De sierschildpad of geschilderde sierschildpad (Chrysemys picta) is een waterbewonende schildpad uit de familie moerasschildpadden (Emydidae). De sierschildpad is familie van de veel bekendere roodwangschildpad. Zijn naam dankt hij aan de opvallende rode en gele vlekken- en strepentekening van de poten, de kop en het schild. Er worden drie verschillende ondersoorten onderscheiden die verschillen in zowel het uiterlijk als het verspreidingsgebied.

De sierschildpad komt voor in Noord-Amerika, noordelijk in het zuiden van Canada, verder een groot deel van de Verenigde Staten en zuidelijk tot in delen van noordelijk Mexico. De sierschildpad heeft het grootste verspreidingsgebied van alle schildpadden die in Noord-Amerika voorkomen. In de Verenigde Staten is de sierschildpad een van de bekendste soorten schildpadden. Verschillende Amerikaanse staten hebben de soort tot 'federale schildpad' benoemd.

De sierschildpad woont in rivieren en meren met een modderbodem en veel waterplanten. Het dier eet zowel planten als kleine dieren en is een omnivoor. De schildpad heeft verschillende vijanden, van vogels en krokodillen die op de schildpadden jagen tot zoogdieren en geleedpotigen zoals mieren die de nesten van de schildpad roven en de eieren opgraven en buitmaken.

De schildpad is door zijn decoratieve uiterlijk en actieve gedrag populair in de handel in exotische dieren. Deze soort wordt daardoor op grote schaal in gevangenschap gehouden als huisdier. De sierschildpad is tegenwoordig minder algemeen dan enkele decennia geleden maar wordt niet beschouwd als een bedreigde diersoort.

Naamgeving en taxonomie De sierschildpad dankt zijn naam aan de tekening van gele strepen en rode vlekken op de huid en het schild. Ook in andere talen wordt een dergelijke benaming gebruikt, zoals het Duitse Zierschildkröte dat ook sierschildpad betekent. De Franse naam tortue peinte en de Engelse naam painted turtle betekenen beide 'geschilderde schildpad'.

De schildpad is ook onder andere Nederlandse namen bekend, zoals rode terrapene en Amerikaanse sierschildpad. De naam geschilderde schildpad wordt eveneens gebruikt, dit is een vertaling van de Engelstalige naam.

Wetenschappelijke naamgeving en synoniemen De sierschildpad werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Johann Gottlob Schneider in 1783. Oorspronkelijk werd de naam Testudo picta gebruikt, het geslacht Testudo behoort tegenwoordig echter tot de familie landschildpadden (Testudinidae). Later werd de soort toegekend aan andere geslachten, zoals het geslacht Emys. Deze verouderde namen worden ook wel synoniemen genoemd.

De wetenschappelijke geslachtsnaam Chrysemys betekent letterlijk vertaald 'gouden schildpad'. Het is een samenstelling van Oudgrieks χρυσός (chrusos), 'goud' en ἐμύς (emus), 'schildpad'.De soortnaam picta komt uit het Latijn en betekent 'gekleurd' of 'beschilderd'.

Lange tijd was de sierschildpad de enige soort uit het geslacht Chrysemys. Een dergelijk geslacht dat door maar één soort wordt vertegenwoordigd wordt ook wel monotypisch genoemd. Sinds 2014 echter is een van de ondersoorten afgesplitst tot een aparte soort; de zuidelijke sierschildpad (Chrysemys dorsalis). Er zijn hierdoor tegenwoordig drie verschillende ondersoorten in plaats van vier toen de zuidelijke sierschildpad nog niet als aparte soort werd beschouwd. In veel literatuur wordt deze nieuwe status nog niet vermeld.

De onderstaande tabel geeft de verschillende gebruikte wetenschappelijke namen weer. Van de soort zijn alle namen weergegeven, van de ondersoorten voor de overzichtelijkheid alleen de oorspronkelijke en later aangepaste namen. Uitklapbare tabel van de synoniemen van de soort Chrysemys pictaOndersoort Chrysemys picta belliiOndersoort Chrysemys picta marginataOndersoort Chrysemys picta picta

Ondersoorten thumb|Midland sierschildpad in de natuurlijke habitat, Ottawa. De sierschildpad kent drie belangrijke variaties die ondersoorten worden genoemd. De ondersoorten zijn waarschijnlijk het gevolg van het samengaan van verschillende soorten door hybridisering. Lange tijd werd een vierde ondersoort erkend, de zuidelijke sierschildpad. Deze wordt tegenwoordig echter als een aparte soort gezien; Chrysemys dorsalis.

Ongeveer 18.000 jaar geleden kwamen de schildpadden al voor in delen van Noord-Amerika. Er waren drie verschillende soorten: een westelijke, een zuidelijke en een oostelijke soort. Deze soorten kwamen echter nog niet zo noordelijk voor als nu het geval is. Het noorden was toen nog bevroren en het was te koud voor schildpadden. De westelijke soort had een verspreidingsgebied in het zuidwesten van de Verenigde Staten en de zuidelijke soort kwam voor in het stroomgebied van de zuidelijke Mississippi. Toen de ijskappen in het noorden begonnen te smelten, kwam er levensruimte vrij voor de schildpadden en beide soorten kwamen na enige tijd samen voor. Door het samenkomen van deze twee soorten is de huidige ondersoort midlandsierschildpad ontstaan. De midlandsierschildpad verspreidde zich verder tot het oosten van de Grote Meren.

De oostelijke sierschildpad breidde zijn areaal uit langs de kust van de Atlantische Oceaan. In het noorden van het verspreidingsgebied van de oostelijke sierschildpad, rond de staten New York, is er een overlap in areaal met de midlandsierschildpad.

Er worden drie ondersoorten erkend die verschillen in uiterlijke kenmerken en het verspreidingsgebied, vooral de tekeningen op het buikschild zijn per soort erg afwijkend. De ondersoorten hebben allemaal een Nederlandstalige naam die verwijst naar de plaats waar ze voorkomen. In een aantal Amerikaanse staten binnen het areaal van de schildpad leeft komen ondersoorten voor die zich kunnen kruisen. In dergelijke staten is er een sterke genetische vermenging met andere ondersoorten. Hierdoor zijn de verschillende vormen soms moeilijk te onderscheiden.

De onderstaande tabel toont de huidige ondersoorten met hun Nederlandstalige en de wetenschappelijke naam, de schildlengte en de kleuren van de schildpad.. De verspreidingsgebieden zijn complex en worden onder het kopje verspreiding beschreven.

Ondersoorten van de sierschildpad (Chrysemys picta) Naam Rugschild Buikschild KenmerkenWestelijke sierschildpad(C. p. bellii)(Gray, 1831) 150px|centre 150px|centre Van de drie ondersoorten is dit de grootste, de schildlengte is meestal minstens ongeveer 18 centimeter, het grootste exemplaar mat 25 cm. De naden van de hoornschilden op het rug- en buikschild gaan niet in elkaar over en hebben een netvormig patroon van lijnen. De lengtestreep op het midden van het schild is slecht ontwikkeld of geheel afwezig. Het buikschild is voorzien van een grote donkere vlek in het midden die zich langs de naden van de buikschilden verbreidt.Oostelijke sierschildpad(C. p. picta)(Schneider, 1783) 150px|centre 150px|centre Het schild wordt 13 tot 18 cm lang. De naden tussen de hoornschilden zijn licht van kleur. De naden van de hoornschilden gaan in elkaar over en vormen een soort rooster. De lengtestreep op het midden van het schild is onderontwikkeld. De schildkleur is donker tot zwart. Het buikschild is geel van kleur en heeft geen donkere vlekken.Midland sierschildpad(C. p. marginata)Agassiz, 1857 150px|centre 150px|centre De schildpad bereikt een schildlengte van ongeveer 13 tot 18 centimeter. De naden van de hoornschilden op het rug- en buikschild gaan niet in elkaar over. De randen van de hoornschilden op het rugschild zijn licht en donker omzoomd. De lengtestreep op het midden van het schild is slecht ontwikkeld of geheel afwezig.

Uiterlijke kenmerken thumb|Detailopname van de kop en poten. De sierschildpad is een kleine tot middelgrote soort die een schildlengte bereikt van maximaal 25 centimeter. Er zijn ook kleinere ondersoorten, die ongeveer 9 tot 15 centimeter lang worden. Een grote volwassen schildpad weegt ongeveer een kilogram.

De schildpad dankt zijn naam sierschildpad aan de opvallende gele en rode kleuren, die zich op verschillende manieren manifesteren op diverse lichaamsdelen. De sierschildpad is verder een typische vertegenwoordiger van de moerasschildpadden. De soort is moeilijk van andere soorten te onderscheiden. Een voorbeeld is Trachemys venusta die een vergelijkbaar patroon van hoornschilden op de rug heeft en ook een gele strepentekening.

Kop De kop is typisch schildpadachtig en heeft een vorm die doet denken aan een peer. De schedel is aan achterzijde verbreed en wordt naar de snuitpunt toe smaller. De ogen zijn duidelijk te zien. Ze zijn relatief groot en hebben een gele tot bruine iris. De ogen hebben een ronde pupil, net als de meeste hogere dieren die overdag actief zijn. Door het oog loopt echter een donkere horizontale oogstreep, zodat het lijkt of het oog een horizontale spleetpupil heeft. Achter het oog is een gele oogvlek aanwezig, deze is nooit rood zoals gelijkende waterschildpadden zoals de bekendere roodwangschildpad.

De neusgaten liggen aan de voorzijde van de snuit. Hierdoor kan de schildpad grotendeels onder water blijven, maar toch ademen aan de oppervlakte, door slechts een klein deel van de kop boven water te steken.

De kop heeft een groengrijze tot groene basiskleur met een tekening van gele lengtestrepen. In tegenstelling tot bij andere moerasschildpadden is de kop nooit rood.

Schild thumb|Indeling van de hoornschilden van het schild; De sierschildpad heeft net als alle schildpadden een rugschild en een buikschild die als geheel een pantser vormen. Een verbinding tussen de poten verbindt de schilden met elkaar. Het rugschild wordt wel carapax genoemd en het buikschild is het plastron. In het pantser kan de schildpad zijn poten en kop bergen bij gevaar. Bij de sierschildpad is het schild voorzien van gele markeringen. Het schild bestaat uit een inwendig deel en een uitwendig deel. Het binnenpantser is opgebouwd uit bot en is ontstaan uit vergroeiingen van de ribben. Het uitwendige pantser bestaat uit chitineuze platen die de hoornschilden of hoornplaten worden genoemd. Het rugschild van de sierschildpad is ovaal van vorm. Het is platter in vergelijking met verwante soorten schildpadden.

Het inwendige pantser kan groeien, het uitwendige deel niet en de hoornschilden worden steeds vernieuwd. Dit wordt de vervelling genoemd en de hoornschilden laten eens per zoveel tijd los waarbij het nieuwe schild al aanwezig is. De hoornschilden vertonen bij veel schildpadden een reliëf zoals een bult of juist een kuiltje in het midden van het schild. Bij andere schildpadden zijn de hoornschilden concentrisch gegroefd, maar de sierschildpad heeft gladde hoornschilden zonder groeven of kielen. In vergelijking met andere soorten schildpadden is het schild vrij laag.

De hoornschilden van schildpadden hebben vaak een vaste configuratie. Het aantal hoornschilden maar ook de vorm en de positie ervan verschilt per soort. De hoornschilden van het rugschild van de sierschildpad hebben een regelmatige structuur en liggen in rijen. De middelste rij schilden worden de ventrale schilden of wervelschilden (V) genoemd. De rijen schilden aan weerszijden hiervan zijn de costale schilden (C) of ribschilden. Aan de rand van het schild zijn de marginale schilden (M) gelegen, ook wel randschilden genoemd. De sierschildpad heeft altijd twaalf marginaalschilden aan iedere zijde. De wervelschilden zijn zeer breed, de ribschilden zijn zeshoekig van vorm. Aan de voorzijde van het schild ligt tussen de marginaalschilden het nuchaalschild (N), dit is het enige enkelvoudige hoornschild.

Op het schild zijn geen opstaande kielen aanwezig zoals voorkomt bij verwante soorten moerasschildpadden. Ook doornachtige uitsteeksels van de schilden aan de voor- of de achterzijde van het rugschild ontbreken.