De betrekkingen tussen Nederland en België gaan eeuwen terug vanwege de gezamenlijke geschiedenis die beide landen delen. Tussen 1815 en 1830 vormden zij samen zelfs één land, het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, maar hier kwam na de Belgische Revolutie een einde aan. De huidige betrekkingen worden, mede als gevolg van die gedeelde geschiedenis, gekenmerkt door uitgebreide banden op het gebied van cultuur, instellingen, taal, op elkaar afgestemde veiligheidsbelangen, sporttoernooien en een levendige samenwerking op het gebied van handel en investeringen.
Nederland heeft een ambassade in Brussel en consulaten in Antwerpen, Gent, Luik en Namen.België - portal (NL), geraadpleegd op 4 november 2008. België heeft op zijn beurt een ambassade in Den Haag en consulaten in Amsterdam, Maastricht, Nijmegen, Roosendaal, Rotterdam, Terneuzen, Vlissingen en Winsum. Beide landen zijn leden van de Europese Unie en ze vormen samen met Luxemburg de Benelux.
Landenvergelijking
Geschiedenis Romeinen en middeleeuwen
Met de komst van de Romeinen naar de Lage Landen eindigde de prehistorie in Nederland en België. Hoewel geheel Nederland enkele jaren werd bezet, was de Rijn de voornaamste grens van het Rijk. De regio was onderverdeeld in twee provincies: Gallia Belgica en Germania Inferior. In 358 kregen de Franken toestemming van keizer Julianus om zich als foederati in de Scheldevallei en Toxandrië te vestigen.
Na de val van het West-Romeinse Rijk kwam het grootste gedeelte van Nederland en België in het Frankische Rijk te liggen, met uitzondering van het noorden dat onderdeel was van koninkrijk Friesland. De Friezen wisten een belangrijke schakel te vormen in de handel op de Noordzee en tussen de Oostzee en het zuiden waardoor het aanzienlijke invloed uitoefende op Nederland en het noorden van België. In de tussentijd waren er geregeld oorlogen tussen de Friezen en Franken. Een belangrijke factor was hierin het christendom; de Friezen weigerden zich te bekeren. Vanaf het einde van de zevende eeuw kwamen missionarissen als Willibrord en Bonifatius naar de Lage Landen om de mensen daar te bekeren, met wisselend succes. In 734 kwamen uiteindelijk de gehele Nederlanden onder Frankisch bestuur. Dit groeide uiteindelijk onder Karel de Grote uit tot een feodaal systeem.
thumb|De verschillende heerlijkheden die in Nederland in de 14e eeuw bestonden. Met het Verdrag van Verdun uit 843 werd het immense Frankische Rijk in drieën gedeeld, het grootste gedeelte van Nederland en België kwam in Midden-Francië te liggen, terwijl Vlaanderen in West-Francië lag. Het noordelijkste gedeelte van Midden-Francië werd hertogdom Neder-Lotharingen genoemd en omvatte het huidige Nederland, België (zonder Vlaanderen), delen van Noord-Frankrijk en West-Duitsland. In 870 werd door middel van het Verdrag van Meerssen het Middenrijk opgeheven en verdeeld onder West- en Oost-Frankische Rijk. Globaal gezien kwamen hierdoor de gebieden ten zuiden en westen van de Maas in West-Francië, het latere Frankrijk, te liggen en alles ten noorden en ten oosten van de Maas in Oost-Francië, het latere Heilige Roomse Rijk. Door de invallen van de Vikingen en de passieve houding van de koning en keizer, moesten de Nederlanden zichzelf verdedigen. Hierdoor kregen de lokale heersers zo veel macht dat ze alleen nog maar in naam voor hun koning of keizer regeerden en zo goed als onafhankelijke landsheerlijkheden ontstonden. Vlaanderen was een van de eerste en machtigste van de heerlijkheden in de regio.
Deze ontwikkelingen zetten zich door ook toen de Vikingaanvallen ophielden. Waardoor rond 1200 het grootste gedeelte van de Nederlanden werden geregeerd door Brabant, Gelre, Holland en Vlaanderen. Vanaf het jaar 1000 had West-Europa zich hersteld van de "donkere eeuwen" en groeiden de bevolking en economie aanzienlijk. Het zwaartepunt van de economische handelingen in de Nederlanden lag toen in Vlaanderen en Brabant met zowel het Rijnland als Engeland vlakbij. De machtige steden in dit gebied wisten de macht van de adel en geestelijken in te perken en er ontstond een bloeiende textielindustrie. Vanaf de veertiende eeuw wisten ook de steden in het noorden van de Nederlanden van de opbloeiende handel te profiteren vanaf de Oostzee, het Hanzeverbond speelde hierin een zeer belangrijke rol. De macht van Holland nam in deze tijd langzaam maar zeker toe.
Het politieke klimaat in de Nederlanden was complex door constant wisselende allianties en personele unies, zo waren Henegouwen, Holland en Zeeland van 1299 tot 1356 verbonden in een personele unie onder het huis Avesnes. Toen dit huis uitstierf, werd het door het huis Wittelsbach overgenomen en werd er bij deze unie ook nog Friesland en Neder-Beieren gevoegd: hertogdom Beieren-Straubing. Door veroveringen was Vlaanderen tevens niet langer alleen gelegen in het voormalige West-Francië, maar ook in Oost-Francië. Hierdoor ontstond de situatie dat de graaf van Vlaanderen zowel in naam van de koning van Frankrijk (Kroon-Vlaanderen) regeerde als in naam van de Roomse keizer (Rijks-Vlaanderen).
Van de Bourgondische tot de Franse Tijd
Door huwelijkspolitiek kwamen uiteindelijk Vlaanderen en Artesië in handen van de hertogen van Bourgondië. Filips de Goede breidde zijn rijk zelfs nog uit met Namen (1429), Brabant en Limburg (1430), Holland, Zeeland en Henegouwen (1433) en Luxemburg (1443) waardoor de Nederlanden sinds eeuwen weer onder één leider werden verenigd. Filips begon met een centralisatie-politiek en richtte onder andere de Staten-Generaal der Nederlanden op. Onder Karel de Stoute werd tevens het Hertogdom Gelre bij Bourgondië gevoegd. Na de dood van Karel in de Slag bij Nancy werd het hertogdom opgedeeld en kwamen de Nederlandse gewesten toe aan het huis Habsburg toen Karel V in 1506 heer der Nederlanden werd, brak de Spaanse tijd aan.
De gehele Nederlanden waren nu een onderdeel geworden van het Spaanse rijk, dat zich inmiddels ook in de Nieuwe Wereld had gevestigd, en werden bestuurd vanuit Madrid. De Reformatie was intussen in volle gang. Vervolgingen van zogeheten "ketters" en ingrijpende belastingmaatregelen om het onderdrukkingsapparaat te financieren zorgden voor ontevredenheid en opstand, die werd ingeleid door het Smeekschrift der Edelen. Deze opstand staat bekend als de Tachtigjarige Oorlog. Het calvinisme kreeg aanvankelijk vooral voet aan de grond in de Zuidelijke Nederlanden. Hier waren de bosgeuzen actief en er ontstonden ook de eerste calvinistische stadsbesturen, zoals in Brugge, Gent en Antwerpen. Aangezien deze stadsbesturen op hun beurt de godsdienstvrijheid niet in acht namen ontstond er ontevredenheid onder de edelen, waaruit de malcontenten voortkwamen. Toen de bekwame veldheer Parma naar de Nederlanden werd gezonden was hij, mede daardoor, in staat om de Zuidelijke Nederlanden te heroveren. Dit leidde dan weer tot een uittocht van vele Doopsgezinden en Calvinisten, die vaak in de economische en culturele bovenlaag gezocht konden worden, naar de Noordelijke Nederlanden. De nog steeds in Nederland bestaande Waalse kerk is daar een overblijfsel van. Later kwamen overigens ook veel Franse hugenoten naar Nederland.
In de Noordelijke Nederlanden lag de situatie geheel anders. Reeds in een vroeg stadium wisten de watergeuzen daar een bruggenhoofd op te bouwen en werd door de Staatsen een aanzienlijk grondgebied veroverd, te beginnen met de verovering van Den Briel in 1572. Door de geografische ligging en de toevloed van vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden, ontstond spoedig een militair, economisch en cultureel machtige natie, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Onder Frederik Hendrik veroverde deze het noordelijk deel van de Zuidelijke Nederlanden, met name de meierij van 's-Hertogenbosch. Het noorden en midden van de huidige Nederlandse provincie Limburg bleef Spaans (Opper-Gelre).
Tijdens en na de Tachtigjarige Oorlog werd een groot aantal vestingwerken aangelegd aan beide zijden van de grens. In Zeeuws-Vlaanderen en het aangrenzende Vlaamse gebied staan deze bekend als de Staats-Spaanse Linies.
In 1648 werd, dankzij de Vrede van Münster, een eind gemaakt aan het conflict. De zuidelijke gebieden in de Noordelijke Nederlanden, overeenkomend met Staats-Vlaanderen, een groot deel van Staats-Brabant en een deel van Staats-Overmaas werden gebruikt als een soort wingewest en bufferzone, de Generaliteitslanden. Hier vond een aaneenschakeling van militaire activiteiten plaats, vaak conflicten betreffende die in de Zuidelijke Nederlanden speelden, zoals de Spaanse Successieoorlog en de Oostenrijkse Successieoorlog. Curieus was ook de Keteloorlog uit 1784.
Uiteindelijk werd aan dit alles een eind gemaakt met de komst van de Fransen aan het einde van de 18e eeuw. Een groot deel van het huidige België, en ook delen van Nederland, werden bij Frankrijk ingelijfd. Van belang is in dit verband de uitruil tussen Lommel, dat tot de Meierij van 's-Hertogenbosch behoorde (en toen deel uitmaakte van Bataafs-Brabant), en Luyksgestel, dat tot dan toe tot de Zuidelijke Nederlanden (en toentertijd tot het Franse departement Nedermaas) had behoord. Dit geschiedde per decreet in 1807, wat de aanleg van het Kanaal Bocholt-Herentals over -toen Frans - gebied mogelijk maakte.
Verenigd Koninkrijk der Nederlanden
Na de napoleontische oorlogen werd in 1815 het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden opgericht, waar België en Nederland werden verenigd onder koning Willem I. In 1830 kwam het, met steun van Frankrijk en onder leiding van de rijke voornamelijk Franstalige burgerij, in de Zuidelijke Nederlanden echter tot een opstand, de Belgische Revolutie. De Zuidelijke Nederlanden riepen op 4 oktober 1830 de onafhankelijkheid uit als eentalige Franse staat. Mede door de militaire dreiging van Frankrijk accepteerde Willem I in 1839 de onafhankelijkheid van België in het Verdrag van Londen. Hierin werden onder andere ook de IJzeren Rijn en de Belgische toegang tot de Westerschelde afgesproken, die nog voor vele moeilijkheden tussen Nederland en België zouden zorgen, alsook het afgeven van Zeeuws-Vlaanderen, Het groothertogdom Luxemburg en het noordelijke deel van Limburg aan Nederland.
Een zeer specifiek gevolg van de Belgische afscheiding was, dat Nederland plotsklaps nauwelijks industrie meer had. Met name in het Luikse bekken en in Verviers was in België de industriële revolutie al sinds het einde van de 18e eeuw ingezet en in 1839 al vergevorderd. Hier kwam nog bij dat de Nederlandse overheidsfinanciën, mede door de afscheidingsoorlog, dringend gesaneerd moesten worden. Uiteindelijk heeft de afscheiding ertoe geleid dat Nederlandse ondernemers vaklieden uit het Luikse ronselden en met behulp van dezen eigen industriële bedrijven gingen opzetten. De activiteiten van Petrus Regout in Maastricht vormen daarvan het duidelijkste voorbeeld, zie ook: Industriële Revolutie in Nederland.
De Vlaamse historicus Kris Clerckx bestudeerde documenten uit het Koninklijk Huisarchief te Brussel waaruit bleek dat koning Leopold II van België serieuze plannen had om Nederland binnen te vallen en daartoe spionage-opdrachten uitvoerde. De Franse keizer Napoleon III was hiertegen waardoor het plan nimmer ten uitvoer kwam.Nederlands Dagblad 24 juni 2009. Gearchiveerd op 29 november 2014.
Eerste Wereldoorlog en interbellum