In eminenti apostolatus specula, doorgaans verkort tot In eminenti, is een pauselijke bul, in kerkelijke bronnen aangeduid als een apostolische constitutie, van paus Clemens XII, uitgevaardigd op 28 april 1738. De bul veroordeelde en verbood voor katholieke gelovigen het lidmaatschap van en de deelname aan verenigingen en bijeenkomsten van vrijmetselaars, evenals het verlenen van steun, onderdak of andere medewerking daaraan. Op overtreding stond excommunicatie, die volgens de tekst ipso facto en zonder afzonderlijke verklaring intrad; absolutie was voorbehouden aan de paus of diens opvolgers, behalve in stervensgevaar. De tekst van In eminenti is hier integraal opgenomen in de bul Quo graviora van Leo XII uit 1825. Gedrukte editie: Bullarium Romanum, Taurinensis editio, dl. XXIV, pp. 365–367.

In eminenti geldt in de geschiedschrijving als de eerste pauselijke veroordeling van de vrijmetselarij en vormde het begin van een reeks latere pauselijke maatregelen tegen vrijmetselaarsverenigingen.

miniatuur|Paus Clemens XII|alt=Geschilderd portret van paus Clemens XII in pauselijke kleding.

Historische achtergrond De vrijmetselarij verspreidde zich in de eerste decennia van de achttiende eeuw vanuit Groot-Brittannië over het Europese continent. De nieuwe loges functioneerden als besloten verenigingen met eigen regels, rituelen en eden. De geheimhouding rond hun bijeenkomsten riep niet alleen bij kerkelijke autoriteiten, maar ook bij verschillende wereldlijke overheden argwaan op.

Vóór de uitvaardiging van In eminenti waren in verschillende Europese gebieden al maatregelen tegen vrijmetselaars genomen. In de Nederlanden volgde in 1735 een officieel verbod; daarna werden onder meer in Genève, Frankrijk en de Palts beperkingen opgelegd. Volgens historicus Fryderyk Kwiatkowski behoorden de geheimhouding van de bijeenkomsten en de eden waarmee leden zich tot geheimhouding verbonden tot de belangrijkste redenen waarom dergelijke verenigingen door achttiende-eeuwse overheden als mogelijk illegaal of ontwrichtend werden beschouwd.

De pauselijke maatregel ontstond daarmee in een bredere Europese context waarin besloten genootschappen vragen opriepen over zowel religieuze orthodoxie als de controle van de overheid op particuliere verenigingen. De kritiek van de Heilige Stoel was in 1738 niet uitsluitend gebaseerd op specifiek kerkelijke argumenten: In eminenti verwees zelf ook naar het feit dat vrijmetselaarsverenigingen reeds door wereldlijke vorsten waren verboden en naar mogelijke schade voor de maatschappelijke orde.

Inhoud Clemens XII stelde in de bul dat zich verenigingen hadden verbreid die bekendstonden als Liberi Muratori, Francs Maçons of onder andere namen. Volgens de bul kwamen daarin mensen van uiteenlopende religies en gezindten bijeen en waren zij door een besloten verbond, eigen regels en eden met elkaar verbonden. De paus vestigde in het bijzonder de aandacht op de verplichting tot geheimhouding, die volgens de tekst door een eed op de Heilige Schrift en de dreiging met zware straffen werd bekrachtigd.

De bul presenteerde de beslotenheid van de bijeenkomsten zelf als grond voor verdenking. Daarnaast verwees Clemens XII naar eerdere verboden door wereldlijke autoriteiten. De verenigingen zouden volgens de tekst schadelijk kunnen zijn voor zowel de „tijdelijke rust” van de staat als het „geestelijk heil” van de gelovigen en niet verenigbaar zijn met burgerlijke en kerkelijke wetten.

Het verbod was ruim geformuleerd. Katholieken mochten dergelijke verenigingen niet oprichten of bevorderen, er geen onderdak aan verlenen, zich er niet bij aansluiten of hun bijeenkomsten bijwonen en evenmin rechtstreeks of onrechtstreeks raad, hulp of steun verlenen. Ook het aansporen van anderen tot deelname werd verboden.

Overtreders liepen volgens de bul onmiddellijk excommunicatie op, zonder dat daarvoor een afzonderlijke kerkelijke verklaring nodig was. Alleen de paus of een opvolgende paus kon daarvan absolutie verlenen, met uitzondering van iemand die in stervensgevaar verkeerde. Clemens XII droeg bisschoppen, hogere kerkelijke oversten en inquisiteurs bovendien op tegen overtreders op te treden. Zij konden personen die van overtreding werden verdacht als ernstig verdachten van ketterij onderzoeken en bestraffen en, wanneer nodig, de hulp van de wereldlijke overheid inroepen.

Argumentatie en historiografische duiding De expliciete argumentatie van In eminenti combineert religieuze en politiek-juridische motieven. Op religieus terrein spreekt de bul over het behoud van de „orthodoxe religie”, het geestelijk heil van de gelovigen en de problematiek van verenigingen waarin personen van verschillende religies en gezindten bijeenkwamen. Tegelijkertijd beroept de tekst zich op openbare orde, burgerlijk recht en reeds bestaande verboden door wereldlijke autoriteiten.

Kwiatkowski onderscheidt in deze argumentatie politieke en doctrinaire elementen. Hij beschouwt de bescherming van de openbare orde en de politieke positie van de Kerkelijke Staat als belangrijke factoren in de achttiende-eeuwse houding van het pausdom. Tegelijkertijd verbindt hij het bezwaar tegen de religieus gemengde samenstelling van de loges met de toenmalige katholieke afwijzing van religieus indifferentisme en met de verdenking van ketterij. Het begrip indifferentisme wordt daarbij gebruikt als historiografische duiding; het behoort niet tot de terminologie waarmee In eminenti zelf zijn verbod formuleert.

Een vergelijkbare nadruk op de politieke en institutionele achtergrond komt voor in het onderzoek van de Spaanse historicus José Antonio Ferrer Benimeli. In een bespreking van diens omvangrijke Vaticaanse archiefonderzoek stelt godsdiensthistoricus Jean-Pierre Laurant dat Ferrer Benimeli de veroordelingen van 1738 en 1751 vooral plaatst binnen de politieke, sociale, intellectuele en religieuze omstandigheden van de achttiende eeuw. Daarmee onderscheidt deze benadering de argumenten rond de oorspronkelijke veroordeling van latere, vooral negentiende-eeuwse polemische interpretaties van de vrijmetselarij.

Intellectuele en religieuze context De vroeg-achttiende-eeuwse vrijmetselarij ontwikkelde zich in de bredere intellectuele omgeving van de Verlichting. Historici Margaret Jacob en Matthew Crow wijzen op het gebruik van de taal van de „natuurlijke religie” binnen de vroege vrijmetselarij en brengen deze in verband met onder meer deïstische denkbeelden, bepaalde Newtoniaanse elementen van het verlichtingsdenken en een maatschappelijke ethiek waarin personen met verschillende achtergronden met elkaar konden omgaan.

Deze intellectuele context vormt in de secundaire literatuur een verklaring voor een deel van de spanning tussen de vrijmetselarij en de achttiende-eeuwse katholieke kerkelijke autoriteiten. Zij moet worden onderscheiden van de tekst van In eminenti zelf: de bul ontwikkelt geen systematische filosofische kritiek op de Verlichting, het deïsme of een bepaalde filosofische school. Haar expliciete bezwaren betreffen vooral de religieus gemengde samenstelling van de bijeenkomsten, hun geheimhouding, de daarbij afgelegde eden, de verdenking die deze beslotenheid opriep en de mogelijke gevolgen voor kerkelijke en maatschappelijke orde.

Receptie en vervolg De uitvoering van de pauselijke veroordeling verschilde per gebied. In de Kerkelijke Staat werd de maatregel aangevuld door wereldlijke maatregelen. Kardinaal-staatssecretaris Giuseppe Firrao stelde op 14 januari 1739 dat vrijmetselaarsbijeenkomsten een bedreiging vormden voor de openbare orde en de interne stabiliteit van de Kerkelijke Staat. Kwiatkowski beschouwt deze reactie als een aanwijzing voor het gewicht van politiek-bestuurlijke motieven naast de religieuze bezwaren.

De werking van de bul was buiten de gebieden waar het pauselijk gezag rechtstreeks of via kerkelijke rechtbanken kon worden gehandhaafd niet overal gelijk. Voor de Oostenrijkse Nederlanden beschrijft Robert La Roche dat de bul niet door de overheid werd geregistreerd: voor toepassing was het vereiste placet van de burgerlijke overheid nodig, maar de registratie werd geweigerd. Daardoor had de pauselijke maatregel daar volgens hem geen rechtstreekse burgerrechtelijke uitwerking.

Ook in andere gebieden was de verhouding tussen kerkelijk verbod en wereldlijke uitvoering afhankelijk van de plaatselijke politieke omstandigheden. Dat gold onder meer voor Florence, waar In eminenti onderdeel werd van het conflict rond de plaatselijke vrijmetselaarsloge. De uitvaardiging van de bul werd er gevolgd door onderzoek en vervolging van enkele vrijmetselaars, onder wie de dichter Tommaso Crudeli.

Paus Benedictus XIV bevestigde in 1751 de veroordeling van vrijmetselaarsverenigingen in de constitutie Providas romanorum. Daarbij werden verschillende reeds in In eminenti voorkomende bezwaren herhaald en verder juridisch uitgewerkt. Benedictus verwees onder meer naar het Romeinsrechtelijke begrip collegia illicita, ongeoorloofde verenigingen die zonder toestemming van de bevoegde overheid functioneerden. De Heilige Stoel bleef in latere pontificaten documenten tegen de vrijmetselarij uitvaardigen; In eminenti geldt daarom als het historische beginpunt van een langere reeks pauselijke veroordelingen.

Literatuur

Zie ook

Clemens XII Benedictus XIV Humanum genus Vrijmetselarij Geschiedenis van de vrijmetselarij Vrijmetselarij en de Rooms-Katholieke Kerk

Externe link

In eminenti - Engelse tekst In eminenti - Integraal opgenomen in Quo graviora (1825) op de website van de Heilige Stoel In Eminenti - freemasonry.bcy.ca

Categorie:Pauselijke bul Categorie:Antivrijmetselarij Categorie:Kerkelijke veroordeling van de vrijmetselarij Categorie:Document uit de 18e eeuw Categorie:1738