De vrijheid van onderwijs is een recht op grond waarvan iedereen een school mag oprichten. Vrijheid van onderwijs betekent ook dat ouders voor hun kinderen mogen kiezen tussen openbare scholen, onderwijs dat is gebaseerd op een religieuze of levensbeschouwelijke visie (bijzonder onderwijs), en thuisonderwijs. In sommige landen is inschrijving in een openbaar of door de overheid gecontroleerd onderwijssysteem verplicht en hebben burgers niet het recht zelf een school op te richten. Uiteindelijk is de vrijheid van onderwijs bedoeld om onderwijsmonopolies te voorkomen.
Dit recht kan afgeleid worden uit artikel 26 van de universele verklaring van de rechten van de mens, alwaar gesteld wordt:amnesty.nl Universele verklaring artikel 26 bekeken op 16 november 2008 Aan de ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen welke aan hun kinderen zal worden gegeven.
Wettelijke bescherming van de vrijheid van onderwijs De vrijheid van onderwijs is opgenomen in meerdere wetten: het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 2 van het eerste aanvullende protocol), de Nederlandse Grondwet en de Belgische Grondwet.
In de Verenigde Staten is de vrijheid van onderwijs niet expliciet gewaarborgd door de Grondwet.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens Protocol (Nr. 1) bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden vermeldt:coe.int: Protocol (Nr. 1) bekeken op 16 november 2008
Artikel 2 - Recht op onderwijs Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen.
Nederland: geschiedenis thumb|Grondwetswijziging 1917 waarin er een financiële gelijkstelling komt van openbaar en bijzonder onderwijsNationaal Archief, Den Haag, Kabinet der Koningin [periode 1898-1945], nummer toegang 2.02.14, inventarisnummer 6263
De eerste wetten In vroeger eeuwen werd het onderwijs niet in de eerste plaats als aandachtsgebied van de overheid gezien. Wie het zich kon veroorloven, volgde privéonderwijs; daarnaast waren er dorps- en parochiescholen, maar leerplicht bestond niet.De eerste Onderwijswet dateert van 1806, ten tijde van de Bataafse Republiek. Die Republiek was echter niet streng-religieus van karakter, en bepaalde slechts dat het openbaar onderwijs een algemeen-christelijke signatuur moest hebben. Godsdienstonderwijs was toegestaan, maar moest worden beperkt tot het "geschiedkundig en zedekundig" gedeelte van dat onderwerp. Met name protestanten verzetten zich tegen deze beperking: ook de christelijk dogma's wilden zij onderwezen zien. Dit laatste werd enkele decennia later, in 1830, juist geheel verboden.
In de liberale grondwet van 1848 werd voor het eerst de vrijheid van onderwijs geregeld. Dat was niet verwonderlijk: de liberale voorman Thorbecke had al in 1829 in een brochure voor dit uitgangspunt gepleit. De grondwetsformulering luidde: Het geven van onderwijs is vrij, maar er waren wel voorwaarden. Zo werden er eisen gesteld aan de bekwaamheid der onderwijzers, en er was overheidstoezicht op het onderwijs. Voorts bleef de regeling van het "publiek" (openbaar) onderwijs een staatsaangelegenheid, en het was ook dat onderwijs dat subsidie ontving. Niettemin ontstond de vrees dat dat openbaar onderwijs in bepaalde streken geheel zou verdwijnen; daarom werd aan de grondwet de bepaling toegevoegd: Er wordt in het rijk van overheidswege voldoende openbaar onderwijs gegeven. , "Onderwijs in Nederland", in Bernard Kruithof, Jan Noordman, Piet de Rooy (red.), Geschiedenis van opvoeding en onderwijs. Inleiding, bronnen, onderzoek, Nijmegen 19832
Schoolstrijd Het debat was daarmee niet verstomd. Van 1840 tot 1920 woedde de schoolstrijd, die rond meerdere punten werd gevoerd. Was met de vrijheid van onderwijs het algemeen christelijk karakter van de openbare school nog wel gewaarborgd? Of werden ouders die een gematigd christelijke opvoeding voorstonden, nu genoodzaakt hun kinderen naar een christelijke school te sturen, die naar hun opvattingen wellicht juist weer te dogmatisch was?En dan de bezoldiging: bijzonder onderwijs was vrijelijk toegestaan, maar het werd niet gesubsidieerd. Dit leidde tot de klacht dat burgers die bijzonder onderwijs voor hun kinderen wensten, zelf de kosten droegen, terwijl zij via de belastingen ook nog eens het openbaar onderwijs financierden.
Het vraagstuk van de financiering van openbaar onderwijs werd een belangrijke scheidslijn in de Nederlandse politiek. Er ontstond een "antithese" tussen protestanten en katholieken (voorstanders van gelijkstelling van het openbaar onderwijs) en liberalen (tegenstanders hiervan).
Latere regelingen De Lager Onderwijswet (1857) van minister Van der Brugghen wilde de neutraliteit van de openbare school bevorderen. Onderwijzers mochten geen godsdienstonderwijs meer geven: de openbare school leidde nu op tot de christelijke en maatschappelijke deugden. Religieuze vorming kon wel van buitenaf worden aangetrokken, maar in de praktijk kwam daarvan weinig terecht. In de jaren zestig van de negentiende eeuw werden christelijke verenigingen opgericht met het doel het bijzonder, christelijk, onderwijs te bevorderen: De school aan de ouders!
Subsidie voor bijzonder onderwijs was er nog steeds niet, en dit werd een groter probleem toen in 1878 de wet-Kappeijne van de Coppello onderwijshervormingen voorschreef die kostbaar waren, en dus het in stand houden van een inrichting voor bijzonder onderwijs bemoeilijkten. Protestanten en katholieken verenigden zich. Maar tegelijkertijd liet voor velen de grondwet maar één interpretatie toe: het openbaar onderwijs was voorwerp van overheidszorg, en alleen dat onderwijs had dus recht op subsidie.
Bij de grondwetswijziging van 1887 werd echter gunstiger gedacht over subsidiëring van het bijzonder onderwijs, en bij de wet-Mackay van 1889 ging het rijk bijdragen in de salariskosten voor dat onderwijs. Het begrip "bijzonder" kreeg ondertussen met de opkomst van het socialisme ook een politieke lading. In 1900 werd de eerste leerplichtwet ingevoerd; later dan in omringende landen, mede door de troebelen die de schoolstrijd met zich had meegebracht.
Grondwetswijziging van 1917 De vrijheid van onderwijs, die dus al sinds 1848 bestond, had nog steeds geen einde gemaakt aan de ongelijkheid van subsidiëring. Daarin kwam pas verandering bij de grondwetswijziging van 1917, die regelde dat het onderwijs (dus niet alleen het openbaar onderwijs) "voorwerp van aanhoudende zorg van de regering" was en uit openbare middelen werd bekostigd. Dit resulteerde in de Lager Onderwijswet van 1920.Röling, a.w.
Voorstel tot grondwetswijziging van 1945 De katholieke voorman Carl Romme, tussen 1937 en 1939 minister van Sociale Zaken voor de RKSP en na de oorlog in de Tweede Kamer fractieleider van de KVP, heeft tijdens de oorlog een voorstel tot nieuwe grondwetsartikelen geschreven, die meteen na de bevrijding gepubliceerd werd. In deze nieuwe grondwet zou de vrijheid van onderwijs worden afgeschaft. Alle scholen zouden op Christelijke, d.w.z. incl. Katholieke, grondslag gebaseerd moeten zijn. Niet-Christelijk onderwijs zou moeten worden afgeschaft. Hiermee zou de vrijheid van onderwijs voor met name ongelovigen afgeschaft worden.Prof. mr. C.P.M. Romme, Nieuwe Grondwetsartikelen, Urbi et orbi, Amsterdam, 1945.
Nederland: huidige situatie Vrijheden Sindsdien brengt de vrijheid van onderwijs ook gelijke rechten op subsidiëring met zich mee. De vrijheid betreft drie aspecten:Ministerie van OCW - Vrijheid van onderwijs - Vrijheid van stichting, richting en inrichting de stichting van een school: burgers zijn vrij een instelling van onderwijs op te richten de richting van het onderwijs: de grondslag kan levensbeschouwelijk, religieus, politiek of onderwijskundig bepaald zijn de inrichting van het onderwijs: binnen bepaalde grenzen brengt dit een zekere vrijheid van leerstof en leermethode met zich mee.
Zo is er naast het christelijk onderwijs ook ruimte voor nieuwere leerconcepten, zoals de Vrije School. Maar ook de vrijheid van het openbaar onderwijs blijft gewaarborgd: dat moet in alle gemeenten voldoende worden aangeboden.
Randvoorwaarden In alle gevallen blijven er echter randvoorwaarden aan de vrijheid van onderwijs verbonden. De overheid ziet toe op de kwaliteit van het onderwijs en op de eisen die aan onderwijzers worden gesteld.
Hernieuwd debat In 2003 laaide de discussie opnieuw op, maar nu ging het om de moslimscholen die de laatste jaren waren opgericht. Het debat betrof ditmaal niet primair de financiën, maar de integratie en inburgering van minderheden, vooral van immigrantenkinderen uit niet-westerse landen. Door hun vorm van bijzonder onderwijs zouden zij onvoldoende in aanraking komen met Nederlandstalige leeftijdsgenoten met een Nederlandse cultuur. Voorstanders van het bijzonder onderwijs stelden daar tegenover dat vrijheid van onderwijs een belangrijk grondrecht is. Dit principe kon bovendien, argumenteerden zij, niet buiten kracht worden gesteld voor één bepaalde vorm van bijzonder onderwijs.
Tevens laaide een debat op over de onderlinge verhouding van grondrechten, die immers altijd in relatie tot elkaar staan, en elkaars werking inperken. Een vraag was of de vrijheid van onderwijs, ook in verband met de godsdienstvrijheid, niet op gespannen voet stond met het antidiscriminatiebeginsel: mag men op grond van religie andermans opvattingen wel fundamenteel veroordelen, en die veroordeling in het onderwijs uitdragen? Anders geformuleerd: Hoe ver ging de vrijheid van onderwijs?Vrijheid van onderwijs Kostbaar geschenk of noodzakelijk kwaad? - vrijheid van onderwijs
Artikel 23 van de Grondwet Hoofdstuk 1, artikel 23 van de Nederlandse grondwet luidt als volgt:
Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoende openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
Soorten onderwijs