thumb|Bioscoopjournaal uit 1946 over de Nederlandse Dienst voor Volksgezondheid die medische hulp verleent aan de inlandse bevolking na de Japanse bezetting. thumb|Bioscoopjournaal uit 1968. Het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam heeft een eigen campus gekregen waar mensen uit binnen- en buitenland worden opgeleid voor een taak in de ontwikkelingssamenwerking. Met archiefmateriaal van ontwikkelingshulp in Columbia en Kameroen. Ontwikkelingshulp wordt in Nederland ontwikkelingssamenwerking genoemd. Ontwikkelingssamenwerking is een poging om ontwikkelingslanden te helpen zich verder te ontwikkelen om een hogere levensstandaard te bereiken. Ontwikkelingssamenwerking valt in Nederland onder het ministerie van Buitenlandse Zaken. In 2016 besteedde Nederland 0,65% van het bruto nationaal product (bnp) aan ontwikkelingshulp. In 2008 en 2009 was dit percentage 0,8% en bedroeg de hulp zo'n 4,7 miljard euro per jaar, wat overeenkomt met ongeveer 283 euro per hoofd van de beroepsbevolking. Het kabinet-Rutte I heeft in 2011 in het kader van bezuinigingen het percentage dat besteed wordt voor ontwikkelingshulp verlaagd van 0,8% naar 0,7%.

De organisatie van ontwikkelingssamenwerking

Het is bij de vorming van elk kabinet weer een heikel onderwerp: krijgt ontwikkelingssamenwerking een eigen ministerie en een eigen minister of niet. In 2007, bij de vorming van het kabinet-Balkenende IV werd ervoor gekozen ontwikkelingssamenwerking onder te brengen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ontwikkelingssamenwerking kreeg wel een eigen minister: Bert Koenders (PvdA). Het ministerie van Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking coördineert het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Dat beleid wordt uitgevoerd door ambassades, partnerlanden, internationale en maatschappelijke organisaties. In oktober 2010 trad het kabinet-Rutte I aan, ontwikkelingssamenwerking werd ook nu weer ondergebracht bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit keer kreeg ontwikkelingssamenwerking geen eigen minister. De portefeuille ontwikkelingssamenwerking valt onder de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Ben Knapen van het CDA.

De route van de hulp De ontwikkelingshulp door Nederland komt op drie manieren op zijn plaats terecht: Via een bilaterale relatie. In zo'n geval gaat het geld direct naar een land waarmee Nederland een relatie heeft. In 2008 waren dat 36 landen. Ongeveer de helft van het budget loopt via bilaterale relaties. Via internationale organisaties zoals de Verenigde Naties, de Wereldbank en de Internationale Organisatie voor Migratie. Ongeveer een kwart van het budget bereikt ontwikkelingslanden op deze manier. Via bedrijven, Niet-Gouvernementele Organisaties (NGO's) en kennisinstellingen. Deze route heet: het particuliere financieringskanaal. Bij maatschappelijke organisaties gaat het om organisaties als Oxfam Novib, Cordaid, ZOA of Artsen zonder grenzen. Ongeveer een kwart van het budget loopt via deze organisaties.

Criteria Het belangrijkste doel van de Nederlandse ontwikkelingshulp is armoedebestrijding. Politici en organisaties betrokken bij ontwikkelingssamenwerking streven naar structurele hulp. De hulp mag dus niet tijdelijk zijn maar moet voor structurele verbetering zorgen. Aan dat criterium wordt lang niet altijd voldaan. Nederland geeft in principe alleen hulp aan landen die een goed sociaal-economisch beleid voeren. Dit is zo sinds Eveline Herfkens minister van Ontwikkelingssamenwerking was. Alleen in landen die een goed sociaal-economisch beleid voeren zou het geld op de juiste plek terechtkomen. Ook wordt gekeken of het land de mensenrechten handhaaft. Voor noodhulp gelden andere, meer soepele regels. Noodhulp wordt bijvoorbeeld gegeven aan landen die getroffen zijn door een natuurramp of in een oorlog verwikkeld zijn. Noodhulp bestaat vaak uit voedsel, tenten en medicijnen.

Uitgaven Volgens de Europese norm en de norm van de Verenigde Naties (daterend uit 1970) zou elk land 0,7% van het BNP aan ontwikkelingssamenwerking 'moeten' besteden. Nederland is een van de weinige landen die dat percentage haalt: alleen Noorwegen, Zweden, Luxemburg en Denemarken zitten ook op of boven de internationale norm. Alle andere landen zitten op 0,55 of lager. Van 2006 tot en met 2010 besteedde Nederland zo'n 0,8% van het BNP aan ontwikkelingshulp. In de begroting voor 2009 werd 4,7 miljard euro gereserveerd voor ontwikkelingshulp. Verwacht werd dat dit bedrag met zo'n 370 miljoen zou dalen vanwege de recessie en de daarmee samenhangende daling van het BNP. Het BNP daalde weliswaar, toch werd in 2009 4,7 miljard euro besteed aan ontwikkelingssamenwerking. In de politiek gingen begin 2009 stemmen op om verder te bezuinigen op ontwikkelingshulp, de PvdA en de SP verzetten zich hier echter tegen.SP gepikeerd over bezuinigingsplan ontwikkelingshulp, Elsevier, 15 maart 2009PvdA: niet bezuinigen op ontwikkelingshulp, Spits, 15 maart 2009 In oktober 2010 trad het kabinet Rutte aan, het kabinet kondigde aan zich aan de Europese norm van 0,7% van het BNP te willen houden.Ontwikkelingssamenwerking, hoeveel geven we uit?, Ministerie van Buitenlandse Zaken, 2010

Uitgaven ontwikkelingssamenwerking x miljard euro 2004 3,7 2005 4,1 2006 4,5 2007 4,65 2008 4,8 2009 4,7 2010 4,9http://frontpage.fok.nl/nieuws/549926/1/1/50/vorig-jaar-4-7-miljard-naar-ontwikkelingshulp.html 2011 4,7 2012 - 2013 - 2014 - 2015 3,7https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa

Waar gaat de hulp naartoe? Nederland gaf in 2016 0,65% van het Bruto Nationaal Product uit aan ontwikkelingssamenwerking. Dit was vóór 2011 0,8%. In 2008 was het bedrag 4,8 miljard. De helft van dat geld ging naar Afrika.

Bilaterale hulp In 2008 onderhield Nederland met 36 landen een structurele, bilaterale ontwikkelingsrelatie. De ontwikkelingshulp en dus ook het geld loopt in die landen via de overheid van het ontwikkelingsland. Die landen noemt de regering partnerlanden. In 2009 en 2010 telde Nederland 39 partnerlanden. In elk land is de aanpak weer anders, afhankelijk van de problematiek in dat land, ook het soort en de hoeveelheid ontwikkelingssamenwerking verschilt per land. In 2010 werd ruim 1,2 miljard uitgegeven aan bilaterale hulp.Uitgaven per partnerland, 2010, Ministerie van Buitenlandse Zaken

Multilaterale hulp Nederland werkt samen met andere donorlanden (meestal Westerse landen) en met internationale organisaties zoals de Wereldbank. Voor internationale samenwerking wordt gekozen omdat sommige problemen niet alleen in een bepaalde regio of een bepaald land zijn op te lossen, die problemen vragen om een bredere aanpak - soms zelfs wereldwijd. Nederland ondersteunt internationale organisaties met geld, menskracht en ideeën. Deze vorm van ontwikkelingssamenwerking heet multilaterale samenwerking. Ruim een kwart van het ontwikkelingsbudget gaat naar multilaterale programma's, wat neerkomt op 1,2 miljard euro.

Multilaterale programma's vallen vaak onder de Verenigde Naties, zoals de VN-ontwikkelingsorganisatie UNDP, de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR en het VN Bevolkingsfonds UNFPA. Ook de Europese Unie, de Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken zetten multilaterale hulpprogramma's op.

Maatschappelijke organisaties en bedrijven Veel van het feitelijke werk binnen de ontwikkelingssamenwerking wordt gedaan door maatschappelijke organisaties en bedrijven. Maatschappelijke organisaties kunnen hulp verlenen in landen waar Nederland niet met de overheid wil of kan samenwerken omdat er, bijvoorbeeld, geen aanspreekbare overheid is (Somalië) of omdat de betreffende overheid een uitgesproken slecht beleid voert (Zimbabwe). Lokale maatschappelijke ontwikkelingsorganisaties zijn vaak goed op de hoogte van de behoeften en cultuur van de bevolking. Nadeel is de versnippering van de hulp en de slechte coördinatie. Nederland werkt samen met Nederlandse ontwikkelingsorganisaties als Novib en Cordaid en met internationale maatschappelijke organisaties zoals de ontmijningsorganisatie Halo Trust. Bedrijven kunnen subsidie aanvragen als ze investeren in een ontwikkelingsland. De steun aan nationale en internationale maatschappelijke organisaties en aan bedrijven omvat ongeveer 30 procent van de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking: 23% voor maatschappelijke organisaties en 7% voor bedrijven - in totaal is dat ongeveer 1,5 miljard euro., Ministerie van Buitenlandse Zaken, 2010

Ontwikkelingshulp en milieu Ontwikkelingssamenwerking werkt aan het bestrijden van milieuproblemen die ontwikkelingslanden treffen, denk aan ontbossing. Hiervoor stelt de minister van Ontwikkelingssamenwerking jaarlijks 0,1% van het BNP beschikbaar, dat bedrag maakt deel uit van de 0,8% die Nederland jaarlijks aan armoedebestrijding bijdraagt. In 2007 was 609 miljoen euro beschikbaar voor milieubeleid in ontwikkelingslanden.Ontwikkelingssamenwerking, uitgaven milieu

Uitgaven milieubeleid x miljoen euro 2004 448 2005 501,5 2006 537 2007 609,5

Bedrijven, NGO’s en kennisinstellingen die willen bijdragen aan de milieubeleidsdoelstellingen kunnen subsidie aanvragen via het medefinancieringsstelsel (MFS), het Programma voor opkomende Markten (PSOM) en Publiek Private Partnerschappen (PPP). Maatschappelijke organisaties moeten subsidieaanvragen indienen via het Strategische Allianties Internationale NGO’s (SALIN) programma. Subsidies worden in principe alleen verstrekt als de organisaties een bijdrage leveren aan het verbeteren van het milieu in een ontwikkelingsland en aan duurzame productie. Maar ook armoedebestrijding wordt gezien als geldig doel.Subsidies via Ontwikkelingssamenwerking

Nederland ten opzichte van andere landen door OESO De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de OESO, houdt bij hoeveel de rijkere landen aan ontwikkelingshulp uitgeven. De meeste donorlanden halen de door de VN gestelde norm van 0,8 procent van het BNP niet. In 2007 gaven de 22 landen die lid zijn van de OESO 103,6 miljard dollar aan ontwikkelingshulp. Dat was 0,28 procent van het gezamenlijk bruto-inkomen (bni) van de OESO-landen. Nederland was toen het enige OESO-land dat de norm van 0,8 procent haalde.

Commitment to Development Index De Commitment to Development Index wordt jaarlijks samengesteld door het Center for Global Development (CGD).CGD CGD is een Amerikaans onderzoeksinstituut en noemt zichzelf een onafhankelijke denktank. CGD draagt ontwikkelingssamenwerking een warm hart toe en wil wereldwijd de armoede bestrijden, CGD heeft geen officiële status. De CD-index beoordeelt de kwaliteit van het ontwikkelingsbeleid van de 21 rijkste landen ter wereld. De positie op de lijst wordt bepaald door zeven criteria: omvang en kwaliteit, handel, investeringen, milieu, veiligheid, technologie en migratie. Sinds de index wordt uitgegeven staat Nederland op de eerste plaats als meest ontwikkelingsvriendelijk land ter wereld.GDI Nederland wordt gevolgd door de Scandinavische landen Denemarken, Zweden, Noorwegen en Finland. Nederland scoort op bijna alle punten bovengemiddeld, alleen op het gebied van migratie scoort Nederland minder omdat Nederland een restrictief immigratiebeleid voert en naar de maatstaven van de CGD te weinig laagopgeleide immigranten toelaat. De index houdt geen rekening met de bevolkingsdichtheid van een land. De Verenigde Staten staat op de index op plaats veertien, Japan is de laatste.Nederlands ontwikkelingsbeleid beste ter wereld, De Pers, 10 oktober 2007 Ook in 2008 voerde Nederland de lijst van de CGD aan, wederom gevolgd door Zweden, Denemarken en Noorwegen. Finland moest zijn vijfde plaats afstaan aan Ierland. België eindigde op de 14de plaats.Nederland scoort het best op gebied van ontwikkelingshulp, Gazet van Antwerpen, 5 december 2008 In 2012 stond Nederland op de zesde plaats, België op de 13de.