Simón de Anda y Salazar (Subijana de Álava, 28 oktober 1709 – Cavite, 30 oktober 1776) was een Spaanse jurist, rechter en koloniaal bestuurder. Van 1770 tot 1776 was hij gouverneur-generaal van de Filipijnen.
Anda werd in 1755 benoemd tot rechter van de Audiencia van Manilla en arriveerde in 1761 in de Filipijnen. Toen de Britten in 1762 Manilla veroverden, bevond Anda zich buiten de hoofdstad. Hij organiseerde vanuit de provincies het Spaanse verzet en was daarmee feitelijk gouverneur-generaal van de gebieden die onder Spaans gezag bleven, terwijl hij het Britse gezag grotendeels tot Manilla en Cavite wist te beperken. Na de Britse terugtrekking keerde hij terug naar Spanje, waar hij werd benoemd tot lid van de Raad van Castilië en onderscheiden voor zijn optreden tijdens de oorlog. In 1769 werd hij door koning Karel III benoemd tot gouverneur-generaal van de Filipijnen.
Als gouverneur-generaal probeerde Anda het bestuur van de kolonie grondig te hervormen. Hij liet onderzoek doen naar zijn voorganger José Raón en andere hoge functionarissen, bevorderde de economische ontwikkeling en probeerde het koninklijke gezag over de katholieke kerk in de Filipijnen te versterken. Zijn pogingen om de invloed van de religieuze orden terug te dringen en parochies over te dragen aan de seculiere geestelijkheid leidden tot langdurige conflicten met met name de augustijnen. Ook zijn bestuurlijke optreden leidde tot conflicten met andere koloniale functionarissen en tot kritiek vanuit Spanje. Enkele maatregelen die Anda als gouverneur had genomen, werden later door de autoriteiten in Spanje teruggedraaid. Ook kreeg hij een boete wegens het overschrijden van zijn bevoegdheden. Anda bleef gouverneur tot aan zijn dood in 1776.
Levensloop Jeugd en opleiding miniatuur|Zicht op Anda's geboortedorp Subijana miniatuur|Palacio Casa Simón de Anda y Salazar in Subijana Simón de Anda y Salazar werd geboren op 28 oktober 1709 in Subijana, in de Spaanse provincie Álava, als zoon van Juan de Anda en Francisca López de Armentia. Hoewel Salazar de familienaam van zijn grootmoeder van moederszijde was, gebruikte hij deze consequent als tweede achternaam., Simón de Anda y Salazar, Historia Hispánica, Real Academia de la Historia, geraadpleegd op 3 augustus 2026. De familie Anda was afkomstig uit het gelijknamige dorp Anda in de vallei van Kuartango. Hoewel de familie oorspronkelijk tot de vooraanstaande adel van de streek behoorde, was zij in de achttiende eeuw een lokale hidalgofamilie en dus van lagere adel., The Administration of Simón de Anda y Salazar, Governor-General of the Philippines, 1770–1776, proefschrift, Loyola University Chicago, 1973, p. 2-3, online via deze link
Anda volgde lager onderwijs in Morillo en Salinas de Añana, waar hij onder meer Latijn leerde. Vervolgens studeerde hij filosofie aan een dominicanenklooster in Vitoria. Aanvankelijk bereidde hij zich voor op een kerkelijke loopbaan. In 1728 ontving hij de tonsuur, maar hij koos uiteindelijk voor een rechtenstudie. In 1732 behaalde hij aan de Universiteit van Sigüenza de graad van bachiller in de rechten. Een jaar later vervolgde hij zijn studie aan de Universiteit van Alcalá, waar hij met financiële steun van zijn oom Martín Pérez de Anda, destijds gouverneur van Trinidad en Guayana, in 1738 de graad van licentiaat in het canoniek recht behaalde. Kort daarna promoveerde hij tot doctor in het canoniek recht.
Juridische loopbaan in Spanje Na zijn promotie tot doctor in het canoniek recht vestigde Anda zich als advocaat in Madrid. Gedurende bijna veertien jaar voerde hij er een succesvolle advocatenpraktijk en verwierf hij een reputatie als bekwaam jurist. Hij werkte samen met de markies van la Regalía aan de redactie van de Nueva Recopilación de Leyes de Indias, een herziening van de Spaanse wetgeving voor de overzeese gebieden.
In 1735 trad Anda in het huwelijk met María Cruz Díaz Montoya, eveneens afkomstig uit Álava. Uit het huwelijk werden vier kinderen geboren, van wie alleen Joaquina en Tomás de volwassen leeftijd bereikten. Hun dochter trad later in bij de orde van de Bernardinessen en werd uiteindelijk abdis van het klooster van Casarrubios del Monte, in de provincie Toledo.
Anda vervolgde zijn loopbaan bij de Secretaría del Despacho de Indias, het bestuursorgaan dat verantwoordelijk was voor de Spaanse overzeese gebiedsdelen, en later bij de Secretaría de Gracia y Justicia, het bestuursorgaan dat belast was met onder meer rechtspraak, benoemingen en kerkelijke zaken. Daar klom hij op tot oficial mayor.
Oidor in de Filipijnen thumb|Sir William Draper, bevelhebber van de Britse expeditie die in 1762 Manilla veroverde Op 18 oktober 1755 werd Anda benoemd tot oidor supernumerario van de Audiencia van Manilla, het hoogste gerechtshof van de Spaanse Filipijnen. Vanwege het overlijden van zijn echtgenote en om andere onbekende redenen vertrok hij echter pas op 30 juni 1760 uit Spanje. Via Nieuw-Spanje reisde Anda naar de Filipijnen, waar hij op 14 juli 1761 in Cavite aankwam. Een week later aanvaardde hij zijn ambt in Manilla.
Het jaar na zijn aankomst naderde een Britse vloot de Filipijnen. De Britse expeditie van dertien schepen arriveerde op 22 september 1762 in de baai van Manilla en werd geleid door admiraal Samuel Cornish en luitenant-kolonel William Draper, die respectievelijk het bevel voerden over de vloot en de landmacht. Spanje was eerder dat jaar in oorlog geraakt met de Britten, als gevolg van het sluiten van het derde familieverbond met Frankrijk tijdens de Zevenjarige Oorlog. Omdat het nieuws van de oorlogsverklaring de Filipijnen nog niet had bereikt, werden de Spaanse autoriteiten door de komst van de vloot verrast., Documentos indispensables para la verdadera historia de Filipinas, deel I, Manila, 1908, p. 9-44, online via Internet Archive.
Rol tijdens de Britse bezetting van Manilla De nadering van de Britse vloot De Spaanse autoriteiten begonnen daarop met de verdediging van Manilla en de omliggende gebieden. De augustijnse geestelijken van van de parochies Tondo en Binondo kregen opdracht samen met hun parochianen aan de verdediging deel te nemen. De augustijn Miguel Braña werd belast met het bevel over de inheemse troepen die waren opgesteld tussen San Fernando en Bancaúsay en met de bevoorrading van de troepen buiten Manilla. Hij bracht ongeveer 2.000 Tagalogs en 4.000 Pampangos naar Manilla. Op 28 september kreeg hij opdracht 300 man de stad binnen te brengen en met de overige 200 man de doorgang bij Malosac te bewaken. Toen de Britten bij Bancaúsay met vier boten een landing probeerden uit te voeren, werden zij door twee kanonschoten vanuit een kleine versterking verdreven.
De augustijnen leverden daarnaast voedsel aan de verdedigers van Manilla. Zij brachten onder meer rijst, vee en producten van hun landerijen naar de stad. Verschillende religieuzen namen zelf de wapens op en verrichtten wachtdiensten op de stadsmuren. Juan Facundo de Acosta, die eerder als militair ingenieur naar de Filipijnen was gekomen en later augustijn was geworden, verdedigde een bastion op de muren van Manilla. Hij had in eerdere jaren al kanonnen, mortieren en andere militaire middelen vervaardigd.
miniatuur|De poort waardoor Simón de Anda, naar verluidt, de stad Manilla tijdens Britse bombardementen verliet Rojo riep daarop enkele malen de Raad van Oorlog bijeen om de verdediging van de kolonie te organiseren. Op 2 oktober 1762 besloot de Audiencia om Anda naar de provincies te sturen zodat hij daar, in geval van de val van Manilla, de trouw aan de Spaanse koning kon handhaven. Hij werd daartoe benoemd tot vice-kapitein-generaal, visitador general en teniente de gobernador y capitán general en vertrok op 4 oktober naar Bulacán. Hij nam een advocaat, een schrijver/notaris en ongeveer 200.000 pesos uit de koninklijke kassen mee. Toen hij Bulacán had bereikt, vernam hij dat Manilla de volgende dag was gevallen en dat Rojo en de resterende leden van de Audiencia gevangen waren genomen. (1764), Carta de Simón de Anda sobre los títulos con que salió de Manila, FILIPINAS,608,N.2. (1887), Historia general de Filipinas, deel II, Madrid, pp. 38-39.
Kort na zijn aankomst in Bulacan verplaatste Anda zijn residentie naar Bacolor in Pampanga, omdat Bulacan kwetsbaar was voor Britse aanvallen en Bacolor verder van de Baai van Manilla lag. Vanuit Bacolor vonden vervolgens veel van de activiteiten van Anda's bestuur en het verzet tegen de Britse bezetting plaats., Filipino Natives in Simon de Anda’s Government During the British Invasion of Manila, 1762–1764, in (red.), The 1762 British Invasion of Spanish-Ruled Philippines: Beyond Imperial and National Imaginaries, Manila/Londen, National Historical Commission of the Philippines / SOAS, 2024, p. 1-26, online via ResearchGate
Na de verovering van Manilla werd Dawsonne Drake aangesteld als voorlopig gouverneur van Manilla namens de Britse Oost-Indische Compagnie. Drake was als civiel bestuurder met de Britse vloot naar de Filipijnen gekomen, maar bleef tijdens de aanval aanvankelijk aan boord van een van de Britse schepen. Vier dagen na de verovering ging hij voor het eerst aan land. Bij zijn installatie kreeg hij, samen met de Manila Council, de verantwoordelijkheid voor het bestuur van de Britse bezittingen in Manilla en Cavite. (2003), When Britain Ruled the Philippines 1762–1764: The Story of the 18th Century British Invasion of the Philippines During the Seven Years War, 1st Books Library, Bloomington, p. 139-159.
Het Britse bestuur bleef in de praktijk beperkt tot Manilla en Cavite. Drake werkte daarbij samen met de Manila Council, die toezicht hield op zijn bestuur en verschillende commissies instelde voor onder meer financiën, openbare werken en rechtspraak. De Britse bestuurders probeerden bovendien de handel te stimuleren en nieuwe inkomsten voor hun bestuur te vinden, maar hadden te kampen met hoge kosten en met het voortdurende Spaanse verzet in de provincies.
Vestiging van het bestuur in Bacolor De Britse bestuurders kregen vrijwel onmiddellijk te maken met tegenstand van Spaanse bestuurders, militairen en geestelijken. Drie dagen na de verovering van Manilla nam Anda, onder verwijzing naar de Leyes de Indias, het bestuur op zich in naam van de Spaanse koning. Hij liet zijn besluit bekendmaken aan de alcalde mayor (provinciaal gouverneur) van Bulacan, José Pasarín, die hem onmiddellijk erkende. Deze riep vervolgens de augustijnse geestelijken in de provincie bijeen. De vicaris-provinciaal Remigio Hernández droeg hen op hun parochianen duidelijk te maken dat zij verplicht waren Anda als gouverneur en kapitein-generaal te erkennen.
In Pampanga verliep de erkenning van Anda aanvankelijk moeizamer. Een deel van de bevolking wilde na de val van Manilla geen Spaanse bestuurders meer erkennen en beschouwde de Spaanse nederlaag als het gevolg van verraad. De augustijnse geestelijken probeerden de bevolking hiervan af te brengen en haar ervan te overtuigen Anda als vertegenwoordiger van de Spaanse koning te erkennen. Vooral Sebastián Moreno, vicaris-provinciaal van Pampanga, speelde hierbij een belangrijke rol. Uiteindelijk werd ook in Pampanga het gezag van Anda aanvaard. Bulacan en Pampanga werden daarmee belangrijke steunpunten van het Spaanse verzet. Naast de Augustijnen schaarden ook de Dominicanen en Franciscanen zich achter het verzet van Anda. Spaanse bestuurders, militairen en geestelijken verschaften de Spaanse troepen bovendien informatie over de Britse activiteiten en sommigen sloten zich aan bij guerrilla-acties tegen de Britse bezettingsmacht.