Vroom & Dreesmann (V&D) is een voormalige Nederlandse keten van warenhuizen. Het was het grootste warenhuisconcern van Nederland, opgericht in 1887 door de zwagers Willem Vroom en Anton Dreesmann. Het eerste filiaal bevond zich aan de Weesperstraat in Amsterdam. Op zijn hoogtepunt had de keten ruim zeventig vestigingen door het hele land. De warenhuizen verkochten onder meer kleding, schoenen, juwelen, horloges, brillen, cosmetica, speelgoed, boeken, platen, kantoorbenodigdheden, schoolbenodigdheden (Schoolcampus), delicatessen, witgoed en bruingoed van het huismerk Vendomatic en woon- en tuinbenodigdheden. De grotere vestigingen verkochten daarbij ook brood en banket. V&D werkte later ook met een shop-in-shopformule. Van 1971 tot 1981 importeerden zij ook caravans van de merken Knaus en Tabbert onder de naam Vendahoy. Daarbij werd met een landelijk dealernet van caravanbedrijven gewerkt. Het hoofdkantoor van V&D stond aan de Spaklerweg 52 in Amsterdam-Duivendrecht en sinds 2007 aan de Laarderhoogtweg 25 in Amsterdam-Zuidoost. Op 31 december 2015 ging de keten failliet.
Sinds 5 september 2018 is er onder de naam V&D een webwinkel actief.V&D keert terug als online warenhuis, Algemeen Dagblad, 4 september 2019
Geschiedenis Ontstaan Aan het einde van de negentiende eeuw waren Willem Vroom en Anton Dreesmann twee succesvolle zakenmannen in Amsterdam. Beiden hadden manufacturenzaken en waren streng rooms-katholiek. Via een neef maakte Vroom kennis met Dreesmann. Ze raakten bevriend en werden zakenpartners.Archief Vroom & Dreesmann naar het Stadsarchief, stadsarchief.amsterdam.nl, 2011 In 1883 trouwde Vroom met Cisca Tombrock, een zuster van Helena Tombrock, de vrouw van Dreesmann, waardoor de zakenpartners dus ook zwagers werden. Beide heren hanteerden een voor die tijd ongebruikelijke strategie: lage en vaste prijzen tegen contante betaling. In die tijd was het namelijk gebruikelijk dat men altijd korting kreeg en op rekening kocht.
Aanvankelijk werkten ze alleen samen op het gebied van inkopen, maar in 1887 leidde dit tot een verregaande samenwerking en op 1 mei dat jaar tot de oprichting van het bedrijf Vroom & Dreesmann "De Zon".Samenwerking tot oprichting van V&DArchief van Vroom & Dreesmann stadsarchief.amsterdam.nl Omdat Vroom de oudste van de twee was, kwam zijn naam vooraan te staan. Hun eerste gemeenschappelijke zaak werd op zaterdag 21 mei 1887 geopend aan de Weesperstraat 70 in Amsterdam. Dreesmann leverde het geld. Er kwam drie man personeel en Dreesmanns jongere broer Nicolaas werd bedrijfsleider. Vroom hield zich vooral bezig met de financiële zaken en de administratie, terwijl Dreesmann voornamelijk de inkoop en verkoop leidde. Aan de plaatselijke Vijzelgracht 21 werd op 27 april 1889 een tweede vestiging geopend met zes personeelsleden. Daarna kwam er een derde vestiging in de Utrechtsestraat 138 en een vierde in de Reguliersbreestraat 31.https://archief.amsterdam/inventarissen/details/30634
Naast de twee gezamenlijke zaken had Vroom in Amsterdam nog een eigen manufacturenwinkel en Dreesmann zelfs twee. Dat gaf problemen bij de verdeling van de gezamenlijk ingekochte goederen. Om die op te lossen werd besloten om ook hun eigen winkels bij elkaar onder te brengen. Hiervoor werd eind 1889 een nieuwe overeenkomst opgesteld, die op 1 januari 1890 van kracht werd.
Uitbreiding De zwagers verkochten manufacturen tegen een redelijke prijs. De winst was laag en om die te verhogen werden extra winkels geopend. Aangezien ze meenden dat de markt in Amsterdam voor hen verzadigd was, zochten ze hun toevlucht buiten de stadsgrenzen. De eerste vestiging buiten de hoofdstad kwam in 1892 aan de Binnenweg in Rotterdam. Een jaar later volgde een filiaal aan de Spuistraat in Den Haag. In hoog tempo werden er meer nieuwe vestigingen geopend: Nijmegen in 1895, Arnhem en Haarlem in 1896, Utrecht in 1898, 's-Hertogenbosch en Tilburg in 1899, Breda in 1901, Leeuwarden in 1902, Delft in 1904, Deventer in 1905, Alkmaar, Hoorn en Zwolle in 1906 en Maastricht in 1907. Het hebben van veel filialen met hetzelfde assortiment was voor Vroom en Dreesmann belangrijk om bij de gezamenlijke inkoop een zo laag mogelijke inkoopprijs te kunnen bedingen.
De filialen werden door de zwagers Vroom en Dreesmann opgezet, die vervolgens een familielid bereid vonden de dagelijkse leiding ervan op zich te nemen. Winkels van familieleden die al via V&D inkochten, werden volledig in de organisatie opgenomen. Er ontstond zo een groot aantal plaatselijke NV's: Amsterdam (A. Dreesmann, W. Vroom), Rotterdam (Wolbertus Vinke), Leeuwarden (G. Tombrock), Leiden (G. Berentzen), Den Haag (Dorus Holt), Utrecht (R. Dreesmann), Breda (Hendrikus Witte), Haarlem (Gerard Rosenmöller, Wilhelm Vehmeijer), 's-Hertogenbosch (Laurens Vehmeijer), Nijmegen (N. Dreesmann), Tilburg (Jules Huer), Delft (Heribert Korte), Deventer (Rudolf Muller), Alkmaar/Hoorn (F. Berentzen), Maastricht (R. Rosenmöller), Zwolle (Joseph Vroom). In de jaren 1905-1912 werden vanuit bestaande plaatselijke NV's nieuwe filialen geopend. Zo opende bijvoorbeeld de vestiging in Nijmegen nieuwe zaken in Venlo (1912) en Tiel en die in 's-Hertogenbosch deed dat in Helmond en Eindhoven (1908).
Door de snelle groei van het bedrijf werden ook de financiële risico's groter. Om die reden werd het privévermogen van de aandeelhouders gesplitst van het bedrijfskapitaal. Hiervoor werd op 23 mei 1905 de Naamloze vennootschap 'Amsterdamse Manufacturenhandel van Vroom & Dreesmann' opgericht. Willem Vroom en Dreesmann waren de enige aandeelhouders. De aandelen, met een maatschappelijk kapitaal van 600.000 gulden, waren gelijk verdeeld. Vervolgens werden ook de afzonderlijke filialen verdeeld in naamloze vennootschappen.
De beide ondernemers woonden al snel met hun families in panden aan de Amsterdamse grachten. In de nieuwe filialen kwamen voornamelijk katholieke familieleden aan het roer te staan. Een mannelijk familielid kreeg een opleiding bij Dreesmann en daarna een aanbod om een eigen filiaal te leiden. Zij kregen dan de helft van de aandelen, om ook financiële verbondenheid met de eigen vestiging te krijgen. De andere helft werd gelijk verdeeld onder Willem Vroom en Anton Dreesmann. De verschillende NV's waren allemaal onafhankelijk. Desondanks was de medezeggenschap en invloed van de oprichters Vroom en Dreesmann in het reilen en zeilen van de onderneming aanzienlijk. Toen het bedrijf in 1912 25 jaar bestond, waren er al 22 zaken met 24 vestigingen. Er werden nu ook gordijnen, meubels, vloerkleden en bedden verkocht.
De vestiging aan de Kalverstraat ontworpen door de Nederlandse architect Caron ter vervanging van de kleinere vestigingen in Amsterdam, geldt als het eerste echte warenhuis van Nederland. Dit was ook de eerste vestiging met liften en roltrappen. Hij werd op 4 oktober 1912 geopend. Wegens ruimtegebrek werd naderhand aan de overkant van de Kalverstraat naast de Roxybioscoop een dependance gevestigd in de laagbouw, de zogenaamde Vendexhal, die in 1997 werd verplaatst naar de Kalvertoren en begin 2015 werd gesloten.
Een kenmerk van het personeelsbeleid van V&D was het oprichten van internaten voor winkelmeisjes bij sommige vestigingen. Het bedrijf kon op die manier het personeel ook buiten werktijd in de gaten houden, waarbij onder andere het kerkbezoek aan de orde was. V&D kreeg op deze manier een goede naam onder katholieke families, wat tot een toestroom van katholieke medewerkers leidde.
Opvolgers thumb|V&D aan het Rokin te Amsterdam, 1930 thumb|Advertentie V&D Maastricht, ca. 1935. Interieur met vide en lichtkoepel thumb|V&D aan de Brink in Deventer, 1973 In 1919 traden Willem Vroom en Anton Dreesmann terug en werden opgevolgd door hun oudste zonen Bernard Vroom en Willem Dreesmann. Een jaar later volgde een filiaal in Heerlen en werd het centraal inkoopkantoor gehuisvest aan de Amsterdamse Prinsengracht 303-307. In 1927 werd een filiaal in Alkmaar geopend aan de Laat, als opvolger van de vestiging aan de Houttil die bekend was onder de naam Gebroeders Berentzen. In Amsterdam was er in 1929 al een tweede filiaal aan de Bilderdijkstraat. De centrale administratie werd in 1930 gevestigd aan de Keizersgracht 216 te Amsterdam. Er werd een fonds voor het personeel opgericht, waaruit bijdrages werden betaald bij bijvoorbeeld invaliditeit en overlijden.
De warenhuisketen ging zelf steeds vaker nieuwbouw uitvoeren, waarvoor bekende architecten als Jan Kuijt, de gebroeders Kraaijvanger en opnieuw Caron werden aangetrokken. De gebouwen kregen een erg moderne uitstraling. Zo werden de etalages 's avonds verlicht. Zowel Kuijt als Caron golden als 'huisarchitect' van Vroom & Dreesmann. In diverse steden werden samengevoegde kleine winkelpanden vervangen door moderne grote warenhuizen. Voorbeelden hiervan zijn 's-Hertogenbosch (1929, Schapenmarkt, architect O. Leeuw), Haarlem (1930-1933, Grote Houtstraat, architect J. Kuijt), Leiden (1934, Aalmarkt) en Hoorn (1935, Grote Noord, architect H.L. Klein-Schiphorst). Verder werden in deze periode nieuwe filialen geopend in onder andere Vlissingen (1925), Apeldoorn (1926), Dordrecht (1931), Amersfoort (1934), Beverwijk (1938) en Enschede (1939).
Door de Duitse bezettingsmacht werden in de Tweede Wereldoorlog veel van de warenhuizen gesloten. De vestigingen in Arnhem, Middelburg, Nijmegen en Rotterdam werden verwoest door oorlogsgeweld. Na de oorlog werden die herbouwd, die in Rotterdam aan de Hoogstraat.
In 1948 werd de 'Coöperatieve Handelsonderneming Vroom & Dreesmann Nederland' opgericht. Een gevolg hiervan was dat de centrale inkoop niet meer door de directie gedaan werd, maar door hiervoor speciaal aangestelde experts en er kwam een vijf leden tellende hoofddirectie. Afgesproken werd dat altijd een nazaat van Willem Vroom en Anton Dreesmann een plek in het hoofdbestuur zou krijgen. Bernard Vroom werd hierdoor meteen voorzitter van V&D Nederland.30634: Archief van de Familie Vroom, stadsarchief.amsterdam.nl Aan de tweehoofdige leiding van hun afstammelingen was echter een einde gekomen.
In de jaren vijftig kregen de meeste middelgrote Nederlandse steden een eigen Vroom & Dreesmann. Zo werd onder andere een filiaal geopend in Bergen op Zoom (1952). Ze kregen zelfbediening en het assortiment werd opnieuw groter; met onder meer grammofoonplaten, sport- en drogisterijartikelen. In Amsterdam verscheen een derde filiaal aan de Bos en Lommerweg.
Pas in 1958 kreeg Groningen als laatste grote stad van Nederland zijn eerste vestiging van Vroom & Dreesmann. Belangrijkste reden was dat een broer van Willem Vroom en later tevens de zoon van zijn broer er een eigen manufacturenwinkel op nahielden en Willem hen geen concurrentie aan wilde doen. Evenmin wilden de Groningse familieleden toetreden tot de keten. Wederopbouwproblemen na de oorlog deden de rest. Uiteindelijk werd het de 42e vestiging van Vroom & Dreesmann.Beno Hofman, Vroom & Dreesmann. Vroom in Groningen jarenlang zonder Dreesmann, groningerarchieven.nl Ook in de jaren zestig en zeventig ging de groei gestaag door. Er werden filialen geopend in onder andere Den Haag Leyweg (1960), Amstelveen (1962)https://www.amstelveenweb.com/fotodisp&fotodisp=1543, Emmen (1965), Roosendaal (1965), Zeist (1968), Vlaardingen (1969), Haarlem Schalkwijk (1971), Eindhoven Station (1971-1989) (in 1974 hernoemd naar Vendomus), Leidschendam (1971), Amsterdam-Noord (1972), Oss (1972) en Rotterdam Zuidplein (1972). Er waren ook steden met meerdere filialen, zoals Den Haag en Haarlem met 2 filialen en Amsterdam en Rotterdam met 4 filialen waarvan 2 kleinere. In Rotterdam is het filiaal aan de Pleinweg uiteindelijk vervangen door het filiaal Zuidplein. In Utrecht verhuisde het filiaal in 1975 van de Oudegracht naar Hoog Catharijne.