De Kriegsmarine was de Duitse zeemacht van 1935 tot 1945. De Kriegsmarine was de opvolger van de Reichsmarine, die na het verdrag van Versailles de Kaiserliche Marine verving.
Toen Adolf Hitler in 1933 aan de macht kwam werd de Kriegsmarine weer opgebouwd en werd admiraal Erich Raeder de nieuwe opperbevelhebber. Na diens ontslag, begin 1943, werd Karl Dönitz bevelhebber. De Kriegsmarine was tijdens deze periodes een van de onderdelen van de Wehrmacht. In die periode groeide de marine weer uit tot een geduchte zeemacht.
Het interbellum
Na het einde van de Eerste Wereldoorlog werden de Duitse oorlogsschepen opgebracht naar de Britse marinebasis Scapa Flow. In afwachting van een akkoord brachten de Duitsers hier echter op 21 juni 1919 zelf hun slagschepen tot zinken. miniatuur|Erich Raeder Het verdrag van Versailles beperkte de Duitse vloot tot zes pre-dreadnought pantserschepen, zes lichte kruisers, twaalf torpedobootjagers en twaalf torpedoboten. Onderzeeboten waren verboden. De kruisers en de pantserschepen mochten pas na twintig jaar vervangen worden en vervangende pantserschepen mochten de 10.000 ton niet te boven gaan. Nieuwe kruisers mochten zelfs niet boven de 6000 ton komen, torpedobootjagers waren beperkt tot 800 en torpedoboten tot 200 ton. Ook mocht de marine niet meer dan 15.000 man tellen.Blair, p. 29 Veel meer dan een beperkte kustverdedigingstaak was met deze vloot niet mogelijk.
Ruim vijftien jaar accepteerde Duitsland dit verbod. Drie van de pre-dreadnought pantserschepen werden vervangen door nieuwe pantserschepen die officieel de opgelegde limieten respecteerden, maar in werkelijkheid toch de opgelegde beperking qua tonnage overschreden. Ook de lichte kruisers werden vervangen, weerom met overschrijding van de tonnage beperkingen.
In 1928 werd Erich Raeder, een admiraal uit de Eerste Wereldoorlog, de bevelhebber van de Reichsmarine.
Het Brits-Duits vlootverdrag van 1935 Met de machtsovername van Adolf Hitler in 1933 traden echter de eerste veranderingen op. Er werden plannen gesmeed om de marine uit te breiden en ook weer om onderzeeboten te gaan produceren. De Reichsmarine werd in 1935 omgedoopt tot Kriegsmarine. Nog in juni van datzelfde jaar kwam het Brits-Duits vlootverdrag tot stand, volgens welke het aan Duitsland weer werd toegestaan slagschepen en onderzeeboten te bouwen en de marine tot 35% van de sterkte van de Royal Navy uit te breiden. Hiermee kwam de facto een einde aan het Verdrag van Versailles, en Duitsland zag dit als het startsein voor zijn herbewapening. De Britten waren hierover niet verontrust, eerder integendeel aangezien Duitsland zich beperkte tot 35%, een derde van het Brits potentieel waardoor ze nooit een bedreiging zouden vormen.Bekker, p. 20 Het tempo waarin daarna nieuwe slagschepen en onderzeeboten van stapel liepen toonde niet alleen aan dat de nieuwe scheepsontwerpen al klaar lagen voordat het verdrag tot stand kwam, maar dat sommige schepen zelfs al in aanbouw waren. De eerste onderzeeër werd al één week na het afsluiten van het vlootverdrag in dienst genomen. Karl Dönitz, een onderzeebootkapitein uit de Eerste Wereldoorlog, werd benoemd tot opperbevelhebber van de U-booteenheid.Blair, p. 35 Binnen drie jaar nadat Hitler aan de macht was gekomen beschikte Duitsland weer over een effectieve marine. Door de slechte economie, waardoor veel koopvaardijmaatschappijen failliet waren gegaan, was het bovendien niet moeilijk om ervaren zeelui te rekruteren.
De beperking van 35% gold per categorie. Door het vlootverdrag kon Duitsland beginnen met de bouw van de volgende schepen: Slagschepen: hiervoor was 183.000 ton beschikbaar. Aangezien de drie pantserschepen als slagschip vervangers gebouwd waren, werd hun 36.000 ton tot deze categorie gerekend. Twee slagkruisers van de Scharnhorst- klasse waren al in aanbouw. oorspronkelijk waren ze voorzien als een sterk vergrote versie van de eerdere pantserschepen, maar nu werden ze als volwaardig slagschip afgewerkt. Voor elk schip rekende men 32.000 ton zodat er ruimte was voor 2 extra schepen van de Bismarck-klasse. Door het Brits-Duits vlootverdrag zag Duitsland het Verenigd Koninkrijk niet meer als een potentiële vijand, de twee Scharnhorst-klasse slagschepen werden gezien als tegenhanger van de Franse twee Dunkerque slagschepen, en de twee Bismarck-klasse schepen werden gezien als tegenhanger van de twee grotere Franse Richelieu slagschepen.Blair, p. 34 Zware kruisers: de zes bestaande lichte kruisers waren maar 6000 ton groot en eigenlijk veel te klein om een gevecht met moderne kruisers aan te gaan. Alle grote mogendheden (Japan, Frankrijk, Italië, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten) bouwden in navolging van het Vlootverdrag van Washington zogenaamde 'Washington' kruisers die een limiet van 10.000 ton hadden en een hoofdbewapening van max 20 cm kanonnen. Voor zware kruisers kreeg Duitsland 51.380 ton toebemeten, en daarmee kon men vijf zware kruisers van de Admiral Hipper- klasse op stapel zetten.Breyer, p. 4 Twee vliegdekschepen Torpedobootjagers en torpedoboten: de Duitsers waren al begonnen met de bouw van grotere torpedobootjagers in 1934, het vlootverdrag officialiseerde de bouw van deze schepen. Onderzeeërs: hier kregen de Duitsers 45% toegewezen in plaats van de 35% voor andere categorieën. Dönitz was er persoonlijk van overtuigd dat een oorlog met het Verenigd Koninkrijk niet te vermijden was, terwijl Erich Raeder scrupuleus vasthield aan de letter en de geest van het verdrag. Dönitz wou enkel aanvalsonderzeeërs van 500 ton die ideaal waren voor aanvallen op Britse konvooien, maar Raeder gaf opdracht tot het bouwen van een meer gebalanceerde vloot: kustonderzeeërs van 250 ton, langeafstandsonderzeeërs van 750 ton, en ook aanvalsboten van 500 ton, maar die maakten maar één derde van het totaal aantal U-boten uit.Blair, pp. 40-45
Z-Plan
Doordat Hitler in mei 1938 mislukte in zijn eerste poging om het Sudetenland te annexeren, zag hij in dat een oorlog met het Verenigd Koninkrijk nu plots wél tot de mogelijkheden behoorde. In een eerste stap werd een clausule van het vlootverdrag ingeroepen dat toeliet om evenveel onderzeeërs te bouwen als het Verenigd Koninkrijk, maar eigenlijk wilde Hitler van het vlootverdrag af en een marine uitbouwen die het kon opnemen tegen het Verenigd Koninkrijk. Tegen eind 1938 werd een doel (Duits: 'Ziel', vandaar Z-Plan) opgesteld met de volgende kernpunten:Blair, p. 46
Bouw van zes superslagschepen van 72.000 ton Afwerking van de huidige twee Bismarck-klasse slagschepen die in bouw zijn Ombouw van de huidige twee Scharnhorst-klasse slagschepen naar volwaardige slagschepen door hun hoofdbewapening van negen 28 cm kanonnen naar zes 38 cm kanonnen te brengen. Bouw van drie slagkruisers Bouw van vier vliegdekschepen Uitbreiding van de lichte kruiser vloot naar 48 eenheden Uitbreiding van de torpedobootjager vloot naar 68 eenheden Uitbreiding van de onderzeebootvloot naar 249 eenheden. Alhoewel het Z-plan specifiek tegen het Verenigd Koninkrijk gericht was, kon Dönitz nog altijd zijn zin niet doordrijven: slechts 100 van de 249 U-boten waren aanvalsboten van 500 ton. De rest waren kustonderzeeërs, U-boten voor de lange afstand, mijnenleggers of zelfs U-kruisers. Uiteindelijk vereiste Z-Plan zo'n 800 schepen en ruim 200.000 manschappen. De totale begroting koste zo'n 33 miljard Reichsmark, destijds een waanzinnig groot geldbedrag. Het plan zelf werd geheim gehouden, de Duitsers probeerden nog altijd het Verenigd Koninkrijk officieel te vriend te houden, maar bij de eerste de beste gelegenheid zou men het publiek maken en rechtvaardigen. Nog altijd verwachtte men niet direct oorlog met het Verenigd Koninkrijk, de schepen zouden pas in 1945 klaar zijn.Bekker, pp. 22-28
Er waren twee richtingen in de Kriegsmarine over het voeren van een oorlog ter zee met het Verenigd Koninkrijk. De eerste richting was eerder klassiek: met een grote slagvloot de confrontatie opzoeken en de Britse vloot vernietigen, stijl Zeeslag bij Jutland. De andere richting concentreerde zich eerder op het afsnijden van de Britse bevoorradingsroutes door het vernietigen van konvooien. Om uit te breken naar de Atlantische Oceaan waren daar evengoed grote, sterke slagschepen voor nodig dus beide richtingen vonden zich in het bouwen van slagschepen. Maar daarnaast wou de tweede richting ook nog meer pantserschepen bouwen, die als raider op verdere konvooiroutes ingezet konden worden.
Al na negen maanden was het Plan-Z achterhaald door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Al deze grote schepen konden niet op tijd gebouwd worden. Van sommige schepen had men al de kiel gelegd, maar die werden terug afgebroken. Alleen torpedobootjagers en kleinere schepen werden nog verder gebouwd.Blair, pp. 56-57
Ook de elf grote schepen die gepland waren na het vlootverdrag van 1935, konden niet allemaal afgewerkt worden: Het eerste vliegdekschip Graf Zeppelin was te water gelaten en voor 85% afgebouwd, maar het is nooit volledig afgewerkt en operationeel geworden. Het tweede, Flugzeugträger B, werd gesloopt op de stapel. Het eerste slagschip Gneisenau was operationeel kort voor het uitbreken van de oorlog, en de Scharnhorst in oktober 1939. De Bismarck en Tirpitz moesten nog afgewerkt worden en zouden pas in 1941 operationeel worden. De eerste zware kruiser Admiral Hipper was in april 1939 in dienst gesteld, de Blücher zou in 1940 volgen en de Prinz Eugen in 1941. De laatste twee: de Seydlitz en Lützow werden te water gelaten maar niet afgebouwd. De onafgewerkte Lützow werd aan de Sovjet-Unie verkocht in kader van het Molotov-Ribbentrop pact.
De schepen van de Kriegsmarine
Inzet en prestaties van de kleinere Duitse oppervlakteschepen De kleinere hulpkruisers waren succesvol gedurende de Tweede Wereldoorlog. In totaal waren er negen van deze schepen, die samen goed waren voor 142 gezonken of buitgemaakte schepen. In totaal slaagden de kruisers erin om meer dan 870.000 ton aan vijandelijke scheepslading te zinken. De negen schepen werden in totaal bemand met slechts 3000 man aan Kriegsmarinepersoneel maar waren hiermee toch vele malen succesvoller dan de veel bekendere grote kruisers. De HSK Kormoran slaagde er zelfs in de Australische lichte kruiser Sydney tot zinken te brengen. De namen van de hulpkruisers waren:
HSK 1 Orion HSK 2 Atlantis HSK 3 Widder HSK 4 Thor HSK 5 Pinguin HSK 6 Stier HSK 7 Komet HSK 8 Kormoran HSK 9 Michel
Ook de nog kleinere Schnellboote boekten grote successen. In totaal werden 101 koopvaardijschepen van in totaal 214.728 ton tot zinken gebracht door E-boten. Bijkomende claims omvatten 12 torpedobootjagers, 11 mijnenvegers, acht landingsschepen, zes MTB's, een torpedoboot, een mijnenlegger, een onderzeeër en een aantal kleinere vaartuigen zoals vissersboten. Ze beschadigden ook twee kruisers, vijf torpedobootjagers, drie landingsschepen, een reparatieschip, een marine sleepboot en tal van koopvaardijschepen. Op 28 april 1944 vielen Schnellboote van de 6e en 9e flottieljes uit Cherbourg Operatie Tiger aan, waarbij ongeveer 749 Amerikaanse leger- en marine-slachtoffers vielen.
Operaties van de Kriegsmarine De U-bootcampagne (september 1939 - maart 1940) De U-bootcommandant Günther Prien drong de zwaar bewaakte marinebasis Scapa Flow binnen en vernietigde daar het slagschip Royal Oak. miniatuur|De door zijn eigen bemanning vernietigde Admiral Graf Spee brandde nog dagenlang, zonk naar de bodem van de Río de la Plata, maar bleef met de bovenbouw boven water
De eerste raiders