thumb|De eerste pagina van Beowulf thumb|Miniatuur uit het Roelandslied thumb|Jacob van Maerlant, Der naturen bloeme, de eerste encyclopedie in de volkstaal (ca. 1270) thumb|Getijdenboek Les Très Riches Heures van de hertog van Berry, miniatuur door de gebroeders Van Limburg (ca. 1412-1416) Middeleeuwse literatuur is de westerse literatuur uit de periode tussen de val van het Romeinse Rijk en de ontdekking van Amerika. In deze lange periode kwam de literatuur pas in de laatste eeuwen tot grote bloei. Meestal wordt voor de studie van de middeleeuwse literatuur dan ook de periode 1100-1500 aangehouden.

In dit artikel wordt uitgegaan van algemene verschijnselen van de middeleeuwse literatuur. De geschiedenis van de middeleeuwse literatuur in een specifiek taalgebied komt in andere artikels aan de orde.

Talen In de middeleeuwen werden de meeste teksten in het Latijn geschreven. De katholieke kerk vervulde een dominante rol in het intellectuele leven en hanteerde het Latijn als internationale taal. De volkstalen stonden in lager aanzien. De in het Latijn geschreven teksten hadden vaak een administratieve of religieuze lading en waren bedoeld voor een klerikaal publiek. Er waren wel teksten in de volkstaal – bekende voorbeelden zijn Beowulf en het Nibelungenlied – maar deze teksten stonden vooral in een voorchristelijke, orale traditie.

Deze situatie verandert in de loop van de middeleeuwen. Gaandeweg neemt het belang van de volkstaal toe. Deze ontwikkeling laat zich verklaren aan de groei van de steden (vooral in Noord-Italië en Vlaanderen) en de toenemende weelde van de adel, die zich steeds meer begon te onderscheiden van de geestelijke stand. Aan de hoven ontstaat een traditie van voordrachtsliteratuur in de volkstaal. Er verschijnen steeds meer volkstalige teksten, met name in het Oudfrans en Occitaans. De uitstraling van deze eerste volkstalige literatuur is groot en Frankrijk blijft lange tijd toonaangevend.

In het Nederlandse taalgebied verschenen de eerste volkstalige teksten al in de 12e eeuw, in het Limburgs. Later ontwikkelde zich een bloeiend literair centrum in de Vlaamse en Brabantse steden.

Internationaal karakter De moderne notie van landsgrenzen en landen met een eigen taal, cultuur en bevolking was in de middeleeuwen nog praktisch onbestaand. De grenzen die er in Europa waren hadden alles te maken met de invloed van bepaalde adellijke families en waren geen culturele grenzen. Dit maakte dat de middeleeuwse schrijvers en dichters een heel internationale oriëntatie hadden en dat hun publiek dit ook van hen verwachtte. Er was geen duidelijk onderscheiden Nederlandse literatuur: alles stond in een groter Europees verband. Middeleeuwse teksten werden vaak vrij vertaald en herbewerkt. Een tekst die in het Oudfrans verscheen en enig succes had werd al snel ook aan de Vlaamse hoven ten gehore gebracht.

Literatuurbegrip In de studie van middeleeuwse teksten wordt veel nadruk gelegd op verwachtingen die de middeleeuwers zelf van literatuur hadden. Die verwachtingen staan soms haaks op de literaire code die thans dominant is.

Presentatie Moderne teksten worden in de eerste plaats gelezen. In de middeleeuwen werden teksten vooral voorgedragen, maar dat werd lang niet altijd gedaan door de schrijver zelf. Voordrachtskunstenaars leerden teksten grotendeels uit het hoofd en zeiden de tekst op in de vorm van een monoloog, of maakten er een klein toneelspel van. Middeleeuwse teksten zijn geschreven met deze manier van presenteren in gedachten. De nadruk ligt daarbij vaak op dialogen en de taal is direct en eenvoudig. Heel belangrijk is het rijm: bijna alle middeleeuwse teksten rijmen, niet alleen omdat dit de voordracht aantrekkelijker maakt, maar ook omdat de tekst zo voor de voordrachtskunstenaars beter uit het hoofd te leren was.

Imitatie en aemulatio De middeleeuwse schrijver wilde niet iets volkomen nieuws of afwijkends brengen, maar plaatste zich bewust in een zekere traditie en probeerde zijn voorgangers te benaderen (imitatio) en te overtreffen (aemulatio). Ook het vrij vertalen van teksten (translatio) was heel gebruikelijk.

Middeleeuwse schrijvers herbewerkten bekende verhalen en lieten bestaande karakters een rol spelen in hun verhalen. Zo is Van den vos Reynaerde een bewerking van een Frans verhaal dat er ogenschijnlijk erg op lijkt, maar dat door de auteur van een eigen stempel is voorzien. De hoofdpersoon van Karel ende Elegast, Karel de Grote, speelt ook een rol in talloze andere middeleeuwse verhalen, maar beleeft in dit bewuste boek een nieuw avontuur dat sommige van de andere verhalen in een ander, komisch perspectief zet.

Gelaagdheid van teksten Middeleeuwse teksten handelen dikwijls over dezelfde personages en vertellen vergelijkbare verhalen. Alleen hieraan al valt af te lezen dat het middeleeuwse publiek de teksten niet alleen om het verhaal waardeerde. Een groot deel van het genoegen dat men aan literatuur beleefde moet hebben gelegen in de interpretatie van de teksten. Middeleeuwse teksten hebben doorgaans een diepere betekenis.

Een bekende samenvatting van de middeleeuwse manier van tekstbegrip vindt men in het volgende versje, dat aan Augustinus van Dacia wordt toegeschreven:

Littera gesta docet, Quod credas allegoria. Moralia quod agas, Quo tendas anagogia.

(De letter onderwijst de feiten: wat je geloven moet leert je de allegorie; De zedelijke betekenis geeft aan wat je moet doen en de eschatologische waarop je je mag richten.)

Deze woorden, die vaak werden geciteerd als het ging om de interpretatie van Bijbelse teksten, geven ons een indruk van de gelaagheid die het middeleeuwse publiek in teksten vermoedde. Hier is dit systeem van lagen uiteengezet met Van den vos Reynaerde, kortweg de Reynaert, als voorbeeld.

De eerste laag (littera gesta docet) was het letterlijke verhaal (bv. de misdaden van Reynaert de Vos). Dit verhaal was vaak al bij het publiek bekend en zal de luisteraar dus maar matig hebben geïnteresseerd.

De tweede laag was de allegorie: de gebeurtenissen verwijzen naar andere gebeurtenissen, zowel binnen als buiten de tekst (bv. de personages in de Reynaert zouden kunnen hebben gestaan voor bestaande personen). Omdat het publiek vaak bestond uit hovelingen was het doorgaans goed op de hoogte van politieke verwikkelingen: teksten waren vaak satirisch. Ook konden teksten verwijzen naar christelijke thema's. Verder kwam het dikwijls voor dat de teksten verwezen naar andere, evenzo bekende teksten, en deze teksten in een ander daglicht stellen. Zo kan de Reynaert ook gelezen worden als een satire op allerlei conventies in de danmalige literatuur.

De derde laag betreft dan de morele consequentie van de tekst (bv. de schijnheiligheid van de personages in de Reynaert leert ons iets over de mens). De tekst hield het publiek zo een spiegel voor. Veel middeleeuwse teksten hebben zelfs een duidelijk moraliserend, belerend karakter. De Reynaert zou hier volgens sommige historici mee afrekenen, andere beschouwen de Reynaert juist als een moraliserende tekst die toont hoe het níet moet, en die de schijnheiligheid van de hofcultuur genadeloos aan de kaak stelt.

De vierde laag dan zou volgens het vers aangeven waarop de lezer zich moet richten, waarop hij moet hopen. Deze laag lijkt de meest religieuze en zal niet in iedere middeleeuwse tekst kunnen worden teruggevonden. Toch is het denkbaar dat het middeleeuwse publiek ook in een tekst als de Reynaert een diepe, filosofische boodschap gezocht heeft, en mogelijk zelfs gevonden.

Het voorgestelde interpretatiesysteem heeft een christelijke origine en zal niet door alle middeleeuwse schrijvers en luisteraars/lezers op deze manier zijn gebruikt. Zeker voor de wat kortere, eenvoudigere teksten is het een te intellectueel systeem. Toch is het waarschijnlijk dat dit systeem, dat in kloosters en kathedralen werd gedoceerd, bij de meeste schrijvers – gezien hun klerikale achtergrond – bekend is geweest. Het zoeken naar een dubbele bodem stond centraal in het middeleeuwse literatuurbegrip.

Literaire genres thumb|Fol. 28r van het Gruuthuse-handschrift, met rechtsonder het lied Egidius waer bestu bleven met notenschrift thumb|Roman de Renart thumb|Legende van de heilige Valentijn in de Legenda Aurea. thumb|Gedicht van de middeleeuwse mystica Hadewijch Op basis van de traditionele onderverdeling in genres valt in het grote aanbod aan literaire teksten enige ordening aan te brengen. Omdat de grenzen tussen de literaire genres vaak zeer dun waren, is het niet in alle gevallen duidelijk tot welk genre een bepaalde tekst gerekend moet worden.

Epiek Epische teksten hadden in de middeleeuwen vaak een eenvoudige verteltrant en een heldere, niet al te ingewikkelde verhaallijn. Dit had alles te maken met de manier van presenteren: teksten werden voorgedragen en niet stil gelezen. Het publiek kon dus niet terugbladeren of een bepaalde ingewikkelde zin langer op zich in laten werken. Epische teksten hadden een eenvoudige rijmstructuur volgens het principe AA-BB-CC. Aan zaken als metrum werd nauwelijks aandacht besteed. Binnen de epiek was een aantal subgenres erg populair. Traditioneel wordt onderscheid gemaakt tussen wereldse en geestelijke epiek.

Werelds Middeleeuwse verhalende teksten draaiden doorgaans om bekende personages met een mythische of historische achtergrond. Het was belangrijk dat de personages in het verhaal bekenden waren van het publiek, zodat dat gemakkelijk met de tekst vertrouwd kon raken. Een zeer rijk genre is dat van de ridderroman. Binnen dit genre valt, afhankelijk van de onderwerpkeuze, een viertal subgenres te onderscheiden:

Het klassieke beeld van de ridderroman is gebaseerd op de vele heldendichten rond Karel de Grote en zijn hof. Hoewel Karel in de 8e eeuw geleefd heeft, spelen de ridderverhalen doorgaans in een 12e-eeuwse of 13e-eeuwse context. Het Chanson de Roland is een van de bekendste teksten in dit genre, dat als matière de France bekendstaat. Bewerkingen van klassieke heldendichten zoals de Aeneas behoren tot de matière de Rome. Het klassieke erfgoed was bij de meeste middeleeuwers goed bekend en figuren als Aeneas of de helden uit de Trojaanse Oorlog spraken tot de verbeelding. Middeleeuwse bewerkers plaatsten de stof in een eigentijdse context, zodat het publiek zich beter met de verhalen kon identificeren. Een bekende bewerking in het Nederlands is de Eneid van Hendrik van Veldeke. De ook vandaag de dag nog populaire verhalen van Brits-Keltische oorsprong (over onder meer koning Arthur) werden in de middeleeuwen talloze malen herbewerkt. Deze teksten worden wel tot de matière de Bretagne gerekend, waarbij Bretagne niet op de Franse provincie slaat, maar op de Keltische wereld in het algemeen. Een grote naam in deze context is Chrétien de Troyes, de Franse auteur die aan de wieg stond van het genre. Daarnaast is Wolfram von Eschenbach beroemd met zijn versie van de Parzival. Het vierde subgenre is kleiner en minder invloedrijk. Het betreft teksten die zijn gesitueerd in de oosterse wereld, die voor de middeleeuwse mens onbekend was en daardoor een mythische glans had. Het verhaal van Floris ende Blancefloer werd in heel Europa gelezen en is de bekendste tekst uit dit genre.

De populariteit van deze verhalen lijkt van mode afhankelijk te zijn geweest. Aan het begin van de literaire bloeiperiode is het zogenaamde chanson de geste, met de matière de France, als onderwerp toonaangevend. Met de opkomst van de Hoofse levensopvatting worden de wat romantischer teksten uit de matière de Bretagne zeer populair. Deze ontwikkeling is grotendeels te danken aan de inspanningen van Chrétien de Troyes, die de Arthurstof op een eigen manier wist te gebruiken en te populariseren.