thumb|400px|Kaart van de tocht van de Tienduizend door het Perzische Rijk en door Thracië.

De Tocht van de Tienduizend was de tocht die gemaakt werd door ongeveer 10.000 Griekse huursoldaten, vooral hoplieten, ingehuurd door Cyrus de Jongere om zijn broer, Artaxerxes II, van de Perzische troon te stoten.

De Tocht van de Tienduizend begon op 6 maart 401 voor Christus te SardisXenophon's Anabasis, waar de Grieken zich aansloten bij het Achaemenidische leger van Cyrus. De mars bracht de troepen naar Cunaxa, een dorpje dicht bij Babylonië, waar ze bij Cunaxa de strijd aanbonden met Artaxerxes' leger. De Grieken wonnen hun deel van de slag, maar Cyrus sneuvelde, waardoor de Grieken in het midden van een groot rijk zonder leider achterbleven.

De leiding over het huurlingenleger werd overgenomen door de Griekse generaals, maar deze werden opgepakt en geëxecuteerd door de Perzische sjah tijdens de mars. De Grieken marcheerden verder door het bergachtige landschap van Klein-Azië, waar ze erg te lijden hadden onder de voortdurende aanvallen van vijandelijke bergstammen, een tekort aan voedsel en de aanhoudende sneeuw. Toen ze een glimp van de zee zagen, riepen de soldaten de legendarische woorden "Thalassa! Thalassa!" ("Zee! Zee!") uit.

Hierna marcheerden ze naar Thracië, waar ze een korte periode in dienst kwamen van koning Seuthes. Daarna werden ze ingehuurd door de Spartanen om een veldtocht te houden tegen de Perzische satraap Tissaphernes.

Daarmee hield in 399 v.Chr. de Mars van de Tienduizend op, twee jaar nadat ze vertrokken waren. Deze tocht werd beschreven door Xenophon, die na de moord op de generaals een deel van de leiding van het leger op zich had genomen, in zijn Anabasis.

De tocht en de gevechten die hadden plaatsgevonden toonden aan hoe zwak een hoplietenleger was dat niet ondersteund werd door cavalerie en lichte infanterie. Een halve eeuw later kwamen er echter belangrijke hervormingen onder Philippus II van Macedonië waarna er veel meer cavalerie en grote aantallen lichte troepen werden ingezet.

Gebruikte bronnen De voornaamste bron van de Tocht van de Tienduizend is de Anabasis van Xenophon. Aangezien Xenophon zelf deelnam aan deze tocht en een hoge functie innam, zal hij de feiten mogelijk subjectief neergezet hebben. Aangezien Cyrus degene was geweest waarvoor Xenophon werkte, zou hij diens daden altijd positief hebben willen voorstellen. Ook benadrukt Xenophon duidelijk de zwakheid van de Aziatische troepen. Daarom moet deze bron waarschijnlijk met een korreltje zout genomen worden.

Ook Plutarchus geeft een relaas over de oorzaken van dit conflict. Hoewel hij zijn werk vier eeuwen na de gebeurtenis zelf schreef, is hij objectiever dan Xenophon, met name wanneer hij de redenen geeft voor de oorlogsverklaring van Cyrus aan zijn broer Artaxerxes.

Achtergrond thumb|Griekse hoplieten in de befaamde falanx. Na de dood van de Perzische sjah Darius II werd zijn zoon Artaxerxes de sjah van zijn enorme rijk. Zijn broer Cyrus had van zijn vader daarvoor het bestuur over de belangrijkste satrapieën in Klein-Azië gekregen, Lydië, Phrygië en Cappadocië, maar was jonger dan Artaxerxes en daarom niet de troonopvolger. Volgens Xenophon probeerde de satraap Tissaphernes Cyrus verdacht te maken bij zijn broer; hij zei Artaxerxes dat zijn broer een staatsgreep aan het voorbereiden was. Artaxerxes nam Cyrus gevangen en wilde hem laten executeren. Hun moeder, Parysatis, kwam echter tussenbeide en zorgde ervoor dat Cyrus werd vrijgelaten en hij kon terugkeren naar zijn satrapieën.Xenophon, Anabasis, I.1.3

Na zijn terugkeer wilde Cyrus deze vernedering wreken en onafhankelijk worden van het rijk of zelfs het koningschap overnemen. Hij had de steun van zijn moeder, want zij hield volgens Xenophon meer van hem dan van zijn broer. Hij maakte heimelijk een leger klaar, dat hij vooral samenstelde uit Klein-Aziaten. Hij wilde ook Griekse huurlingen in zijn leger hebben, want hun gevechtskracht en ervaring maakte hen een geduchte tegenstander voor de lichtbewapende en onervaren Perzen. Hij deed dit in het allergrootste geheim, want hij wilde niet dat zijn broer zich hierop kon voorbereiden. Hij liet zijn commandanten Griekse hoplieten uit de Peloponnesos rekruteren. Als reden gaf hij op dat dit was omdat Tissaphernes een plan aan het voorbereiden was om hem aan te vallen. Tissaphernes had vroeger de steden in Ionië bestuurd, maar deze waren alle, uitgezonderd Milete, overgelopen naar Cyrus.

Volgens Plutarchus echter rebelleerde Cyrus tegen zijn broer, omdat anderen, die vonden dat Artaxerxes niet bekwaam genoeg was om het grote Perzische Rijk te besturen, hem hiertoe aanzetten. Ze waren van mening dat Cyrus dit wel was, waarna ook andere satrapieën Artaxerxes de oorlog verklaarden, gesteund door Cyrus. Plutarchus geeft ook geen enkele keer een vermelding van de gevangenneming van Cyrus door Artaxerxes. Ook was de operatie volgens Plutarchus geen geheim, waardoor Tissaphernes meteen Artaxerxes kon waarschuwen voor deze dreiging.Plutarchus, Parallelle Levens, Artaxerxes.

Het leger wordt verzameld De Spartaanse banneling Klearchos rekruteerde voor Cyrus een leger bij Abydos. Cyrus had hem tienduizend darieken gegeven.Dit stond gelijk aan 200.000 drachmen; een drachme was het gemiddelde dagloon van een Atheense arbeider. Klearchos had vroeger met geld van Cyrus een leger aangeworven om tegen de Thraciërs te vechten. Uit dank hielp hij nu ook Cyrus. Ook verwachtte Cyrus hulp van Aristippos van Thessalië. Hij had hem geholpen door hem een leger te sturen, maar dit leger kon hij terugroepen. Hij gaf een andere Griek, Proxenos van Boeotië, ook de opdracht om zoveel mogelijk soldaten aan te werven en naar hem toe te komen. Hij vroeg ook Sofainetos van Stymphalos en Sokrates van Achaea om zich met zoveel mogelijk troepen bij hem te voegen. Alle drie gingen ze op zijn verzoek in.Xenophon, Anabasis, I.1.4

Toen Cyrus vond dat het tijd was voor actie, liet hij zowel zijn Aziatische als Griekse troepen naar zich toe komen, nu onder het mom van een expeditie om de Pisidiërs uit zijn gebieden te verdrijven. Klearchos moest met zijn volledige leger naar hem toe komen. Aristippos moest zoveel mogelijk mannen naar hem toe sturen. Xenias van Arkadië, die al in dienst was bij Cyrus, moest ervoor zorgen dat Cyrus' steden voldoende verdedigd waren en dan met de rest van zijn leger naar hem toe komen. Hij gaf allen de opdracht om naar Sardis te komen. Xenias kwam aan met 4.000 hoplieten; Proxenos kwam met 1.500 hoplieten en 500 lichtbewapenden; Sofainetos kwam met 1.000 hoplieten; Sokrates met 500 hoplieten; en Pasion van Megara kwam met 300 hoplieten en 300 peltasten. Tissaphernes wist dat zo'n grote strijdmacht niet diende om tegen de Pisidiërs te vechten en haastte zich naar Artaxerxes om hem te waarschuwen. Die begon ook zijn leger te mobiliseren.

De opmars Begin van de opmars Op 6 maart 401 voor Christus vertrok Cyrus met zijn troepen uit Sardis. In de eerste drie dagmarsen legde hij een afstand van 120 km af. Hij stak de rivier de Meander over via een schipbrug van zeven schepen. In een dagmars bereikte hij Kolossai, een grote, rijke stad, 45 kilometer verderop. Tijdens de week die hij daar bleef voegde Menon van Pharsalos zich bij hem met 1.000 hoplieten en 500 peltasten. In drie dagmarsen trok Cyrus naar Kelainai, 110 km verder. Cyrus bleef een maand in deze stad. Hier voegde Klearchos zich bij hem met 1.000 hoplieten, 800 Thracische peltasten en 200 Kretenzische boogschutters. Tegelijk met hem arriveerden ook Sosis van Syracuse met 300 hoplieten en Sofainetos van Arkadië met 1.000 hoplieten. Hierna vertrok hij naar Peltai, dat hij in twee dagmarsen bereikte, een afstand van 55 km. Hij bleef er 3 dagen. Van Peltai trok hij in twee dagmarsen naar Keramoon Agora, een afstand van 65 km. Daarna bereikte hij in drie dagmarsen Kaustroupedion, een afstand van 165 km. Hij bleef vijf dagen in deze stad. In Kaustroupedion betaalde Cyrus zijn leger soldij voor vier maanden. Toen legde hij in twee dagmarsen 55 km af naar Thymbrion. Van Thymbrion trok hij in twee dagmarsen naar Tyriaeon, een afstand van 55 km. Hij bleef er drie dagen. Hier voegde Cyrus' grote Aziatische leger zich bij hem. Van Tyriaeon legde hij in drie dagen de 110 km naar Iconium af. Hij bleef drie dagen in deze stad. Van hieruit ging hij in vijf dagen naar Lykaonië, 165 km van hen. De Grieken mochten deze streek plunderen omdat het vijandig gebied was. Hierna trok hij weer verder en bereikte in vier dagen Dana, een stad die 140 km van Lykaonië lag. Ze bleven er drie dagen. Hierna probeerden ze Cilicië binnen te komen. De pas van het gebergte dat ze moesten oversteken (De Cilicische poorten, nu de Gülek-pas) werd echter versperd door de Ciliciër Syennesis met zijn leger. Daarom bleven ze overnachten op een vlakte. De volgende dag was Syennesis echter gevlucht omdat een deel van het leger onder Menon al aan de andere kant van de pas stond. Toen het leger weer afdaalde uit de bergen kwamen de soldaten in een vlakte. Door deze vlakte trokken ze in vier dagen naar Tarsus, dat 140 km van hen af lag.

In deze stad lag het paleis van Syennesis. De inwoners hadden de stad verlaten en Syennesis had zich teruggetrokken in de bergen en een sterke positie bezet. Toen ze aankwamen in Tarsus, bereikte hen het nieuws dat er twee compagnieën van Menon waren gesneuveld. Het was niet echt duidelijk hoe dat was gebeurd. Volgens sommigen van de soldaten waren ze afgemaakt door de Ciliciërs, anderen zeiden dat ze het leger waren kwijtgeraakt, verdwaald waren geraakt en waren omgekomen. Het was wel zeker dat het om honderd man ging. De anderen van Menons leger hadden bij aankomst uit woede het paleis al geplunderd. Cyrus ontbood toen Syennesis, maar die wilde niet naar hem toe gaan, tot zijn echtgenote hem overhaalde. Bij de hieropvolgende ontmoeting gaf Syennesis Cyrus een grote som geld voor zijn leger. Cyrus gaf hem geschenken die dienden als eerbewijzen. Verder deed hij de belofte dat Syennesis' gebied niet meer geplunderd zou worden en dat hij de gevangenen die zijn mannen hadden gemaakt terug zou geven.Xenophon, Anabasis, I.2

Muiterij Cyrus bleef drie weken met zijn leger in Tarsus. De soldaten weigerden namelijk verder te gaan, want ze begonnen te vermoeden dat de opmars tegen Artaxerxes gericht was, en ze zeiden dat ze daarvoor niet in dienst waren gekomen. Eerst probeerde Klearchos zijn eigen soldaten te dwingen om verder te gaan, maar ze begonnen hem te bekogelen met stenen. Later riep hij zijn mannen nog eens bijeen en sprak hen toe. Hij zei dat hij Cyrus wel moest helpen omdat Klearchos dankzij diens geschenk de Thraciërs had verslagen. Hij liet hen weten dat hij liever ook niet tegen de sjah wilde optrekken, maar dat hij het verschuldigd was aan Cyrus. Toen de mannen dit gehoord hadden, leken ze erg enthousiast. Niet enkel Klearchos' mannen, maar ook de rest van het leger. Daarna deed hij nog een toespraak, waarin hij zei dat als ze Cyrus zouden verlaten, ze geen loon meer zouden krijgen en ze ook geen voedsel meer hadden. De mannen hadden dus geen keus en moesten wel meegaan, maar Cyrus verhoogde ook hun loon, waardoor het moreel van de soldaten weer op peil gebracht was.Xenophon, Anabasis, I.3

De opmars gaat verder thumb|De Eufraat.