thumb|Huidige Zwarte Zee (lichtblauw) en in 5600 v.Chr. (donkerblauw) volgens de hypothese van Ryan en Pitman De Zwarte Zee-overstromingshypothese is een hypothetische catastrofale stijging van het niveau van de Zwarte Zee rond 5600 v.Chr., te wijten aan het doorbreken van wateren van de Middellandse Zee in de Bosporus.
De Zwarte Zee was een reusachtig zoetwatermeerDe Zwarte Zee had toen een oppervlakte van circa 325.000 tot 350.000 km². Tegenwoordig is de oppervlakte 422.000 km². gedurende het laatste glaciaal, het Weichselien. Enerzijds stonden de oceanen en de daarmee in open verbinding staande Middellandse Zee 120 m lager dan het huidige niveau omdat veel water lag opgeslagen in enorme landijsmassa's. Anderzijds stond de Zwarte Zee zelf ook 70 tot 155 m lager dan nu door de toegenomen verdamping en verminderde aanvoer van rivieren. Waar zich nu de Bosporus bevindt, was er enkel een droge depressie van circa 15 tot 50 m diep.
Er was dus geen verbinding tussen de Zwarte Zee en de Middellandse Zee; de Zwarte Zee was een endoreïsch bekken. De Zwarte Zee werd steeds zoeter door de aanvoer van rivierwater.Dit kan worden aangetoond door een laag zoutgehalte van de sedimenten en de overblijfselen van fauna van de Zwarte Zee uit die tijd.
Toen na het glaciaal de zeespiegel weer steeg, kwam er een moment dat de Middellandse Zee en de Zwarte Zee weer met elkaar werden verbonden. Over de manier waarop dat gegaan is, bestaan verschillende inzichten. De twee voornaamste theorieën worden gegeven door de geologen William Ryan en Candace Major. RyanMarine Geology 138 (1997) 119-126, An abrupt drowning of the Black Sea shelf William B.F. Ryan, Walter C. Pitman III, Candace 0. Major, Kazimieras Shimkus, Vladamir Moskalenko, Glenn A. Jones, Petko Dimitrov, Naci Goriir, Mehmet Saking, Hiiseyin Yiice. veronderstelde een snelle - circa 1 tot 3 jaar durende - mogelijk zelfs catastrofale reconnectie van de Zwarte Zee met de Middellandse Zee rond 5600 v.Chr. Deze veronderstelde catastrofe wordt wel in verband gebracht met de verspreiding van het Neolithicum, de zondvloed en het Gilgamesj-epos. Candace O. MajorQuaternary Science Reviews 25 (2006) 2031–2047, The co-evolution of Black Sea level and composition through the last deglaciation and its paleoclimatic significance, Candace O. Major, Steven L. Goldstein, William B.F. Ryan, Gilles Lericolais, Alexander M. Piotrowski, Irka Hajdas. stelt daarentegen dat de Zwarte Zee rond 7400 v.Chr. op een rustige - enkele decennia tot enkele eeuwen durende - manier vanuit de Middellandse Zee is volgelopen. De geologen Turneya en BrownQuaternary Science Reviews 26 (2007) 2036–2041, Catastrophic early Holocene sea level rise, human migration and the Neolithic transition in Europe, Chris S.M. Turneya, Heidi Brown. hebben een compromis voorgesteld en geven tevens een beeld van hoe de verspreiding van het neolithicum door deze gebeurtenis versneld zou kunnen zijn.
Theorie catastrofaal vollopen Zwarte Zee rond 5600 v.Chr. thumb|right thumb|right Men ontdekte op wat nu de bodem van de zee is, een begraven laag van schelpengruis, doorsneden door meanderende rivierbeddingen, rivierdelta's en stranden.Het schelpengruis bestaat volledig uit gruis van de zoetwater Kaspische-mollusk Dreissena, geërodeerd door de zand- en kleilagen die eronder liggen. De nog intacte schelpen in deze laag hebben een bepaalde verhouding van O16/O18 isotopen die wijst op een zoetwateromgeving. De kleilaag onder dit schelpengruis bevat overvloedig plantaardig materiaal, wortels, slakken en scheuren door uitdroging. Het lijkt erop dat hier vroeger een kust-moeras was. Het ligt nu circa 140 m diep onder water.C14-datering van schelpen in het gruis komt op 12.700 tot 8400 v.Chr. De leeftijd van omgewoelde mollusken in de gruislaag komt op 6250 v.Chr.Het sediment dat over die alomtegenwoordige gruislaag ligt is een vochtig, donker, geleiachtige sapropeel (zwarte, zuurstofarme modder). Het is een structuurloze, overal even dikke laag die overal overheen ligt.
Eerdere onderzoekingen rapporteerden al löss-lagen, vloedlijnen, kustafzettingen en strandterrassen uit een periode van 15.780 tot 7660 v.Chr. op diepten tussen 93 en 122 m en op grote diepte verborgen rivierdalen die suggereren dat het wateroppervlakte in het glaciaal minimaal 110 m lager dan nu lag.
Ryan stelde dat er twee mogelijke verklaringen zijn: Circa 10.000 v.Chr. was het glaciaal afgelopen en begonnen de oceanen weer te stijgen. Circa 7000 v.Chr. stonden ze op circa 35 meter onder het huidige niveau.M. Siddall et al, "Sea-level fluctuations during the last glacial cycle", Nature, vol. 423, 19 juni 2003. Dat is de tegenwoordige drempeldiepte van de Bosporus. Mogelijk begon toen het Middellandse Zeewater als een beekje de Zwarte Zee op te vullen. Maar de sapropeel (een zuurstofarme, zwarte modder) is pas 2000 jaar later ontstaan. Mogelijk is de oorzaak hiervan dat het (zwaardere) zoute water langzaam naar de bodem van het bekken is gezakt en pas 2000 jaar later anoxisch (zuurstofarm) werd hetgeen leidde tot de vorming van sapropeel.De sedimenten in de Bosporus zijn onderzocht inclusief mollusken. Hieruit blijkt dat de eerste verzilting inderdaad al begon rond 7000 v.Chr., maar omdat de onderzochte deeltjes zo klein zijn, zou er na de afzetting ervan nog zuurstofisotopenuitwisseling hebben kunnen plaatsvinden, doordat zwaar zout water een paar decimeter diep doordrong in het zeebed nadat de instroom was begonnen. Rond 5600 v.Chr. vervingen zouttolerante flora en fauna abrupt een flora en fauna die leefden in een zoetwatermeer en het binnenstromen van zout water niet konden overleven, behalve in de riviermondingen. Rond die tijd verscheen er ook een ander type mollusken (weekdieren).met een O18/O16 isotopen verhouding waarmee de overgang van zoet naar zout water kan worden aangetoond. Boringen tonen aan dat de Bosporus anno 2005 met een laag sedimenten bedekt was en dat de harde rots op een diepte ligt van minimaal 85 meter. Ryan veronderstelde nu, dat er in de Bosporus een 70 meter dikke laag sedimenten gelegen moet hebben op circa 15 meter onder de huidige zeespiegel. Dit niveau werd door de oceaan (en de daarmee in verbinding staande Middellandse zee) pas circa 5600 v.Chr. bereikt. Daarop stroomde zout water door deze doorgang. Door deze stroming werden er sedimenten weggevoerd, waardoor de opening groter werd. Daardoor werd de stroming sterker en werden er weer meer sedimenten weggevoerd enzovoort. Toen alle sedimenten weggespoeld waren, was er een doorgang ontstaan die meer dan 50 km³ water per dag kon doorlaten. Er was dus sprake van een ware stortvloed. Het wateroppervlak van de Zwarte Zee steeg aanvankelijk met tientallen cm per dag.Later werd dat minder, omdat het oppervlak van het meer groter werd. Zo'n 100.000 km² land werd binnen een (paar) jaar overstroomd.
Het onderlopen van dit uitgestrekte land zou mogelijk de verspreiding van de vroege neolithische cultuur naar Europa hebben versneld. Rond 5550 v.Chr. waren er al neolithische boeren gevestigd in Griekenland, Bulgarije, Roemenië en langs de kust van de Zee van Marmara. Rond 5000 v.Chr. verspreidde deze cultuur zich snel landinwaarts, langs de dalen van grotere rivieren van zuidoost Europa. De ploeg en eenvoudige irrigatie verschijnen plotseling in de Zuidelijke Kaukasus. Deze versnelde uitbreiding van het neolithicum zou kunnen zijn veroorzaakt door de verdrijving van de bewoners van de ondergelopen kusten van de Zwarte Zee. Deze bewoners waren aangepast aan de natuurlijke bronnen hiervan, te weten: de löss, de door water afgezette klei en vochtige leem.
Onderzoeksmethoden Boorkernen met flora, fauna, schelpen en sedimenten C14-datering Zuurstofisotopenanalyse
Theorie 'rustig' vollopen Zwarte Zee rond 7400 v.Chr.
thumb|right Candace O. Major stelt dat de Zwarte Zee tussen ca. 15.700 en ca. 14.200 v.Chr.Aangetoond zijn 2 (of 4) pieken van een hoge verhouding 87Sr/86Sr in de sedimenten samenhangend met het verschijnen van 2 roodbruine, illiet-rijke kleilagen. Er is wel voorgesteld dat de Kaspische zee door smeltwater van de Wolga en lage verdamping (door lage temperatuur) zó hoog stond (50 m boven het huidige peil), dat hij mogelijk is overgevloeid naar de Zwarte Zee. voor de Bølling-warmteperiode, door de toevoer van zeer veel smeltwater met sedimenten van Finse, Scandinavische en Alpen gletsjers zo hoog stond, dat hij (bijna) overvloeide in de Middellandse Zee.
Daarna stopte de toevoer van deze noordelijke gletsjers en zou er een dalende waterspiegel van het meer zijn geweest gedurende relatief warme perioden (Bølling-interstadiaal, Allerød-interstadiaal en Preboreaal) vanwege de toegenomen verdamping. Er zou weer een hogere waterspiegel zijn geweest gedurende de koude perioden daartussen (zoals de jonge Dryas) vanwege toenemende toevoer door rivieren met minder verdamping.
Hoewel de jonge Dryas een zeer droge (en koude) periode was, lijkt de Zwarte Zee toen toch te zijn gestegen tot misschien wel de hoogte van 30 meter onder het huidige niveau, waarop hij mogelijk nogmaals kon uitstromen in de Middellandse Zee.
Ten slotte was er circa 7400 v.Chr. waarschijnlijk weer een verbinding met de oceaan. Dit is eerder dan de 5600 v.Chr. die voorheen werd voorgesteld door Ryan.Hetgeen was gebaseerd op het verschijnen van euryhaline-fauna en sapropeel-sedimenten rond 5600 v.Chr. Maar deze verschenen mogelijk pas nadat het zoutgehalte van de Zwarte Zee na 2000 jaar hoog genoeg was geworden. De open verbinding met de oceaan is aantoonbaar door het verschijnen van zout-tolerante mollusken, waarvan het calciumcarbonaat (CaCO3) van de schelpen een grotere hoeveelheid aan δ18O isotoop vertoont. Dit verschil begint op te treden tussen 8100–6850 v.Chr. Rond 7000 v.Chr. zou deze overgang voltooid zijn. Circa 5600 v.Chr. was het zoutgehalte hoog genoeg en verschenen de sapropeel-sedimenten waar Ryan zijn eerdere datering van een mogelijk catastrofale overstroming op baseerde.Sapropeel ontstaat in zuurstofloos water. Water wordt zuurstofloos als het verdeeld is in zoete en zoute lagen. Tussen beide waterlagen treedt geen menging op waardoor zuurstofrijk water de bodem niet bereikt. De zuurstof in de onderste laag raakt op. Gelaagd water kon in de Zwarte Zee ontstaan doordat zout water uit de Middellandse Zee rustig de Zwarte Zee instroomde en door zijn grotere soortelijk gewicht de bodem volgde en zo een zware waterlaag onder het oorspronkelijk zoete Zwarte Zeewater vormde. Bij een catastrofale doorbraak zou snelle vermenging van zoet en zout water waarschijnlijk zijn waardoor geen sapropeel had kunnen ontstaan.
Boorkernen van ondieper dan 80 meter onder het huidige niveau van de Zwarte Zee tonen een laag uit 7400 v.Chr. (vrijwel direct daaronder zitten veel oudere lagen). Boven deze laag zit de latere zout-tolerante fauna van na de reconnectie. Dit suggereert dat het peil van de Zwarte Zee ten tijde van de reconnectie 70–90 meter onder het huidige niveau was. Op die diepte is nu een ondergelopen kustlijn te zien.
De datering van de eerste zouttolerante fauna in de Zwarte Zee (7400 v.Chr.) suggereert dat de Middellandse Zee toen 30 meter onder het huidige niveau stond. Het overvloeien van de monding van de Sakarya rivier (Noordwest-Turkije) begon pas kort na 7000 v.Chr. Dit suggereert een geleidelijke stijging van het niveau van de Zwarte Zee na de reconnectie.Er zijn aanwijzingen dat het vollopen van de Zwarte Zee abrupt is begonnen en redelijk snel is verlopen. Ook het overal tegelijkertijd verschijnen van de zout-tolerante fauna suggereert dat de stijging van de Zwarte Zee veroorzaakt werd door de reconnectie.
Onderzoeksmethoden Er is onderzoek gedaan aan sedimenten uit boorkernen van allerlei diepten en van diverse missies. Onderzocht zijn monsters van klei, modder en overblijfselen van flora en fauna.Dinoflagellaten, Ostracoda en bivalven (Dreissena) en Gastropoda Men heeft hiervan bepaald: