Dit artikel behandelt de geschiedenis van Suriname.

Precolumbiaans (tot 1492) Archeologische opgravingen wijzen uit dat rond 10.000 voor Christus, en mogelijk eerder, de oudste bewoners van Amerika, de Paleo-inheemsen of Paleo-Amerikanen, zich vestigden in de Sipaliwinisavanne. Dit waren nomadische jager-verzamelaars, en het archeologisch materiaal (vuistbijl, chopper, stenen pijlpunt etc.) komt overeen met materiaal dat in Europa uit de oude steentijd of paleolithicum wordt gevonden.

Rond 3000 voor Christus vestigden zich aardewerk producerende agrarische gemeenschappen nabij de benedenloop van de Corantijn, waar zij verbleven tot ongeveer 500 v.Chr.. In Suriname is er archeologisch bewijs dat deze gemeenschappen zich vestigden aan de Kaurikreek en aan de Maratakka. Dit waren (semi-)sedentaire landbouwers, en het archeologisch materiaal (aardewerk en landbouw) komt overeen met wat in Europa de nieuwe steentijd of Neolithicum wordt genoemd.

Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat aan de Corantijn, bij de Wonotobovallen, er vanaf het begin van de jaartelling Saladoïde en Barrancoïde aanwezigheid was.

Rond 500 trokken afstammelingen van deze Arowakken van deze Mabaruma-cultuurfase vanuit het westen het laagland van de Guyana's binnen en verdreven waarschijnlijk de Surinen, een volk dat leefde van visvangst en schelpdieren. Van deze Surinen is waarschijnlijk de naam Suriname afkomstig. De Arowakken vestigden zich vooral langs de kust, maar trokken ook via de rivieren het binnenland in. Ze vormden waarschijnlijk een goed ontwikkelde beschaving die vanwege de veel voorkomende overstromingen in de moerassen van het kustgebied kleiterpen opwierpen om hun vruchtbare landbouwgrond en woongebied te beschermen. Ze waren vooral landbouwers, vissers en verzamelaars. Ze cultiveerden cassave, ananas, kalebas, papaja, tabak, katoen en pijlriet en richtten een bloeiende samenleving op.

Rond 750 is er een aanwezigheid van Koriabo, een archeologische cultuur die genoemd is naar de Koriabokreek in Guyana, waar dit type aardewerk voor het eerst is aangetroffen en beschreven. Tussen 750 en 1500 verspreidde dit type aardewerk zich over Guyana, van wat nu Braziliaans-Amapá is, Frans-Guyana, Suriname, Guyana, en Venezuelaans-Guayana. Koriabo wordt algemeen geassocieerd met Cariban-sprekende volken die de voorouders zijn van de huidige inheemse volken, zoals de Kalinya, Carib, Trio en Wayana.

Terpbewoners Veel van de geschiedenis van voor de komst van de Europeanen is onduidelijk bij gebrek aan geschreven bronnen, maar de archeologie, met name in plaatsen als Hertenrits heeft toch een aantal zaken aan het licht gebracht.

West-Suriname was lange tijd het oostelijk grensgebied van eerst de Saladoïde en daarna de Barrancoïde aardewerktraditie. De vondsten in Wonotobovallen laten eerst de ene en daarna de andere cultuur zien. In het kustgebied waren er terpbewoners tussen de 4e en 13e eeuw. De oudste vondsten zijn van de terpen Buckleburg-I en II en dateren van 1845±45 BP. Deze terpen waren omgeven door vrijwel vierkante verhoogde akkers. Het aardewerk behoort tot de Barancoïde traditie. De jongste sporen daarvan zijn van ongeveer 700 AD. Even ten westen daarvan ligt Hertenrits en een aantal andere terpen met een volkomen andere traditie en lange, smalle verhoogde akkers. Het lijkt erop dat er rond 700 een nieuw volk zich is komen vestigen met een Arauquinoïde traditie die herkenbaar uit streken verder westelijk stamt (Venezuela). Zij cultiveerden vooral cassave, naast een veelheid aan andere planten. Verder oostelijk in Peruvia zijn ook vondsten van deze Vroege Hertenritscultuur aangetroffen, maar daar zijn ook elementen van de Kwatta Tingiholocultuur te vinden die eerder met Centraal-Suriname in verband staat. Mogelijk waren er handelsbetrekkingen die natuursteen vanuit het binnenland naar de steenloze kuststreken bracht. De Arauquinoïde traditie breidde zich verder naar het oosten uit, er zijn ook resten ervan op het eiland Cayenne gevonden. Deze uitbreiding dateert vooral van de periode 1000-1250.Barrancoid and Arauquinoid Mound Builders in Coastal Suriname; Aad H. Versteeg, in:Handbook of South American Archaeology 2008; ,

Kolonisatieperiode (1492-1954) thumb|venster van de Canon van Zeeland over de verovering van Paramaribo door Abraham Crijnssen De eerste Europese kustverkenningen werden in 1499-1500 uitgevoerd door de Spaanse ontdekkingsreiziger Alonso de Hojeda, gevolgd door Vicente Yáñez Pinzón en Diego de Lepe die beiden de noordkust van Brazilië volgden tot aan Trinidad. De Spanjaarden toonden verder geen interesse in Suriname. Een eeuw later gingen Engelse ontdekkingsreizigers op instigatie van Walter Raleigh op zoek naar het mythische goudland El Dorado. Laurence Keymis zeilde in 1596 in opdracht van Raleigh de Corantijn op en Unton Fisher in 1609 in opdracht van Robert Harcourt de Marowijne.

Op 23 april 1593 werd het gebied Guyana voor koning Filips II van Spanje in bezit genomen door Domingo de Vera. De Britten plaatsten hun vlag namens koning Jacobus I in 1609. Vanaf die tijd werd er door Europese planters geprobeerd om zich te vestigen in Suriname.Encyclopedie van Suriname (1977), lemma 'Geschiedenis', p. 233 Zij kozen de hoger gelegen gedeelten uit om hun vestigingen te stichten. Paramaribo, Coronie en Groningen zijn op ritsen gebouwd. Het stratenpatroon van de oude binnenstad van Paramaribo weerspiegelt de ligging van de ritsen. De huizen zijn op een rits gebouwd en de achter de huizenrijen liggende lagere grond wordt als erf gebruikt.

In 1613 werd in Paramaribo, waar al een inheemse nederzetting was, een Amsterdamse factorij gevestigd.

Rond 1640 vestigen zich aan de Cassiporakreek de eerste Joden. Zij waren voor vervolging door de Spaanse Inquisitie uit Spanje naar Suriname vertrokken. Ze beginnen er diverse plantages waarop zij slaven houden. Rond 1650 komt een tweede groep Joden, dit keer uit Engeland onder aanvoering van Francis Willoughby. Een derde groep, onder leiding van David Cohen Nassy, komt uit Mauritsstad (Brazilië). De Britse kolonie tussen de Coppename en de Marowijne kreeg in 1662 in een Charter van koning Karel II de naam Willoughbyland en als hoofdstad Torarica. Als de Fransen in 1664 Cayenne op de Nederlanders veroveren, vestigen ook vele joden uit dat gebied zich in de Jodensavanne.

Zeeuwse en Amsterdamse kolonie

miniatuur|Fort Zeelandia, Paramaribo In 1667 rustten de Staten van Zeeland een vloot van zeven schepen onder leiding van Abraham Crijnssen uit, die Suriname (toentertijd Serename of Soramme genoemdRuud Paesie Abraham Crijnssen en de verovering van Suriname, in: onder redactie van Tobias van Gent en Ruud Paesie (2012) Zeeuwse zeehelden. Uit de zestiende en zeventiende eeuw, p. 123) met een verrassingsaanval op de Engelsen veroverde. Een jaar later zou Suriname, dat met de Engelsen werd geruild voor Nieuw-Amsterdam (het latere New York), definitief in bezit komen van de Staten van Zeeland. Deze leed jaarlijks verlies op de kolonie, onder andere door de militaire maatregelen die nodig waren om de kolonisten te beschermen tegen aanvallen van de oorspronkelijke bewoners.

In december 1678 nam Johan Heinsius het plaatselijk bestuur over van Abel Thisso, die na het vertrek van Adriaenssen had waargenomen. Hoewel slechts anderhalf jaar aan de macht, was Heinsius' betekenis voor de kolonie in de kritieke jaren 1679 en 1680 groot. Heinsius wist de teloorgang van de kolonie te voorkomen door krachtig optreden tijdens de eerste jaren van de Inheemse oorlog (1678-1686). Toen hij in april 1680 stierf, schreven de planters op 6 mei een brief aan de Staten van Zeeland, waarin ze voorstelden om zelf een bestuur te vormen. De Staten van Zeeland wilden echter van Suriname af. Er was onenigheid met de Staten-Generaal en de West-Indische Compagnie (WIC). Die laatste claimde het bezit over Suriname op basis van het octrooi dat ze door de Staten-Generaal verleend was. De Staten-Generaal steunde de WIC hierin.

Om aan de impasse te ontkomen verkochten in 1682 de Staten van Zeeland hun Surinaamse bezittingen voor 260.000 gulden aan de WIC. Die wilde niet alle financiële risico's alleen dragen en maakte een jaar later de stad Amsterdam en Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck tot deelgenoot. De aandelen van deze nieuwe onderneming, de Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname, werden gelijkelijk verdeeld. De nieuwe onderneming werd vanaf 1683 verantwoordelijk voor het beheer van de kolonie Suriname. In deze periode werden vele plantages opgericht waar slaven aan het werk werden gezet om koffie, suikerriet en specerijen te verbouwen, die vervolgens in Europa werden verkocht.

In 1712 viel de Franse kaper Jacques Cassard Suriname aan waardoor 'zoutwaternegers' (uit Afrika aangekomen slaven) de kans grepen om tijdens de verwarring van de plantages te ontsnappen, het oerwoud in. Asikan Sylvester was een van hen. Hij stichtte een marron-gemeenschap en werd later opgevolgd door de bekende Boni. De aanval van Cassard was voor de regering in Suriname aanleiding voor de bouw van het Fort Nieuw-Amsterdam.

Tot de achttiende eeuw waren er geen noemenswaardige nederzettingen in het westen van het huidige Suriname. Plantages daar zouden niet beschermd zijn tegen overvallen vanuit de zee en er was genoeg grond in het oosten, waar Fort Nieuw-Amsterdam voor veiligheid zorgde. De eigenlijke Surinamekolonie beperkte zich tot de Suriname- en Commewijne (rivier) en hun zijtakken. Na het gereedkomen van Fort Nieuw-Amsterdam in 1746 was de Commewijnerivier volledig beschermd en werden de gronden aan de monding van de rivier ontgonnen. In 1747 verkreeg Isaac Godeffroy een grondwarrande voor 500 akkers (1 akker = 10 vierkante ketting= 0,43 hectare).

De Coppename speelde in de economie van Suriname geen rol van betekenis. Dit in tegenstelling tot de Saramacca, waarlangs in de 18e en 19e eeuw meerdere cacao- en suikerrietplantages zijn aangelegd. Behoudens een enkele houtgrond, zoals Andresa, was Batavia de enige plantage aan de Coppename.

In 1753 gaf de Amsterdamse bankier Willem Gideon Deutz een West-Indische plantagelening van een miljoen gulden uit. Waarschijnlijk heeft J.J. Mauricius nog tijdens zijn gouverneurschap in Suriname dan wel tijdens zijn verblijf in de Republiek in 1751 Deutz aangespoord krediet aan de planters te verschaffen. Amsterdam stortte 30.000 gulden in het fonds. Het krediet groeide tot vier miljoen aan en stelde de planters in staat van schuldeiser te veranderen. De planters verplichtten zich al hun producten aan de "Voorschotbank", dat wil zeggen Deutz, in bewaring te geven, die ze tegen een commissieloon van 2% zou verkopen. Er meldden zich in 1758 volgens een omstreden notitie 89 planters, die voor 4.628.365 gulden bij Deutz in het krijt stonden.

De negotiatie had de vorm van een hypotheek waarvan de hoogte werd bepaald door de waarde van de grond, slaven en oogst.Slot, E. (1990) Vijf gulden eeuwen. Momenten uit 500 jaar gemeentefinanciën, p. 35 - 37. Deutz heeft waarschijnlijk in afwachting van betere tijden de achterstallige interest uit eigen beurs aan de obligatiehouders betaald. Vermindering of uitstel van interestbetaling en aflossing aan de obligatiehouders zou immers de koers doen zakken en de negotiatie een slechte naam bezorgen.Voort, J.P. van der (1973) De West-Indische plantage van 1720 tot 1795. Financiën en Handel, p. 91 - 96. De door Deutz verschafte plantagelening is nog door vele andere gevolgd, maar bij zijn overlijden bleken zijn zaken in geëmbrouilleerde staat te verkeren, zodat zijn erfenis door de erfgenamen onder voorwaarden, aanvaard werd.

thumb|Kaart van De Lavaux uit de 18e eeuw

In 1720 onderzocht Salomon Herman Sanders in opdracht van gouverneur Jan Coetier de bovenloop van de Corantijn naar goudvoorkomens.Grensgeschillen in de Guianas, Geografie, Salomon Kroonenberg, januari 2016. Gearchiveerd op 19 februari 2023.