Wormhagedissen (Amphisbaenia) zijn een onderorde van reptielen die behoren tot de schubreptielen (Squamata). Wormhagedissen maken ondanks hun naam geen deel uit van de onderorde Lacertilia waartoe alle hagedissen behoren maar vormen een eigen groep binnen de schubreptielen. Vroeger werd dit overigens heel anders gezien en werden de wormhagedissen tot de hagedissen gerekend. Tot 2009 werden er drie families onderscheiden, tegenwoordig worden er zes families erkend. Er zijn ongeveer tweehonderd soorten in negentien geslachten, waarvan er vijf monotypisch zijn en slechts door een enkele soort wordt vertegenwoordigd.

De wetenschappelijke naam Amphis-baenia betekent tweezijdig bewegend. Wormhagedissen komen met name voor in Afrika en Zuid-Amerika, in delen van Noord-Amerika en Europa zijn ook enkele soorten te vinden. Alle soorten leiden een verborgen levenswijze omdat ze veel graven. Er is hierdoor nog niet veel bekend over de biologie en de levenswijze van veel soorten. De meeste wormhagedissen hebben nog geen Nederlandstalige naam.

Alle wormhagedissen leven ondergronds en jagen op kleine ongewervelde dieren zoals wormen, mieren en termieten. Grotere soorten maken ook wel kleine gewervelde dieren buit. De belangrijkste vijanden zijn slangen, een aantal slangen heeft zich zelfs gespecialiseerd in het eten van wormhagedissen waarbij ze in hun eigen hol worden verschalkt.

Naamgeving en taxonomie De wetenschappelijke naam van de groep werd voor het eerst voorgesteld door John Edward Gray in 1844. De eerste wormhagedissen werden beschreven in Carl Linnaeus beroemde werk Systema naturae. Hierin waren twee soorten opgenomen. In het werk van Gabriel Bibron en André Marie Constant Duméril uit 1839 waren al enkele tientallen soorten bekend. De meeste soorten zijn pas in de negentiende en twintigste eeuw wetenschappelijk beschreven. Een van de meest actieve biologen op het gebied van de wormhagedissen was Alexander Strauch. Deze bioloog heeft verschillende soorten voor het eerst van een wetenschappelijke naam voorzien.Regelmatig worden er nieuwe soorten beschreven, in 2018 en 2019 alleen al zijn negen 'nieuwe' soorten toegevoegd, waaronder de in 2019 beschreven Amphisbaena arenicola.

De Nederlandse naam wormhagedissen slaat op de lichaamsvorm, ook in andere talen wordt een dergelijke naam gebruikt zoals het Engelse 'worm lizards'. In de Duitse taal worden de dieren 'dubbele hazelwormen' genoemd vanwege de 'twee' koppen. De wetenschappelijke naam Amphisbaenia is een samentrekking van de Griekse woorden amphis (tweezijdig) en bainein (bewegen).

Er is ook een groep fabeldieren die Amphisbaena genoemd wordt. Deze dieren zijn feitelijk tweekoppige slangen met aan ieder einde een kop.

Verspreiding en habitat thumb|400px|Wereldwijde verspreiding in het zwart. Wormhagedissen hebben een complex verspreidingsgebied, ze komen in grote delen van de wereld voor maar ontbreken in geheel Azië en Australië. Hun verspreidingsgebied zou omschreven kunnen worden als de delen van continenten langs de Atlantische Oceaan. De habitat kan sterk uiteenlopen, maar geen enkele soort komt voor in rotsige streken aangezien ze hier geen holen kunnen graven.

Het grootste deel van het verspreidingsgebied beslaat delen van Zuid-Amerika. Hier komen verschillende soorten overal voor, behalve een strook in het westen van het continent, in delen van het Andesgebergte. Ook in Patagonië en de uiterst zuidelijke delen van het continent komen geen soorten voor.

In Noord-Amerika is het verspreidingsgebied aanmerkelijk kleiner, hier worden de wormhagedissen alleen vertegenwoordigd in het zuiden. De verspreidingsgebieden van de verschillende soorten in Zuid- en Noord-Amerika overlappen elkaar niet. De floridawormhagedis is de enige soort die in de Verenigde Staten voorkomt. Deze soort komt voor op het schiereiland van Florida, uit fossielen is bekend dat deze soort lang geleden ook in het noorden van Noord-Amerika voorkwam. In Mexico komen soorten voor in het uiterst westelijke schiereiland Baja California, en een tweede, afgescheiden gebied verder zuidelijk van ongeveer de steden Guadalajara tot Acapulco.

In Afrika komen de soorten voornamelijk in het zuidelijk deel van het continent voor. Op het zuidoostelijk gelegen eiland Madagaskar zijn overal wormhagedissen aan te treffen. Ze hebben zich noordwaarts verspreid langs de lijn tussen de landen Senegal en Eritrea. Alleen in een brede strook in het midden komen geen soorten voor. Populaties in Marokko behoren tot de Moorse wormhagedis, die in zuidelijk Europa voorkomt.

Aan de oostkant van Afrika smelt het verspreidingsgebied noordwaarts samen met de verspreiding op het Arabisch Schiereiland. Hier komen de wormhagedissen voor in Iran, Irak, Jemen en Saoedi-Arabië.

In Europa komen de wormhagedissen geïsoleerd voor en worden slechts vertegenwoordigd door een enkele soort; de Moorse wormhagedis (Blanus cinereus). Deze leeft in delen van het Iberisch Schiereiland; in Portugal en Spanje.

De habitat van wormhagedissen bestaat uit zanderige tot kleigronden. Sommige soorten zijn slechts in staat om gangen in los zand te graven, andere soorten kunnen in hardere kleigronden graven. Van enkele soorten is beschreven dat ze in vermolmd hout of in de toplaag van de strooisellaag leven.

Uiterlijke kenmerken Wormhagedissen hebben niet alleen een langwerpig lichaam maar zijn in de regel ook erg dun. Ze doen hierdoor op het eerste gezicht sterker denken aan een regenworm dan aan een reptiel. De dikte van het lichaam ten opzichte van de totale lichaamslengte is bij veel soorten het voornaamste verschil. Wormhagedissen zijn vaak relatief klein en dun en worden meestal ongeveer 30 tot 60 centimeter lang. Slechts van enkele wormhagedissen is bekend dat ze een totale lichaamslengte bereiken van meer dan een halve meter.

De kleinste soorten worden tot 8 centimeter lang en de grootste soort is de Zuid-Amerikaanse witte wormhagedis (Amphisbaena alba) die een lengte tot 75 centimeter kan bereiken. Wormhagedissen hebben vaak een cilindrisch lichaam met een opvallend afgeplatte kop.

Sommige soorten hebben voorpoten maar de meeste wormhagedissen zijn pootloos. Wormhagedissen leven ondergronds in zelfgegraven tunnels en zijn meestal volledig blind. De staart lijkt meestal op de afgeplatte kop, dit dient om vijanden te misleiden.

De lichaamskleur van de verschillende soorten varieert van wit tot zwart en ook oranje, groene, blauwe en gele soorten komen voor. Daarnaast kent een aantal soorten onderlinge variaties in patronen en kleuren. Veel wormhagedissen zijn vernoemd naar hun lichaamskleur, zoals Blanus cinereus, waarbij cinereus 'askleurig' betekent en Amphisbaena alba, dat letterlijk 'witte wormhagedis' betekent.

Kop thumb|270px|right|Kop van een Amphisbaena- soort, met de bovenzijde (A) links, de zijkant (B) rechtsboven en de onderzijde (C) rechtsonder. De kop dient altijd als een graaforgaan dat de aarde verplaatst en aandrukt, de werking is vergelijkbaar met een schoffel. De kop is soms voorzien van verhoornde randen die de graaffunctie ondersteunen. Een voorbeeld is de Zuid-Amerikaanse soort Amphisbaena kingii.

De kop is altijd duidelijk wigvormig wat dient om beter te kunnen graven. Bij veel soorten lijkt de kop sterk op de staartpunt, wat dient om vijanden te misleiden. De ogen van de wormhagedissen zijn altijd verborgen onder een schub, ze zijn slechts zichtbaar als donkere plekjes. De wormhagedis kan geen beeld vormen maar alleen grove lichtverschuivingen waarnemen. Wormhagedissen hebben geen uitwendige gehooropeningen, deze worden verborgen door de schubbenhuid. De neusgaten zijn wel ontwikkeld maar zijn klein en staan meer zijwaarts gericht.

De schedel van wormhagedissen wijkt af van die van slangen en hagedissen en is een van de belangrijkste redenen waarom de wormhagedissen als een aparte orde wordt beschouwd.De schedelvorm verschilt per groep, er zijn drie typen schedels te onderscheiden. Een deel van de wormhagedissen heeft een kegelvorige kop, die dient om zich een weg door het zand te duwen. Dergelijke soorten kunnen alleen leven in een losgebonden bodem. Een tweede groep heeft een wigvormige schedelvorm, deze dient om zand aan het eind van de gang weg te schrapen en aan te drukken. De derde vorm heeft een zijdelings afgeplatte schedel, deze wordt gebruikt om het zand weg te schrapen door van links naar rechts te bewegen.

De positie van de tanden kan eveneens verschillen. Soorten uit de familie tweepotige wormhagedissen hebben tanden die aan de binnenzijde van de kaak gehecht zijn, dit wordt pleurodont genoemd. Soorten uit de familie puntstaartwormhagedissen hebben tanden die boven op de kaakrand gepositioneerd zijn, dit wordt acrodont genoemd. De tanden zijn altijd zo geplaatst dat ze tussen elkaar komen bij een gesloten bek. In de bovenkaak is altijd een oneven aantal tanden aanwezig en in de onderkaak is een even aantal aanwezig. Een gebitsafdruk van een wormhagedis doet hierdoor aan alsof een zigzagschaar is gebruikt. Alle wormhagedissen bezitten daarnaast een enkelvoudige, ongepaarde tand die in de bovenkaak zit. Ee dergelijke ongepaarde tand komt ook wel voor bij andere reptielen, zoals hagedissen en schildpadden. Bij deze groepen valt de tand na enige tijd af, bij de wormhagedissen echter wordt de tand vervangen.

De kaakdelen zijn bij vrijwel alle soorten ongelijk van vorm. Hierbij is de bovenkaak groter dan de onderkaak, de bovenkaak bedekt bij een gesloten bek de gehele onderkaak. Deze kaakvorm wordt wel onderstandig genoemd. Een uitzondering is de Moorse wormhagedis (Blanus cinereus), die gelijkvormige kaken heeft.

Lichaam thumb|270px|De Mexicaanse wormhagedis of ajolote heeft twee goed ontwikkelde voorpoten. thumb|270px|Twee exemplaren van de Moorse wormhagedis, de kop en staart zijn moeilijk uit elkaar te houden. De romp is het deel van het lichaam tussen de kop en de staart, bij de meeste hagedissen is dit duidelijk te zien door de vergrote schedel aan de voorzijde en de positie van de poten aan de achterzijde van het lichaam. Wormhagedissen echter hebben een kop die naadloos aansluit op de romp en waar het lichaam ophoudt en de staart begint is alleen aan de onderzijde te zien aan de positie van de cloaca.

De huid is volledig bedekt door de schubben die een glad oppervlak hebben, de schubben verlappen elkaar en geven een stevige bepantsering. Bij andere reptielen komen soms gekielde schubben voor zoals bij een aantal slangen. Dergelijke kielen bieden een sterke grip, maar dit zou de wormhagedissen alleen maar in de weg zitten. De schubben zijn in ringen rond het lichaam gegroepeerd, zodat een geleed uiterlijk ontstaat. Deze ringen worden de annuli genoemd. Het aantal correspondeert altijd met het aantal wervels. Bij alle soorten -op een na- is het aantal ringen het dubbele van het aantal wervels. Alleen de Moorse wormhagedis wijkt hiervan af en heeft slechts een enkele ring per wervel.

Inwendig is het lichaam eveneens aangepast aan de langwerpige lichaamsvorm. Zo zijn enkele gepaarde organen zoals de nier niet naast elkaar gelegen maar in elkaars verlengde. Sommige organen zijn gedegenereerd, zoals ook bij andere langwerpige reptielen het geval is zoals de slangen. Een voorbeeld zijn de longen, bij wormhagedissen is de rechterlong verdwenen en is alleen de linkerlong nog functioneel. Bij slangen is dit net andersom; bij deze reptielen is de linkerlong gereduceerd.