Artikel 1F Vluchtelingenverdrag is een bepaling die deel uitmaakt van het eerste artikel van de Conventie van Genève betreffende de Status van Vluchtelingen van 28 juli 1951 (soms volledig aangehaald onder de aanvulling "zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967").

Artikel 1F, in feite lid/onderdeel F van artikel 1Artikel 1 van het verdrag per 1 augustus 1956 op wetten.overheid.nl, is een van de zogenoemde "exclusion clauses" (uitsluitingsgronden) van het Vluchtelingenverdrag, verder bepaald in de artikelen 1D en 1E. De artikelen 1D en 1E hebben betrekking op personen die reeds bescherming genieten tegen vervolging.

Op grond van artikel 14 lid 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 heeft eenieder het recht in andere landen asiel te zoeken en te genieten tegen vervolging. Deze kort daarna tot stand gekomen Conventie verbiedt asielzoekers te verwijderen naar het land van herkomst indien er een gegronde vrees bestaat dat ze daar vervolgd zullen worden (verbod op refoulement).

Op grond van artikel 14 lid 2 van dezelfde verklaring kan op dit recht echter geen beroep gedaan worden in geval van "strafvervolgingen wegens misdrijven van niet-politieke aard of handelingen in strijd met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties". Artikel 1F van de Conventie bedoelt aan die uitzondering uitdrukking te geven.

Op grond van deze bepaling kunnen staten aan sommige asielzoekers de vluchtelingstatus ontzeggen wegens een vermeende eigen betrokkenheid bij schendingen van het oorlogsrecht en zware misdrijven en mensenrechtenschendingen.

Het bepaalde in artikel 1F beoogt asielzoekers uit te sluiten die weliswaar gegronde vrees voor vervolging hebben, maar wegens een vermoedelijke eigen betrokkenheid bij misdaden en mensenrechtenschendingen geen aanspraak zouden kunnen maken op vluchtelingrechtelijke bescherming.

Formulering en toelichting Artikel 1F van het Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen van 28 juli 1951 luidt in de Nederlandse vertaling:zoals na ratificatie gepubliceerd in het Tractatenblad Trb. 1954, 88.

"De bepalingen van het Verdrag zijn niet van toepassing op personen ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat: (a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten die zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen; (b) hij een ernstig, niet politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten; (c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties."

Toelichting: (a): misdrijven tegen de vrede, oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten (...) De oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid worden in verschillende verdragen genoemd, waaronder het Genocideverdrag en de oprichtingsstatuten van het Joegoslavië-tribunaal, Rwanda-tribunaal en Internationaal strafhof. Artikel 7 van het Statuut van Rome geeft een definitie van misdrijven tegen de menselijkheid en artikel 8 geeft een opsomming van oorlogsmisdrijven. Het Handvest van Neurenberg en Resolutie 3314 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bevat een definitie van misdrijf tegen de vrede.http://www.unhcr.org/3ae68cf68.html. Gearchiveerd op 7 september 2019.

(b): een ernstig, niet politiek misdrijf, begaan buiten het land van toevlucht, voordat de dader tot dit land als vluchteling is toegelaten. Kenmerken van een niet politiek misdrijf in de zin van artikel 1F zijn onder meer: 1. de ernst van het misdrijf; 2. het niet-politieke karakter van het misdrijf; 3. het misdrijf is gepleegd buiten het land waar hij als vluchteling is toegelaten.

De ernst van het misdrijf wordt bepaald door meerdere factoren, zoals de aard van de daad, de omvang van de gevolgen alsmede de motieven van de dader. De mogelijkheid bestaat dat de misdaad weliswaar was gepleegd met een politiek doel, maar dat de toegepaste middelen niet proportioneel en subsidiair waren met het beoogde doel. Daarbij gaat het om gewelddadige middelen die ook worden toegepast in andere commune delicten, zoals gijzeling, ontvoering, bomaanslagen, kapingen etc.

(c): handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties. De doelstelling en beginselen van de VN zijn vastgesteld in de artikelen 1 en 2 van het VN-Handvest. Deze bepalingen richten zich expliciet tot de lidstaten en niet tot staatsburgers. Dit impliceert dat artikel 1F(c) uitsluitend van toepassing kan zijn op personen die een machtspositie hebben bekleed in een van de VN-lidstaten.

Achtergrond Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze verdragsbepaling blijkt dat destijds bij de aan de ondertekening van het verdrag voorafgaande beraadslagingen te New York en Genève in 1950/1951 vooral gedacht was aan de recente genocide (jodenvervolging) en oorlogsmisdaden met name in Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Gevreesd werd dat personen die zich daaraan schuldig zouden hebben gemaakt anders de door de internationale rechtsorde gewenste vervolging en bestraffing konden ontlopen, door hun toevlucht te zoeken in landen waar het strafrechtelijk territorialiteitsbeginsel een hindernis voor vervolging vormde: het criterium voor het instellen van strafvervolging dat een onderdaan van die staat bij het delict betrokken moest zijn.

Betreffende bepaling werd in het verdrag opgenomen, omdat de afgevaardigden van de verdragsluitende staten wilden voorkomen dat oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog toevlucht zouden vinden in een land waar zij niet konden worden vervolgd, bijvoorbeeld omdat de delicten daar niet hadden plaatsgevonden en er evenmin burgers uit die landen betrokken waren.

Het kwam bijvoorbeeld voor dat verdachten van oorlogsmisdaden op het Europees strijdtoneel naar staten als Brazilië en Argentinië vluchtten, die op geen enkele wijze betrokken waren bij betreffende misdaden, zodat (toen) een aanknopingspunt voor vervolging en eventueel bestraffing ontbrak: ze waren elders gepleegd en zowel de verdachten als de slachtoffers hadden een andere nationaliteit. Ook leverde eventuele uitlevering naar staten waar zij wel vervolgd konden worden, bijvoorbeeld het eigen land van herkomst, moeilijkheden op, doordat er evenmin verdragen bestonden die daarin voorzagen.

De achterliggende gedachte achter die bepaling die dit moest ondervangen was dat, indien althans alle andere landen die uitsluitingsgrond eveneens zouden toepassen, deze verdachten dan wel genoodzaakt zouden zijn terug te keren naar het land van herkomst, zich er over te geven aan de justitie en aldus niet langer gerechtigheid konden ontlopenAlex Takkenberg & Christopher C. Tahbaz The collected Travaux préparatoires of the 1951 Geneva Convention relating to the Status of Refugees (3 delen), uitg. Dutch Refugee Council, Amsterdam (2de editie 1989-1990); een exemplaar hiervan bevindt zich in de bibliotheek van het Vredespaleis te Den Haag

Deze uitsluitingsgrond wordt bij gelegenheid toegepast jegens asielzoekers die deel uitmaakten van strijdende groepen of werkzaam waren voor de overheid (politie, leger, veiligheidsdienst) onder het regime in hun land van herkomst.

Vele staten hebben inmiddels echter na de totstandkoming van het verdrag in 1951 eigen strafwetgeving doorgevoerd waarin het universaliteitsbeginsel geldt. Daarbij is dan niet meer van enig belang waar een delict zou zijn gepleegd en evenmin wat de nationaliteit van het slachtoffer of van de vermeende dader zou zijn. In Nederland is dat allereerst de Wet Oorlogsmisdrijven uit 1952 en een aantal latere regelingen.

De uitsluitingsgrond in artikel 1F wordt in de praktijk ook, hoewel dit niet onomstreden is, toegepast jegens asielzoekers tegen wie geen strafrechtelijk bewijs voorhanden is ter zake schuld aan bedoelde misdrijven. Een belangrijk begrip in dit verband is ook dat van de knowing participation: niet bewezen is dat men zich schuldig maakte aan bedoelde misdrijven, maar wel dat men deel uitmaakte van organisaties waarvan bekend is (geworden) dat deze organisaties of andere leden daarvan die pleegden.

Artikel 1F in Nederland De Nederlandse overheid ging in de jaren 90 over tot een stringente toepassing van deze uitsluitingsgrond. Daardoor is er een asielrechtelijk en humanitair probleem ontstaan, toen aanzienlijke aantallen asielzoekers deze uitsluitingsgrond uiteindelijk tegengeworpen hebben gekregen. Dit gebeurde bijvoorbeeld onder meer met grote aantallen asielzoekers uit Afghanistan die werden geassocieerd met het regime van de DVPA, en in het bijzonder met de staatsveiligheidsdienst KhAD, en uit Irak onder het regime van de dictator Saddam Hoessein en die werden geassocieerd met de Ba'ath-partij.

Vaak gebeurde dat pas na een jarenlang verblijf in Nederland en een aanvankelijke erkenning als vluchteling. Dit terwijl in vele gevallen hun gezinsleden wél de asielstatus behielden en vervolgens konden naturaliseren tot Nederlanders. Indien een gezinslid met de 1F-status Nederland zou dienen te verlaten, terwijl de andere gezinsleden niet bereid zijn of in staat kunnen worden geacht hem na te reizen naar het land van herkomst, dreigt schending van het bepaalde in artikel 8 EVRM.Artikel 8 EVRM regelt het recht op de eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, en luidt als volgt: 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ten gevolge van de uitsluitingsgrond zijn deze afgewezen asielzoekers ongewenst verklaard en is ook onvrijwillige terugkeer (uitzetting) naar het land van herkomst in het vooruitzicht gesteld.

Ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 kan het verblijf van een vreemdeling in Nederland worden geweigerd dan wel beëindigd, indien deze vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of voor de nationale veiligheid. Onder "gevaar voor de openbare orde" wordt ook begrepen een gesteld gevaar voor "de (goede) internationale betrekkingen": de aanwezigheid in Nederland van personen op wie deze uitsluitingsgrond is toegepast wordt daaronder geschaard.

Deze groep asielzoekers viel buiten het Generaal Pardon van 2007. Het zou gaan om 250 personen, met totaal ongeveer 800 gezinsleden, van wie er 260 in het bezit waren van een verblijfsvergunning en/of zijn genaturaliseerd.Adviescommissie Vreemdelingenzaken Artikel 1F Vluchtelingenverdrag in het Nederlands vreemdelingenbeleid, mei 2008

In november 2007 heeft de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, de Nederlandse regering beticht van een te strenge toepassing van deze uitsluitingsgrond. Dat zou met name het geval jegens de asielzoekers afkomstig uit Afghanistan die werkzaam zouden zijn geweest voor de staatsveiligheidsdiensten KhAD of WAD. Op 13 mei 2008 publiceerde de UNHCR een eigen rapport over de werkzaamheden van de KhAD / WAD in de periode 1978-1992.UNHCR Note on the Structure and Operation of the KhAD/WAD in Afghanistan 1978-1992 May 2008