Crime Prevention Through Environmental Design (CPTED), in Nederland bekend onder de titel Veilig Ontwerp en Beheer, is een multidisciplinaire aanpak om crimineel gedrag te beperken door het hele spectrum aan mogelijke maatregelen die zich bevinden op het vlak van ontwerp en beheer. CPTED-strategieën zijn gebaseerd op de mogelijkheid om de beslissing van de dader, vooráfgaand aan zijn criminele daad, te beïnvloeden. De meeste toepassingen van CPTED vinden plaats in de gebouwde omgeving.

Geschiedenis De term CPTED werd voor het eerst gebruikt door de Amerikaanse criminoloog C. Ray Jeffery. Een beperktere aanpak, genaamd Defensible Space, werd later ontwikkeld door de architect Oscar Newman. Beide mannen hebben voortgeborduurd op het werk van Elizabeth Wood, Jane Jacobs en Schlomo Angel. Jeffery's boek, Crime Prevention Through Environmental Design, kwam uit in 1971, maar zijn werk werd in de jaren zeventig grotendeels genegeerd. Dit in tegenstelling tot het boek van Newman, Defensible Space, dat in 1972 uitkwam; zijn principes werden in brede kring aangenomen, overigens met wisselend succes. The Defensible Space (verdedigbare ruimte) aanpak werd vervolgens regelmatig herzien met aanvullende aanpakken voor de omgeving, ondersteund door CPTED-uitgangspunten. Newman interpreteerde dit als CPTED en gaf Jeffery de credits als de 'uitvinder' van deze term. De, middels CPTED, verbeterde aanpak van Newmans defensible space bleek succesvol en resulteerde in een herwaardering van Jeffery's werk. Jeffery ging verder met het uitbouwen van de multidisciplinaire aspecten van de aanpak. Hij publiceerde over zijn vorderingen, de laatste keer in 1990. Het CPTED-model van Jeffery is uitvoeriger dan Newmans CPTED-model, dat beperkt is tot de gebouwde omgeving. Latere modellen van CPTED zijn allen ontwikkeld op basis van het Newman-model, waarbij dat van Crowe het meest populair is.

CPTED in populaire zin refereert aan de Newman/Crowe-modellen, waarbij het model van Jeffery wordt gezien als een meer multidisciplinaire aanpak van het voorkomen van misdaad, waarbij ook biologie en psychologie een rol spelen. Een herziening van CPTED, gestart in 1997, ook wel de tweede generatie CPTED genoemd, richt zich ook op de individualiteit van de dader.

Jaren zestig In de jaren 1960 ontwikkelde Elizabeth Wood, tijdens haar werk bij de Chigaco Housing Authority, richtlijnen om veiligheidsthema's te benaderen, waarbij ze de nadruk legde op ontwerpuitgangspunten die bijdroegen aan natuurlijk toezicht. Haar richtlijnen zijn nooit toegepast maar hebben wel bijgedragen aan het denken dat uiteindelijk leidde tot CPTED. Het boek van Jane Jacobs, The Death and Life of Great American Cities, uit 1961 stelde dat stedelijke diversiteit en levendigheid teniet werden gedaan door stedenbouwkundige planners en hun strategieën voor stedelijke vernieuwing. Zij sleutelde aan de basale uitgangspunten van de stedenbouw van die tijd, namelijk dat buurten van elkaar gescheiden zouden moeten zijn, dat een lege straat veiliger is dan een drukke en dat de auto voorgaat op fietsers.

Als redacteur van het tijdschrift Architectural Forum (1952–1964) had ze geen officiële opleiding tot stedenbouwkundige, maar haar werk ontwikkelde zich tot uitgangspunt van een nieuwe manier om naar steden te kijken. Zij had het gevoel dat de manier waarop steden werden ontworpen en gebouwd erop neerkwam dat het gewone publiek niet in staat werd gesteld om een sociaal netwerk op te bouwen dat onder andere nodig is voor een effectieve manier van toezicht houden. Ze maakte duidelijk dat de nieuwe manier van stedenbouw veel traditionele manieren om controle uit te oefenen op crimineel gedrag beperkte, zoals de mogelijkheid voor bewoners om de straat te overzien en de aanwezigheid van mensen, zowel overdag als 's nachts. Zij stelde zelfs dat het gebrek aan 'natuurlijke bewaking' van de omgeving de kans op criminaliteit vergroot. Jacobs ontwikkelde het concept dat criminaliteit bloeit daar waar mensen geen zinvol contact met hun buren hebben. In haar boek somt Jacobs de drie uitgangspunten op die volgens haar nodig zijn om een straat in de stad veilig te maken: een duidelijk afbakening van openbaar en privé, een veelheid aan functies en zo veel mogelijk voetgangers op het troittoir.

Schlomo Angel was een vroege pionier van CPTED. Hij studeerde bij de bekende planoloog Christopher Alexander. Het promotieonderzoek van Angel, Discouraging Crime Through City Planning uit 1968, was een studie naar straatcriminaliteit in Oakland, Californië. Hierin zegt hij dat de fysieke omgeving van directe invloed kan zijn op het voorkomen van misdaad, bijvoorbeeld door het afsluiten van gebieden, het beperken of juist vergroten van de toegankelijkheid door het verwijderen van grenzen en door het faciliteren van surveillance door bewoners of politie. Hij toonde aan dat het voorkomen van misdaad omgekeerd evenredig was met het niveau van activiteiten in een straat, en ook dat een bedrijfsterrein extra kwetsbaar is voor criminele activiteiten omdat er juist weinig activiteiten zijn waardoor het makkelijker is voor individuele misdadigers om een straatmisdrijf te begaan. Angel ontwikkelde en publiceerde in 1970 CPTED-concepten die door het Amerikaanse Departement van Justitie breed werden ondersteund.

Jaren zeventig De term Crime Prevention Through Environmental Design werd voor het eerst gebruikt door C. Ray Jeffery, een criminoloog van de Florida State University. De term begon aan te slaan na de publicatie van zijn gelijknamige boek in 1971. Het werk van Jeffery was gebaseerd op de uitgangspunten van de experimentele psychologie, zoals bekend van de moderne leertheorie. Het CPTED-concept van Jeffery kwam voort uit zijn ervaring met een re-educatie project Washington, D.C. dat als doel had om de omgevingen van middelbare scholen in de buurt te onderzoeken. Diep geworteld in de psychologische leertheorie van B.F. Skinner, legde de CPTED-aanpak van Jeffery de nadruk op de rol van de fysieke omgeving bij het ontwikkelen van prettige en pijnlijke ervaringen voor de dader, met als gevolg dat hij zijn gedrag kan veranderen. Zijn originele CPTED-model was een zogenaamd stimulus-respons-(S-R)-model, met als uitgangspunt dat het organisme leert van straffen en bevestiging uit de omgeving. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij was dat door het verwijderen van fysieke maatregelen tegen criminaliteit, zoals hekken, sloten en muren, het juist niet zou vóórkomen (Robinson, 1996).

Om redenen die weinig aandacht hebben gekregen, werd Jeffery's werk gedurende de jaren zeventig grotendeels genegeerd. Jeffery's eigen uitleg is dat op het moment dat de wereld kant en klare ontwerpoplossingen wilde, zijn werk een (te) uitvoerige theorie omvatte waarmee hij een breed scala aan maatregelen voor criminaliteitspreventie identificeerde die aan de basis zouden moeten staan van ontwerp- en managementcriteria.

Concurrerend met Jeffery's voornamelijk theoretische werk was het empirisch onderzoek naar de relatie tussen criminaliteit en omgeving door Oscar Newman en George Randof in de vroege jaren zeventig. Als architect plaatste Newman de nadruk op de specifieke ontwerpkenmerken, iets wat in Jeffery's werk miste. Newmans boek "Defensible Space" uit 1972 omvat een uitgebreide discussie over de relatie tussen criminaliteit en de fysieke vorm van woningbouw, gebaseerd op de analyse van de criminaliteitsgegevens van sociale woningbouw in New York. Het boek Defensible Space veranderde het werkveld van criminaliteitspreventie in relatie tot het ontwerp van de omgeving en binnen twee jaar na publicatie kwamen er substantiële landelijke fondsen ter beschikking om Defensible Space concepten te onderzoeken en te demonstreren.

Zoals vastgesteld door Newman, moet Defensible Space twee componenten omvatten. Ten eerste moeten in een dergelijke ruimte mensen elkaar continue kunnen zien en het gevoel hebben dat ze gezien worden. Dit verkleint uiteindelijk de angst van bewoners omdat ze weten dat een potentiële misdadiger ook gemakkelijk gezien en geïdentificeerd en uiteindelijk misschien zelfs opgepakt kan worden. Ten tweede moeten mensen bereid zijn om in te grijpen of een misdaad aan te geven. Door het gevoel van veiligheid in de woon- of werkomgeving te vergroten, worden mensen gestimuleerd om de regie over een gebied te nemen en een zekere mate van eigenaarschap te voelen. Als mensen zich veilig voelen in hun buurt is de kans groter dat er interactie tussen de bewoners plaatsvindt en dat ze sneller zullen ingrijpen wanneer crimineel gedrag voorkomt. Dit blijven toch de kernpunten bij de meeste toepassingen van CPTED.

In 1977 werd in Jeffery's tweede druk van het boek Crime Prevention Through Environmental Design zijn theoretisch aanpak uitgebreid door er een meer complex mathematisch gedragsmodel in op te nemen, waarin variabele fysieke omgevingen, het gedrag van de dader als individu en het gedrag van individuele leden van het publiek een wederkering invloed op elkaar hebben. Dit heeft de basis voor Jeffery gelegd om een gedragsmodel te ontwikkelen met als doel om de effecten van zowel het veranderen van de externe omgeving als van het 'interne milieu' op individuele daders te voorspellen.

Jaren tachtig Gedurende de jaren tachtig bleken de maatregelen voor Defensible Space uit de jaren zeventig een wisselend effect hebben bereikt. Ze werkten het beste in woonomgevingen, met name in gebieden waar de bewoners bereid waren om de gegeven richtlijnen voor het vergroten van de sociale interactie op te volgen. Ontwerptools voor Defensible Space werden gezien als marginaal effectief in institutionele en commerciële settings. Als gevolg daarvan gingen Newman en anderen Defensible Space verbeteren, waarbij CPTED-gebaseerde eigenschappen werden toegevoegd. Zij hebben ook wat aandacht weggehaald bij de minder werkzame aspecten van Defensible space. Bijdragen aan de ontwikkeling van CPTED in de jaren tachtig waren onder andere: De Broken window theorie uit 1982 door James Q. Wilson en George L. Kelling, die het effect van zichtbare verloedering en verwaarlozing van buurten op het gedrag van mensen had onderzochten. Het onderhoud van bezittingen werd toegevoegd aan de CPTED-strategie, tegelijk met toezicht, toegangscontrole en territorialiteit. De Canadese academici Patricia en Paul Brantingham publiceerden in 1981 Environmental Criminology. Volgens deze schrijvers vindt een misdaad plaats als alle essentiële elementen aanwezig zijn. Deze elementen zijn: een wet of regel, een dader, een doel en een locatie. Zij karakteriseren deze als 'de vier dimensies van criminaliteit', waarbij de omgevingscriminologie de laatste van deze vier dimensie onderzoekt. De Britse criminologen Ronald Clark and Patricia Mayhew ontwikkelde hun "Situational crime prevention" aanpak, waarbij de kans op een misdaad gereduceerd wordt door het ontwerp en het beheer van de omgeving te verbeteren. De criminoloog Timothy Crowe ontwikkelde CPTED-trainingsprogramma's.

Jaren negentig Criminology: An Interdisciplinary Approach uit 1990 was Jeffery's laatste bijdrage aan CPTED. Zijn CPTED-model ontwikkelde zich tot een dat ervan uitgaat dat "de omgeving nooit rechtstreeks het gedrag beïnvloedt, maar alleen door de hersens. Elk model voor criminaliteitspreventie moet zowel de hersens als de fysieke omgeving omvatten." Omdat de aanpak, zoals die in Jeffery's CPTED-model staat, tegenwoordig ondersteund wordt vanuit veel gebieden, inclusief wetenschappelijk kennis rondom modern hersenonderzoek, lijkt een focus op criminaliteitspreventie vanuit alleen de externe omgeving onvoldoende, ook omdat daarbij de gehele dimensie van CPTED wordt genegeerd. (Robinson, 1996) Crime Prevention Through Environmental Design uit 1991 van de criminoloog Timothy Crowe legde een solide basis waarop CPTED de jaren negentig in kon.