Cab Kaye (Londen, 3 september 1921 – Amsterdam, 13 maart 2000) was een veelzijdig Engels-Ghanees-Nederlandse jazzmusicus, bandleider, entertainer, drummer, gitarist, pianist, songwriter en zanger die bekendstond om zijn fluweelzachte stem met invloeden van Billie Holiday en zijn capaciteit om piano te spelen met een vloeiende stijl. Hij slaagde erin om vele jazzvormen (blues, bebop, stride, scat) te verbinden met zijn Afrikaanse achtergrond.
Jeugd Cab Kaye, wiens volledige naam Nii-lante Augustus Kwamlah Quaye luidt, maar als musicus ook bekend is als Cab Quay, Cab Quaye en Kwamlah Quaye, werd geboren in de St Giles High Street in Londen in een muzikale familie. Cab Kayes moeder Doris Balderson was een Engelse Music Hall-zangeres. Zijn Ghanese overgrootvader was een asafo warrior drummer. Zijn grootvader Henry Quaye was een organist voor de Methodist Mission Church in de toenmalige Goudkust, het tegenwoordige Ghana. Zijn vader Caleb Jonas Quaye (Accra, Ghana, 1895 – Blisworth, Northamptonshire, 1922) trad op onder de artiestennaam Ernest Mope Diamond als musicus, bandleider, pianist en percussionist. Met zijn bluespianostijl werd hij rond 1920 vooral in Londen en Brighton populair met zijn band “The Five Musical Dragons” in Murray’s Club met onder andere Arthur Briggs, Sidney Bechet, en George "Bobo" Hines. Cab Kaye zou zijn vader nooit leren kennen. Op 27 januari 1922, op weg om een concert te geven, kwam Caleb Jonas Quaye bij een spoorwegongeluk (Blisworth, Northamptonshire) om het leven. Cab was toen vier maanden oud. Hierna verhuisde het gezin van moeder en twee kinderen (Cab en zijn zuster Norma) naar Portsmouth, waar een levensverzekering zorgde voor een financiële ondersteuning. Cab Kaye doorliep de lagere school op de Saint John's elementary school. Tussen zijn negende en twaalfde jaar verbleef hij drie jaar in het ziekenhuis waar een gezwel in zijn nek bestraald werd. De Britse radiotherapie stond nog in zijn kinderschoenen en de behandeling van Cab Kaye was een van de eerste experimentele behandelingen. Hij hield hier zijn leven lang een litteken aan de linkerzijde van zijn hals aan over. Na ontslag uit het ziekenhuis bezocht Cab Kaye kort de Hilsea Secondary School tot 1935. Mogelijk mede doordat zijn moeder intussen alcoholproblemen had, was hij al snel vaker op straat dan in de schoolbank te vinden. Na baantjes als verkoper van paardenmest en bokser bezocht Cab Kaye op zijn veertiende jaar nachtclubs waar gekleurde musici welkom waren (onder andere "Shim Sham" en "The Nest"). Hier leerde hij via de Afrikaans-Amerikaanse trombonist en tapdanser Ellis Jackson kennen. Bij een songcontest won Cab Kaye de eerste prijs: een tournee met de Billy Cotton Band. Cabs eerste instrument was de trom (tympanum). Een Canadese soldaat leerde hem met de stokken om te gaan en leerde hem hoe te tellen. Het was Ellis Jackson die aan Billy Cotton voorstelde om Cab Kaye ook verder als zanger te engageren. Oorspronkelijk geëngageerd als tapdansact maakte hij met Billy Cottons showband in 1936 onder de naam Cab Quay zijn eerste plaatopname: Shoe Shine Boy. Dat was het begin van zijn loopbaan als zanger in de jazzwereld die zou uitgroeien tot een muziekcarrière die hem in contact bracht met alle mogelijke collega's over de gehele wereld.
Oorlogstijd In 1937 begon hij met het bespelen van drums en percussie-instrumenten om in april te werken met Doug Swallow en zijn band gevolgd door Hal Swain Band (zomer) en vanaf september 1937 met Alan Greens band in Hastings. Tot in 1940 werkte hij met de Ivor Kirchin Band in de Paramount Dance Hall (Tottenham Court Road). Cab was daar een van de weinige mensen van Afrikaanse herkomst. Toen bij de deur gasten de toegang geweigerd werd wegens hun huidskleur, weigerde hij te spelen. Dit leidde mede ertoe dat de Paramount Dance Hall vervolgens uitgroeide tot een soort "Harlem of London" (Cab Kaye in Melody Maker, 26 mei 1973). Tijdens een korte periode in de jazzband van Britain's first black swing bandleader: Ken "Snakehips" Johnson and His Rhythm Swingers trad hij in verschillende radio-uitzendingen op. Kort daarop nam Cab dienst bij de Britse koopvaardij (British Merchant Navy). De koopvaardijbemanningen hadden in de Tweede Wereldoorlog een vaarplicht en ze verleenden hand-en-spandiensten aan de oorlogsvoering. Drie dagen nadat Cab had aangemonsterd, werden op 8 maart 1941 Ken Johnson en saxofonist David Williams gedood toen een bom viel op Café de Paris waar de band werkte. Ook Cabs moeder kwam in Portsmouth bij een bombardement, waar haar huis als het enige in de straat getroffen werd, om het leven. Tijdens zijn verlof zong Cab Kaye met Don Mario Barretto in Londen.
In 1942 werd het schip waarop hij voer in de Stille Oceaan, getroffen door een torpedo. Weliswaar werd Cab gered maar het konvooi werd opnieuw beschoten door vijandelijke onderzeeërs. In de drie nachten die volgden, zonken nog twee andere schepen. Deze ervaringen zouden hem zijn verdere leven begeleiden maar nog was Cab Kaye niet gered. Het vliegtuig dat Cab moest overbrengen naar een legerhospitaal in New York, stortte kort voor landing neer. Tijdens zijn revalidatie in New York bezocht hij jazzconcerten en speelde mee in jazzsessies in clubs in Harlem en Greenwich Village met onder meer de trompettist Roy Eldridge, trombonist Sandy Williams, bassist Slam Stewart, Pete Brown, Charlie Parker, Dizzy Gillespie en stride pianist Willie "The Lion" Smith. Het verhaal werd opgenomen in een twee pagina's lang artikel in Melody Maker (december 1942) onder de titel: ‘TORPEDOED... S H I P W R E C K E D... INJURED... BUT HE MET ALL THE SWING STARS!’.
Na zijn terugkeer in Londen zong hij tussen februari en april 1943 met Harry Parry, de "Princes of rhythm", en vormde van 1943 tot 1944 een band in de Orchard Club (Wigmore Street) waarin onder meer de 16 jaar oude jazzsaxofonist Ronnie Scott en de pianisten Ralph Sharon en Dick Katz speelden.
Na de oorlog Na de oorlog speelde Cab Kaye met de All Coloured Band van Leslie "Jiver" Hutchinson in 1946 voor de Britse troepen in Egypte, India en Birma (het tegenwoordige Myanmar). Teruggekeerd in Europa trad hij in België als solist op. In 1947 verlegde hij zijn werkterrein opnieuw naar Londen om te spelen in de bands van gitarist Vic Lewis, trombonist Ted Heath, de bebopband van accordeonist Tito Burns en de band Jazz in the Town Hall. In datzelfde jaar (1947) werd Cab door de lezers van Melody Maker gekozen op de 13e plaats van de Jazz Poll.
Vanaf 1948 leidde hij als orkestleider zijn eigen bands, waaronder The Ministers of Swing waarin onder meer de saxofonisten Ronnie Scott en Johnny Dankworth en de pianist Denis Rose speelden. Voor de nieuwe golf van jazzmuzikanten uit de West Indies in Londen zowel als voor beginnende Engelse jazzmuzikanten was Cab Kaye een inspiratie als bandleider. In 1949 speelde hij met Tommy Pollard (piano, accordeon, vibes), Cecil Jacob "Flash" Winston (drums, vocals en piano) en met Paul Fenhoulet's Orchestra, een band waarin steeds top jazzmusici speelden. Andere bands die Cab Kaye in deze periode aanvoerde waren The Cabinettes (samen met Ronnie Ball) waarin onder meer de "blues singer" uit Trinidad Mona Baptiste zong en "Cab Kaye and his coloured orchestra". Met klarinettist Keith Bird and The Esquire Six nam hij op 13 oktober 1949 een plaat op. Door Cab op elektrische gitaar geleid speelden deze bands regelmatig in de "Fabulous Feldman Club" (100 Oxford Street, London). De Feldman Club was gehuisvest in de, binnen de geschiedenis van de moderne Britse muziek, legendarische 100 Club. Elke zondag avond werd het restaurant gehuurd door de vader van jazzdrummer Victor Feldman om zijn zoon met regelmatige optredens te garanderen. Cab Kaye trad hier regelmatig op totdat de Feldman Club in 1953 gesloten werd. Met zijn eigen All Coloured Band met daarin onder meer Dave Wilkins, Hank Shaw en Sam Walker maakte hij concerttournees door geheel Europa. Cab Kayes manager uit die tijd, Harold Davidson, boekte de band ook in Nederland. In 1948 was Cab Kayes band de eerste band met een gekleurde bezetting die na de oorlog in het Amsterdamse Concertgebouw speelde. Eind jaren veertig ontmoette Cab Kaye in Parijs Tadd Dameron die daar met Miles Davis optrad. Van Tadd Dameron kreeg Cab Kaye de eerste en enige pianoles in zijn leven. In de Club St. Germain trof en speelde hij met gitarist Django Reinhardt die in die tijd meer bebop en ook vaker elektrisch speelde. In Parijs trof Cab Kaye ook Roy Eldridge weer, die hem aan Don Byas voorstelde. Waarschijnlijk vond dit plaats in Dick Edward's Jazzclub "Ringside" (later de "Blue Note") in de rue Thérèse, Parijs. De Ringside club was een komen en gaan van jazzgrootheden als pianist Art Simmons, Annie Ross (Lambert, Hendricks & Ross), saxofonist James Moody, Pierre Michelot (bassist, bandleider en componist) en dichter-zanger "Oop-Pop-A-Da" Babs Gonzales. In Jazz News (21 juni 1961) wordt een jamsessie in de Ringside club begin jaren vijftig beschreven waar deze musici en Cab het publiek op de stoelen kreeg met een half uur durende bopimprovisatie op "Stomping at the Savoy". In de daaropvolgende periode, in het begin van de jaren vijftig, begeleidde Cab Kaye regelmatig saxofonist Don Byas op piano.
In mei 1950 speelde Cab Kaye in Nederland. "Cab Kayes combo komt naar Rotterdam!", Cab Kaye en "7 negermusici", zo bericht het Nederlandse jazzblad "Rhythme" op 15 februari 1950, "brengt een programma uitgevoerd in de stijl van Louis Jordan maar ook Zuid-Amerikaanse muziek en calypso's". Cab kaye speelde de hele maand maart in de Rotterdamse Parkzicht met de jazztrompettist uit Barbados Dave Wilkins, de Jamaicaanse tenorsaxofonist en klarinettist George Tyndale, Sam walker (tenorsax), Cyril Jones (piano), Rupert Nurse (bas), Cliff Anderson (drums) en Chico Eyo (bongo's). Met de Skymasters treedt Cab Kaye op voor de AVRO (volgens Melody Maker door de AVRO uitgezonden op 17 mei 1950). In dezelfde periode speelde Cab Kaye in "Music all in" uitgezonden door de TROS (Jazz & geïmproviseerde muziek in Nederland; 1978). In 1951 nam hij met Astraschall Records in Duitsland een plaat op met George Tyndale (tenorsax), Dave Wilkins (trompet), Sam Walker (tenorsax), Cyril Johnson (piano), Owen Stephens (bas) en Aubrey Henry (drums).
Jaren vijftig en hete saus Tussen december 1950 en mei 1951 werd Kaye en zijn Cab Kaye's Latin American band door Lou van Rees geboekt voor een tournee door Frankrijk, Duitsland en Nederland (waar hij onder meer Charlie Parker ontmoette). In Nederland speelde Kaye in het zojuist geopende Avifauna in Alphen aan den Rijn, 's werelds eerste vogelpark. Het toeval wil dat de oprichter en eigenaar, de Haagse hoedenfabrikant Gerardus van den Brink, een oom was van Kayes latere vrouw Jeannette. De eerste ontmoeting tussen hem en Jeannette als klein meisje was dan ook in Avifauna, het duurde echter nog bijna 30 jaar voordat hierop een vervolg kwam.
In 1951 kreeg Cab Kaye een kleine rol in de film “Sensation in San Remo” onder regie van Georg Jacoby. Alhoewel de “New Musical Express“ op 20 maart 1953 schrijft „Cab Kaye gets Big Film Break” wordt de film geen succes en verdwijnt als flop al spoedig uit de bioscopen. Voor Kaye is het echter niet de laatste maal voor de camera. Verdere bekendheid kreeg Cab Kaye met zijn shows in de Montpelier Buttery Club waar Cab Kaye met, aldus een flyer uit die tijd, zijn "Afro-Cuban music", danswedstrijden organiseerde (cha-cha, mambo en jive). Prijzen werden uitgereikt door jazz"stars" als Tony Crombie en Ronnie Scott. In 1952 maakte hij platen met het Gerry Moore Trio op 1 maart 1952 en het Norman Burns Quintet op 17 mei 1952. Van eind 1952 tot midden 1953 speelde hij met drummer Tommy Jones uit Liverpool en bassist en gitarist Brylo Ford uit Trinidad. Brylo Ford en Deacon Jones (drums) spelen ook in het trio waarmee Cab in 1953 een gastrol in de film Blood Orange onder regie van Terence Fisher kreeg.