Hendrik (Henk) Schultink (Amsterdam, 3 april 1924 – Bilthoven, 7 januari 2017) was een Nederlands hoogleraar taalwetenschap aan de Universiteit Utrecht.Familiebericht De Volkskrant d.d. 14 januari 2017

Schultink was een van de leidende figuren in de wereld van de Nederlandse taalkunde en taalwetenschap van de laatste 50 jaar. Hij werd gezien als een uitstekend docent en organisator en expert op zijn vakgebied.Koefoed, G. en A. Evers (red.) (1976) Lijnen van taaltheoretisch onderzoek, Een bundel oorspronkelijke artikelen aangeboden aan prof.dr. H.Schultink. Groningen: Uitg. H.D. Tjeenk Willink.

Studie; eerste werk Henk Schultink studeerde van 1945 tot 1951 Nederlands in Leiden bij G.G. Kloeke, en was vervolgens tot 1956 werkzaam als ‘hollandsk lektor’ aan de universiteit van Kopenhagen, waar hij kennis maakte met de relatief ‘formalistische’ benaderingswijze van taal bij de daar werkzame taalwetenschappers, met Louis Hjelmslev als intellectueel leider.Schultink, H. (2008) "Nederlandse en Kopenhaagse grammatici halverwege de twintigste eeuw (1945-1960); contouren van een biografesk tijdsbeeld." In: Ontheven aan de tijd. Linguïstisch-historische studies voor Jan Noordegraaf bij zijn zestigste verjaardag. Amsterdam: Stichting Neerlandistiek VU & Münster, Nodus Publikationen, pp. 255-267.Hjelmslev, L. (1943) Omkring sprogteoriens grundlæggelse. Festskrift udgivet af Københavns, Universitet. København: Bianco Luno.Hjelmslev, L. (1953) Prolegomena to a Theory of Language. Baltimore: Indiana University Publications in Anthropology and Linguistics (IJAL Memoir, 7); 2nd revised ed. Madison: Univ. Of Wisconsin Press, 1961.

In deze periode was Schultink ook Kopenhaags correspondent van de toenmalige Nieuwe Rotterdamsche Courant. Bij zijn terugkeer in Nederland werd hij taalkundig medewerker van dat blad. Daarbij was het, in zijn eigen woorden, niet zijn bedoeling curiosa aan de orde te stellen als de herkomst van het woord fiets, maar veeleer "kritische voorlichting te geven uit de werkplaats der taalkunde".Zonneveld, W. (1982) "De moderne taalwetenschap, in het bijzonder in Nederland." In: Forum der letteren 1982 (23) pp. 201-17. Zijn krantenstukken zijn in 2005 gebundeld en verschenen onder de titel Van onze taalkundige medewerker. Kronieken 1954-1962.H. Schultink, Van onze taalkundige medewerker. Kronieken 1954-1962. Bezorgd door Cecile A. Portielje en Jan Noordegraaf. Amsterdam: Stichting Neerlandistiek VU & Münster, Nodus Publikationen (Cahiers voor Taalkunde, 22). In 1959 werd hij tevens de eerste redactiesecretaris van het vaktijdschrift Forum der letteren.

Proefschrift Terug in Nederland kreeg hij een aanstelling als docent aan de Rijksuniversiteit Leiden, waar hij in 1962 promoveerde bij E.M. Uhlenbeck op het proefschrift De Morfologische Valentie van het Ongelede Adjectief in Modern Nederlands.Schultink, H. (1962) De morfologische valentie van het ongelede adjectief in modern Nederlands. Den Haag: Van Goor en Zn. Daarin onderzoekt hij, binnen het vakgebied van de morfologie (de studie van woordstructuur), de ‘vorm-betekenis systematiek’ van de Nederlandse woordenschat; daarbij erkent hij sterke invloed van de “magistrale” vooroorlogse studie Het Woord van de Amsterdamse hoogleraar Taalwetenschap Anton Reichling (1898-1986).Reichling, A. (1935) Het Woord. Proefschrift, KU Nijmegen

Vragen die hij zich bijvoorbeeld stelt, zijn of de verhouding tussen het paar lang ~ lengte hetzelfde is als die tussen diep ~ diepte, of de verhouding tussen groenig ~ groen hetzelfde is als die tussen waardig ~ waard, en als die tussen zuinig ~ (?) [geen correlerend stammorfeem *zuin]. Een centraal begrip hierbij is productiviteit, dat beschouwd kan worden als het grammaticale equivalent van het vermogen van een spreker van het Nederlands om meer van dergelijke paren te maken: van het type lang ~ lengte (met klinkerverandering) niet, van diep ~ diepte (zonder klinkerverandering) wel, zoals in leeg ~ leegte, breed ~ breedte, enz.; en met name van het vermogen om daarbij ‘creatief’ te werk te gaan, bijvoorbeeld om vlakheid te gebruiken naast vlak, als vlakte op dat moment niet precies uitdrukt wat er in de taalsituatie nodig is. (De uitgang –heid, die vrijwel altijd wel aan bijvoeglijke naamwoorden kan worden toegevoegd, is dan ‘productiever’ bevonden dan de uitgang –te).

Leerstoel Onmiddellijk na zijn promotie werd Schultink in 1962 benoemd tot hoogleraar Algemene Taalwetenschap aan de Universiteit Utrecht, als opvolger van Uhlenbecks collega en onderzoeksverwant A.W. de Groot (1892-1963), naar wie kort nadien zijn instituut werd vernoemd. Hij verkreeg een positie waarin hij niet alleen leiding gaf aan een snel groeiende staf van jonge en talentvolle universitaire medewerkers, maar ook een centrale rol speelde bij de introductie en acceptatie in Nederland van de ‘transformationeel-generatieve taalkunde’ van de Amerikaanse taalwetenschapper (en later politiek activist) Noam Chomsky.Chomsky, N. (1957) Syntactic Structures. Den Haag: MoutonChomsky, N. (1965) Aspects of a Theory of Syntax. Cambridge, Mass.: MIT Press.Schultink, H. (1967) "Transformationeel-generatieve taalbeschrijving", De Nieuwe Taalgids 60, pp. 238-257. Staal, J.F. (1968) "In Gesprek met Chomsky", De Gids, 6/7, pp. 6-18.Seuren, P.A.M. (1971) "Chomsky, man en werk", De Gids, 5/6, pp. 298-310.Verkuyl, H.J. (1990) "The contribution of the Dutch to the development of linguistics." In: Aarts, F. en T. van Els (eds.) Contemporary Dutch Linguistics. Washington: Georgetown University Press, pp. 1-22.

Transformationeel-generatieve taalkunde Aantrekkelijk voor hem in deze nieuwe en revolutionaire aanpak waren het formalistische karakter ervan (taalverschijnselen uitgedrukt in ‘formele’, controleerbare regels en grammatica's) en de centrale rol van de creativiteit van de taalspreker (het vermogen om tot op dat moment bij de spreker volkomen onbekende zinnen te interpreteren, zoals de zinnen van deze tekst, en zelf nieuwe te produceren). In de NRC van 20 juli 1957 publiceerde Schultink een bespreking van Chomsky's in februari van dat jaar bij Mouton in Den Haag verschenen Syntactic structures. Mogelijk is dit de allereerste bespreking van dit boek geweest.<ref>De bespreking is herdrukt in Schultinks Van onze taalkundige medewerker, pp. 66-68. Zie ook Jan Noordegraaf (2001), 'On the publication date of Syntactic Structures''', Historiographia Linguistica 28, pp. 225-228. http://hdl.handle.net/1871/9179</ref>

Netwerk Bij vrijwel de gehele groep zittende hoogleraren taalkunde en taalwetenschap in Nederland bestond aversie tegen of onbegrip over deze nieuwe theorie. In Amsterdam was echter een studiegroep van jonge taalkundigen ontstaan die zeer voor de opvattingen van Chomsky gewonnen was. Het waren betrekkelijke outsiders als de logicus E.W. Beth en de sanskritist en filosoof Frits Staal die voor deze aankomende generativisten in Amsterdam de eerste patronage vormden. Door de benoeming van Schultink te Utrecht veranderde het beeld. In zijn colleges introduceerde hij Chomsky’s theorie met de profetische woorden “Dames en heren, dit is de taalkunde van de eerstkomende twintig jaar.” In de praktijk bleek deze schatting nog aan de lage kant en is Chomskys theorie voor een groot deel van de internationale taalkundige wereld al meer dan een halve eeuw dominant. Als eerste en enige algemeen linguïstisch hoogleraar die zich wel tot Chomsky’s denkbeelden voelde aangetrokken, -- “Schultink is om” gonsde het rond in de Nederlandse taalkundige wereld—werd Schultink spoedig een sleutelfiguur. Het instituut te Utrecht fungeerde als een toevluchtsoord voor jonge taalkundigen, en met name ook voor universitaire promoties van buiten het eigen instituut. Mede door latere benoemingen van deze promovendi elders (Wim Klooster in Amsterdam, Pieter Seuren in Nijmegen, Henk Verkuyl in Utrecht) bouwde Schultink een uitgebreid landelijk netwerk op. Nog steeds is Utrecht een nationaal en internationaal centrum van ‘formele’, grotendeels chomskyaanse, taalwetenschap.

Schultinks promotor, de Leidse hoogleraar E.M. Uhlenbeck, bleef uiterst kritisch staan tegenover de chomskyaanse benadering. Dit weerhield Schultink er niet van in 1982, bij het 25-jarig bestaan van zijn Utrechtse instituut, Prof. Uhlenbeck uit te nodigen als een van de exponenten van drie uiteenlopende taalkundige benaderingen in Nederland, en uit de positieve toon van het georganiseerde symposium hoop te putten op begrip voor elkaars standpunten.Schultink, H. (1982) "Vijfentwintig jaar taalwetenschap in Nederland." In: Forum der letteren, 1982 (23), pp. 161-62.

Begeleiding en onderzoek In de genoemde functie was Schultink vaak promotor van onderzoekers van – niet zijn eigen specialisme – de syntaxis (zinsbouw). In de jaren zeventig richtte hij zich in zijn eigen werk op de formele fonologie (klankleer), maar hij bleef ook de morfologie trouw met als centraal begrip ‘productiviteit in de woordenschat’. Hij liet daarin anderen kennismaken met het werk van vooraanstaande taalwetenschappers als Morris Halle, Mark Aronoff, Mark Liberman en Alan Prince, allen werkzaam in het chomskyaanse onderzoekskader. In de fonologie was hij met name geïnteresseerd in klemtoonverschijnselen, en hoe woordstructuur beklemtoning beïnvloedt: waarom is er in het paar tóepassen ~ toepásbaar klemtoonverandering, maar in aanváarden ~ aanváardbaar en beínvloeden ~ beínvloedbaar niet? In de morfologie richtte zijn werk zich op het (Engelse) begrip stacking: In hoeverre is de ‘stapeling’ van uitgangen in wandel-aar-ster en bloem-ist-e ook nog te herkennen in werk-?-ster, chauffeur ~-se en directeur ~ -trice.Schultink, H. (1979)"Combinaties van affixen binnen woorden, in het bijzonder in het Nederlands. Contouren van een onderzoeksprogramma." In: Hoekstra, T. en H. Van der Hulst (red.) Morfologie in Nederland, Glot Special, pp. 103-118.Schultink, H. (1980), "On stacking up affixes, mainly in Dutch words." In: van Alkemade, D.J. e.a. (eds.) Linguistic Studies offered to Berte Siertsema. Amsterdam: Rodopi, pp. 229-242.Schultink, H. (1980) "Boundaries, wordclasses and the accentuation of derived words in Dutch." In: Zonneveld, W., F. van Coetsem en O.W. Robinson (eds.) Studies in Dutch Phonology. Den Haag: Nijhoff, pp. 205-222. In deze vakgebieden kunnen als zijn min of meer directe leerlingen (en / of ‘voortzetters van zijn traditie’) beschouwd worden: Rudolf Botha (Stellenbosch, Zuid-Afrika), Wim Zonneveld (Utrecht), Jaap van Marle (UvA; Open Universiteit), Martin Everaert (Utrecht), en – hoewel niet bij hem gepromoveerd – Geert Booij (UvA, VU; Leiden) en Harald Baayen (Nijmegen).

Bestuur en organisatie Op het gebied van bestuur en organisatie was Schultink al in 1964 betrokken bij de heroprichting van de nationale Algemene Vereniging voor Taalwetenschap. Deze landelijke vakvereniging organiseert vanaf 1970 de jaarlijkse TIN-dag (Taalkunde in Nederland) waarop door Nederlandse taalkundigen van allerlei pluimage lezingen worden gegeven en ideeën worden uitgewisseld.Hij was van 1975 tot 1982 bestuurslid, en daarna adviseur, van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden, en speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van het door dat instituut uitgegeven Morfologisch Handboek.De Haas, W. en M. Trommelen (1993) Morfologisch handboek van het Nederlands. Een overzicht van de woordvorming. ‘s Gravenhage: SDU Uitg.

Hij was in 1982 weinig succesvol als kortstondig decaan van de Utrechtse Letterenfaculteit in een zeer woelige periode van continue universitaire bezuinigingen. Hij gaf zelf toe daarvoor niet de geschikte persoonlijkheidsstructuur te hebben. Een van deze operaties (Selectieve Krimp en Groei, van 1986) ging echter wel met een zodanige herverdeling van budgetten gepaard dat daaruit het aio-stelsel (assistenten in opleiding) ontstond, dat tot 2004 de meest gebruikelijke manier voor jong wetenschappelijk talent was om, ondersteund door een tijdelijke aanstelling, te komen tot een universitaire promotie.

LOT