De Santa Maria del Popolo is een basiliek in Rome, gelegen aan de noordzijde van de Piazza del Popolo. De kerk heeft een centraal middenschip met twee zijbeuken die worden omringd door 12 zijkapellen. Ze werd in renaissancestijl gebouwd op het einde van de 15de eeuw, en kreeg rijke barokdecoratie in de tweede helft van de 17de eeuw. Ze herbergt werken van de belangrijkste Italiaanse kunstenaars zoals Caravaggio, Rafaël en Bramante. Voor pelgrims die vanuit het noorden Rome binnenkwamen langs de Porta Flaminia (nu meestal Porta del Popolo genoemd), was dit de eerste kerk die ze aantroffen in de stad.

Naam Het Italiaanse woord popolo betekent in het algemeen "volk", maar kan ook de specifieke betekenis hebben "gemeenschap van gelovigen" of "parochie". De naam zou dan betekenen "Santa Maria van de parochiegemeenschap". Deze verklaring van de naam wordt bevestigd door de gerespecteerde Enciclopedia Italiana. Zie https://www.treccani.it/vocabolario/popolo1/ sub 1.c, waar ook deze verklaring voor de naam van de basiliek wordt bevestigd.

Daarnaast werden ook andere verklaringen bedacht voor de oorsprong van de naam:

Het volk (Italiaans popolo, Latijn pǒpolus) van Rome zou de bouw van de kerk gefinancierd hebben, waardoor de kerk de naam kreeg del popolo, "van het volk". Een andere verklaring leidt popolo af van het Latijnse pōpulus (populier, Italiaans pioppo), waaruit dan verder wordt afgeleid dat er vroeger op het plein bij de basiliek populieren zouden hebben gestaan. Deze verklaring is nog minder aannemelijk aangezien er geen enkele aanwijzing is voor dergelijke bomen in die omgeving.

Geschiedenis Op de plaats van de huidige kerk stond aanvankelijk een kleine kapel, waarvan de stichting verbonden is met een legende. In de middeleeuwen werd beweerd dat de geest van keizer Nero in deze omgeving ronddwaalde rond een notelaar, en in de raven hier spookachtig rondzwierven zag men de aanwezigheid van duivels. Om het volk te verlossen van die angst voor die boze geesten, heeft paus Paschalis II in 1099 die notelaar laten omhakken en verbranden, en de as in de Tiber laten werpen. Op de plaats van die notelaar heeft hij dan een eerste kapel laten bouwen die hij wijdde aan Maria. Een andere verklaring stelt dat Paschalis II in 1099 de eerste kapel op deze plaats heeft laten bouwen als dank voor de herovering van het Heilig Graf te Jeruzalem in datzelfde jaar 1099 bij de eerste kruistocht.

Paus Gregorius IX liet deze kapel in 1227 vergroten tot kerk, volgens sommigen in het kader van een pestepidemie die de stad teisterde.

Die kerk werd in de periode 1472-1478 door paus Sixtus IV (geboren als Francesco della Rovere) in aanloop naar het Heilig Jaar 1475 afgebroken en vervangen door het huidige kerkgebouw in renaissancestijl. Als architect worden de namen van Baccio Pontelli, Meo del Caprina en Andrea Bregno genoemd, maar daarover bestaat geen uitsluitsel. De familie Della Rovere zou steeds nauw verbonden blijven met deze kerk, zoals blijkt uit verschillende grafkapellen van die familie en uit de werken die de latere pausen Julius II (Giuliano della Rovere) en Alexander VII (Fabio Chigi-della Rovere) er hebben laten uitvoeren.

Vanaf 1256 werd het heiligdom bediend door augustijner monniken die waren overgekomen vanuit de streek van Siena. In 1472 werd die taak overgedragen aan de congregatie van de augustijnen uit Lombardije, die het klooster bouwden dat tegen de kerk aanleunt. Tot op heden zijn het de augustijnen die deze kerk bedienen.

In 1587 werd de kerk door paus Sixtus V verheven tot basiliek.

Beschrijving De bouw en decoratie van de basiliek zijn grotendeels in twee verschillende periodes te situeren, waardoor twee verschillende kunstrichtingen elkaar treffen: de eerder sobere, rationele renaissancestijl uit het einde van de 15de eeuw en de weelderige barokdecoratie uit het midden van de 17de eeuw. Deze kerk was erg geliefd bij vele hoge geestelijken die er dan ook hun laatste rustplaats wensten. Hun artistieke graven, grafmonumenten en grafkapellen maken van deze kerk een waar museum.

Buitenzijde miniatuur|Santa Maria del Popolo, exterieur De gevel is bekleed met travertijn en is erg sober, wat typisch is voor de vroege renaissance: hij bestaat uit grote vlakken die worden gescheiden door platte lisenen, haast zonder diepte-effect. De enige originele gevelversieringen zijn te zien boven het centrale portaal: de marmeren deurlijsten rondom het hoofdportaal met daarboven het reliëf van Maria met Kind, en het rozetvenster. Boven de zijdeuren zijn de naam van de opdrachtgever en het jaartal 1477 te lezen. De bogen die de eerste orde van de gevel verbinden met de tweede orde, en de slingers naar het driehoekige fronton zijn pas in de barokperiode toegevoegd door Gian Lorenzo Bernini in opdracht van paus Alexander VII. De 6 heuvels op de top van het fronton waarop het kruis rust, alluderen op het wapenschild van deze paus.

Evenals het rozetvenster in de gevel is de “geschubde” kegelvormige klokkentoren eerder typisch voor Noord-Italië. Hieruit spreekt de invloed van de uit Lombardije afkomstige kloostergemeenschap aan wie de bediening van de kerk vanaf 1472 werd toevertrouwd.

De kerk heeft één centrale koepel boven de viering van schip en dwarsbeuk, en twee kleinere koepels die geplaatst zijn boven de Cybo-kapel en de Chigi-kapel (2 en 22 op het plan).

Aan de zijde van de Pincio-heuvel rest tegen de zijkant van de basiliek nog een klein gedeelte van het augustijnerklooster. Een groter kloosterhof werd in 1811 afgebroken om plaats te maken voor de verruiming van de Piazza del Popolo. Het gebouw dat tegen de basiliek aanleunt werd circa 1820 toegevoegd door de architect Giuseppe Valadier.

Schip en dwarsbeuken miniatuur|grondplan Het middenschip is overwelfd door kruisgewelven. Het is van de zijschepen afgescheiden door zware pilasters waartegen halfzuilen aanleunen. De pilasters zijn verbonden met rondbogen, waarboven in de barokperiode telkens twee liggende beelden van heiligen in stucwerk zijn toegevoegd. Deze toevoeging gebeurde onder het pontificaat van Alexander VII, wiens wapenschild te zien is op de boog die de voorste twee pilasters verbindt over het middenschip heen.

Boven de kruising van middenschip en dwarsbeuk verrijst de koepel. Het fresco op de binnenzijde ervan stelt de Glorie van de Maagd Maria voor (1657). In de pendentieven zijn vier vrouwelijke personages uit het Oude Testament afgebeeld: Ruth, Deborah, Esther en Judith.

De wanden van beide zijschepen dragen vele artistieke grafmonumenten en geven elk aansluiting op vier grafkapellen met grote artistieke waarde.

Het dwarsschip is aan beide zijden afgesloten met een ondiepe apsis (6 en 18 op het plan) met een altaar. De altaarschilderijen erboven zijn naar ontwerp van Bernini sculpturaal omkaderd met figuren die in theatrale houdingen het schilderij presenteren.

Aan weerszijden van het priestergedeelte sluiten twee grafkapellen aan op het dwarsschip (7 en 8; 16 en 17 op het plan). Daarboven bevindt zich zowel links als rechts van het priestergedeelte een orgel. Het rechtse orgel is naar ontwerp van Bernini gedecoreerd in de vorm van een eik die z'n takken rondom de orgelpijpen slingert: een allusie op de naam van de opdrachtgever paus Alexander VII, geboren als Fabio Chigi-della Rovere (het Italiaans woord rovere betekent wintereik). Onder het rechtse orgelbalkon houdt een zwevende engel het wapenschild van Alexander VII omhoog.

Priestergedeelte miniatuur|hoogaltaar en triomfboog De triomfboog dateert uit 1627 en is in barokstijl versierd met verguld stucwerk. De 5 grote panelen op de binnenzijde ervan, naar het altaar gericht, beelden de stichtingslegende uit van de bouw van de eerste kapel op deze locatie: paus Paschalis II hakt de notelaar om, om de boze geesten te verdrijven. Op de kleinere panelen die naar het schip zijn toegewend, staan engelen en allegorische voorstellingen. Bovenaan op de triomfboog prijkt het wapenschild kardinaal Antonio Maria Sauli die de triomfboog en het hoofdaltaar heeft laten uitvoeren.

Boven het altaar is de "Madonna del Popolo" tentoongesteld: een icoon waarvan vroeger werd verondersteld dat hij zou geschilderd zijn door Sint Lucas en die dan ook sterk werd vereerd. Later is achterhaald dat hij het werk is van Filippo Rusuti en dateert uit de 13de eeuw. Deze icoon is gevat in een rijkelijk gedecoreerd aedicula uit 1627 (9 op het plan).

Aan weerszijden van het hoofdaltaar is onder een heiligenbeeld een doorgang naar het achterliggende koorgedeelte dat in het eerste decennium van de 16de eeuw werd toegevoegd door Bramante in zuivere renaissancestijl. Het gewelf van het koor werd in 1508 door Pinturicchio beschilderd met een geraffineerd fresco (10 op het plan) waarin de kroning van Maria en verder de vier evangelisten, vier sibillen en vier kerkvaders zijn voorgesteld. Tegen de wanden van het koor staan de graven die paus Julius II heeft laten oprichten voor de kardinalen Ascanio SforzaAscanio Sforza was de broer van Ludovico Sforza bijgenaamd "il Moro", hertog van Bari en regent van Milaan. Hoewel de pauselijke staat door de jaren heen diverse conflicten met de familie Sforza had gekend, hoopte Julius II met dit eerbetoon de heersers van Milaan gunstig te stemmen. en Girolamo Basso della Rovere, werken uit het begin van de 16de eeuw van de hand van Andrea Sansovino.

Achteraan in de apsis bevinden zich twee van de oudste composities van glas-in-loodramen van Rome. Ze werden in 1509 vervaardigd door Franse glazeniers in opdracht van paus Julius II en beelden scènes uit het leven van Maria en uit de kindertijd van Jezus uit.

Zijkapellen De basiliek is vooral beroemd om de artistieke waarde van de 12 zijkapellen die door rijke families werden ingericht als grafkapel en zijn gedecoreerd door grote Italiaanse kunstenaars.

Kapellen aan de rechterzijde miniatuur|kapel Basso-Della Rovere In de Della Rovere-kapel (1 op het plan) dateert uit het einde van de 15de eeuw. Tegen de zijmuren staan de grafmonumenten van de kardinalen Domenico en Cristoforo della Rovere, naamgenoten (maar geen familieledenZie https://www.treccani.it/enciclopedia/cristoforo-della-rovere_(Dizionario-Biografico)/. Cristoforo overleed in 1478, Domenico in 1501.) van paus Sixtus IV. Deze monumenten werden ontworpen door Andrea Bregno. Boven het altaar van deze kapel schilderde Pinturicchio het fresco "De aanbidding van het Kind": de pasgeboren Jezus ligt tussen Jozef en Maria, en wordt aanbeden door de herders terwijl in de verte de koningen de heuvel afdalen. De inscriptie onder het altaarfresco wijdt kapel aan Moeder Maria en Sint Hiëronymus. Legenden uit het leven van deze heilige zijn te zien in de lunetten van het parapluvormige gewelf van deze kapel. De Cybo-kapel (2 op het plan) is genoemd naar de familie Cybo de deze kapel in 1685 liet herinrichtenOorspronkelijk was ook deze kapel beschilderd door Pinturicchio. door Carlo Fontana. De kapel heeft de vorm van een Grieks kruis en is bezet met veelkleurig marmer, met onder andere 16 zuilen van jaspis. Het altaarschilderij is werk van Carlo Maratta.