de meer verstedelijkte gebieden. Vooral in de negentiende eeuw voerden ziekenfondsen naast een verzekering tegen de kosten van medische zorg, veelal ook verzekeringen voor de kosten van begrafenis en loonderving door ziekte. Zij richtten hun verzekeringsproduct over het algemeen op de minvermogenden, dat wil zeggen mensen met een inkomen onder de plaatselijke grens waaronder men geen inkomstenbelasting hoefde te betalen. Deze verzekeringsvorm was vrijwillig en werd niet door de wet gereguleerd.
Ziekenfondsen hanteerden in deze periode veelal strenge toelatingscriteria. Zo konden chronisch zieken, gehandicapten, bejaarden en zwangere vrouwen over het algemeen geen lid worden van het ziekenfonds. Wachttijden, de tijd waarin men wel premie betaalden maar men geen recht had op medisch zorg vanuit het ziekenfonds,van enkele weken tot een half jaar waren gebruikelijk. De ziekenfondsen voorzagen in de negentiende eeuw in een groeiende behoefte. Rond 1895 werden er ongeveer 543 ziekenfondsen geteld, die rond de 10% van de Nederlandse bevolking hadden verzekerd tegen de kosten van medische zorg.
De negentiende eeuw laat zich kenmerken door een grote verscheidenheid aan ziekenfondsen, die grofweg in de volgende vier hoofdcategorieën kunnen worden ingedeeld: Filantropisch georiënteerde ziekenfondsen Deze werden veelal opgericht en bestuurd door lokale notabelen of liefdadigheidsorganisaties, zoals lokale afdelingen van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Het bekendste voorbeeld is ongetwijfeld het Nutsziekenfonds uit Den Haag, Commerciële Ziekenfondsen, ook wel directiefondsen of exploitatiefondsen Deze ziekenfondsen hadden een financieel belanghebbend bestuur. Veel commerciële ziekenfondsen, zoals het Rotterdamsch Ziekenfonds en het Nederlandsch Algemeen Ziekenfonds, werkten landelijk en hadden een groot ledenbestand, Medewerkersfondsen Dit waren ziekenfondsen opgericht door lokale medici die veelal ook in het bestuur waren vertegenwoordigd, zoals het Algemeen Ziekenfonds Amsterdam (AZA) en het Algemeen Ziekenfonds Rotterdam (AZR). Onderling beheerde ziekenfondsen Dit waren ziekenfondsen die door de verzekerden zelf werden opgericht en bestuurd. Deze ziekenfondsvorm was vooral, maar niet uitsluitend, populair in socialistische en Rooms-katholieke kring. Voorbeelden hiervan zijn het Haagse ziekenfonds De Volharding en het Rooms-katholieke ziekenfonds Liduïna uit Utrecht.
Werkwijze van een ziekenfonds Ongeacht hun organisatie en bestuursstructuur, werkten vrijwel alle ziekenfondsen volgens dezelfde principes. Deze principes zouden in de loop van de twintigste eeuw nauwelijks veranderen. De leden betaalden een vast bedrag, per week of per maand, aan het ziekenfonds waardoor ze recht kregen op geneeskundige zorg van de bij het ziekenfonds aangesloten medici. Het ziekenfonds sloot voor haar leden contracten af met geneeskundigen, die middels deze contracten als ‘medewerker’ aan het ziekenfonds werden gebonden.
Er waren twee verschillende varianten mogelijk. Er kon worden afgesproken dat de leden van het fonds tegen een gereduceerd tarief door de arts werden behandeld. Het ziekenfonds betaalde de arts dan per verrichting; deze contractvorm werd voornamelijk door onderling beheerde en commerciële ziekenfondsen toegepast. Meer gangbaar was de afspraak dat naast een sterk gereduceerd tarief voor verrichtingen, het ziekenfonds de arts of apotheker per jaar een vast bedrag, het zogenaamde abonnementshonorarium, betaalde voor elk ziekenfondslid in zijn praktijk. Hierdoor ontstond binnen de artsenpraktijk een duidelijke scheiding tussen ziekenfonds- en particuliere patiënten.
Ziekenfondsbodes
Ziekenfondsbodes vormden in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw de spil van het ziekenfondswezen. Zij waren verantwoordelijk voor de werving van nieuwe leden, het wekelijks of maandelijks innen van de premie en het uitbetalen van de artsen. Ziekenfondsbodes hadden hun eigen wijk, waar zij - al dan niet met de fiets en later op de beroemde Solex brommer - bij de ziekenfondsleden thuis de premie kwamen ophalen. Zij vormden voor verzekerden het gezicht van het ziekenfonds. De beloning van ziekenfondsbodes verschilde per ziekenfonds. Zo werkten sommige bodes op provisiebasis, terwijl anderen in loondienst van het ziekenfonds waren. Met de komst van de giro- en de automatische incasso in de tweede helft van de twintigste eeuw verdween voor veel ziekenfondsen langzaam het belang van een grote 'buitendienst'. Het beroep van ziekenfondsbode verdween.
Ziekenfondsen in de 20e eeuw Ondanks vele politieke plannen voor het scheppen van een wettelijk kader voor ziekenfondsen die in de eerste decennia van de twintigste eeuw de revue passeerden, onder andere onder A. Kuyper, A.S. Talma, P. Aalberse en M. Slingenberg, bleek het tot 1941 onmogelijk om een politieke meerderheid voor een wettelijk geregelde ziekenfondsverzekering tot stand te brengen. In 1913 wist Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel A.S. Talma een wettelijke verzekering tegen loonderving door ziekte middels de Ziektewet te realiseren. Hierdoor werd, anders dan in bijvoorbeeld Duitsland de verzekering van ziekengeld wettelijk gescheiden van de verzekering van ziekenzorg. Dit principe, ook wel bekend als het Talma-model, zou in de opbouw van de Nederlandse verzorgingsstaat een fundamentele rol spelen, tot op de dag van vandaag.
Binnen het ziekenfondswezen zelf was er in 1912 een hoogoplopend ideologisch conflict ontstaan tussen de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst NMG, de huidige KNMG, en de Landelijke Federatie ter behartiging van het Ziekenfondswezen, de koepelorganisatie van onderling beheerde ziekenfondsen. Om de belangen van de medische stand in het ziekenfondswezen beter te waarborgen was de NMG van mening dat alle ziekenfondsen in Nederland moesten voldoen aan de volgende eisen: Vrije artsenkeuze Het ziekenfondslid mag zelf beslissen naar welke arts hij gaat, zolang deze maar als medewerker aan het fonds verbonden is. Welstandsgrens Slechts mensen met een inkomen onder de welstandsgrens, veelal gesteld op ca. fl. 2500,- per jaar, mogen lid worden van het ziekenfonds. De meer gegoede particuliere patiënten moesten de normale prijs voor medische zorg blijven betalen. Abonnementshonoraria De aan het fonds verbonden arts moet per jaar een vast bedrag per ziekenfondslid in zijn praktijk krijgen als basisinkomen. Bestuursvertegenwoordiging Artsen en apothekers moesten gezamenlijk de meerderheid van de zetels in het bestuur van het ziekenfonds hebben.
Deze eisen waren vooral een steen des aanstoots voor de onderling beheerde ziekenfondsen. Zij waren van mening dat enkel de verzekerden de macht over het fonds moesten hebben. Daarnaast hadden zij vaak artsen in loondienst en eigen instellingen zoals klinieken, apotheken en brillenwinkels. Geen van beide partijen had in de eerste decennia van de twintigste eeuw genoeg politieke en maatschappelijke invloed om het pleit in eigen voordeel te beslechten. Ondanks de ideologische conflicten, werden steeds meer mensen lid van een ziekenfonds. In 1940 was ongeveer 45% van de Nederlandse bevolking bij een van ongeveer 658 bestaande ziekenfondsen verzekerd.
Het Ziekenfondsenbesluit van 1941 De Duitse bezetting na 10 mei 1940 bracht de wettelijke regeling van het ziekenfondswezen in Nederland in een stroomversnelling. Om de Nederlandse economie gelijk te schakelen en dienstbaar te maken aan de Duitse economie, was het onder andere noodzakelijk het concurrentievoordeel verkregen door het feit dat Nederlandse arbeiders geen verplichte ziektekostenverzekering en daardoor ook geen verplichte premieafdracht hadden, op te heffen. Daarnaast paste de regeling van het maatschappelijk zwaar beladen vraagstuk van de ziekenfondsverzekering binnen het Duitse charmeoffensief van het eerste jaar van de bezetting.
Met de afkondiging van het Ziekenfondsenbesluit op 1 november 1941 werd de ziekenfondskwestie in één keer geregeld. Hoewel geïnspireerd door haar Duitse tegenhanger, bleef in het Ziekenfondsenbesluit een van de meest wezenlijke kenmerken van het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid gehandhaafd: de volledig gescheiden verzekering van ziekengeld (door de Ziektewet) en ziekenzorg. Het Ziekenfondsenbesluit was dan ook geen integrale kopie van het Duitse Bismarck-stelsel, maar een mix van Nederlandse en Duitse ziekenfondsprincipes.
Het Ziekenfondsenbesluit introduceerde een verplichte ziektekostenverzekering voor alle loontrekkende werknemers met een inkomen onder een door de overheid vastgestelde loongrens en hun afhankelijke gezinsleden. Deze regeling moest worden uitgevoerd door de door de overheid erkende ziekenfondsen, die als bewijs van erkenning het predicaat 'Algemeen Ziekenfonds' moesten voeren. De vrije artsenkeuze, loon- of welstandsgrens en het systeem van abonnementshonoraria bleven als centrale principes in de verzekering gehandhaafd. De verzekerden kregen recht op een door de overheid vastgesteld pakket van uitgebreide medische verstrekkingen en voorzieningen tegen een vastgestelde premie die voor de helft voor rekening kwam van de werkgever. Verevening van gelden tussen de fondsen vond plaats via de Centrale Kas, zodat het ziekenfonds zelf geen enkel financieel risico meer liep.
Met de afkondiging van het Ziekenfondsenbesluit steeg het aantal ziekenfondsverzekerden in Nederland van 45% naar 63%. Het aantal ziekenfondsverzekerden zou vrijwel de gehele tweede helft van de twintigste eeuw rond dit percentage blijven schommelen. Het aantal ziekenfondsen daalde echter flink door de strenge erkenningscriteria: van 658 in 1940 naar 204 in 1942. Dit aantal zou door regionale fusies en samenwerking steeds verder dalen. In 2006 waren er nog 30 vaak grote, regionale ziekenfondsen actief. Het Ziekenfondsenbesluit bleef ook na de oorlog gehandhaafd. Het Besluit werd in 1965 onder minister G.M.J. Veldkamp in de Ziekenfondswet gecodificeerd en met ingang van januari 2006 vervangen door de Zorgverzekeringswet.
Toezicht