thumb|Adriaan Blaauw (2009) Adriaan Blaauw (Amsterdam, 12 april 1914 - Groningen, 1 december 2010) was een Nederlands astronoom.

Opleiding Adriaan Blaauw werd op 12 april 1914 in Amsterdam geboren. Zijn vader was accountant en afkomstig uit een Noord-Hollandse boerenfamilie. Als kind al raakte hij geboeid door de sterrenhemel en ontwikkelde hij zich tot amateurastronoom. Toen hij in 1932 eindexamen HBS had gedaan, koos hij voor een studie sterrenkunde in Leiden. Hij nam zijn lijstje met voortreffelijke eindexamencijfers mee voor een kennismakingsbezoek met de hoogleraar, Willem de Sitter. Het bezoek verliep gunstig en De Sitter was bereid hem als student aan te nemen.

Leiden thumb|De voormalige Leidse sterrenwacht De studie verliep voorspoedig. In 1935 deed hij met succes zijn kandidaatsexamen en werd als onbezoldigd assistent in de staf van de sterrenwacht opgenomen. De Sterrenwacht, in een afgesloten stuk van de Hortus, was een enclave in de stad Leiden. Het gebouw bevatte niet alleen werkkamers en koepels met telescopen, maar ook woningen van de hoogleraren en van enkele instrumentmakers, terwijl op het terrein nog enkele kleine woningen stonden die bewoond werden door (vrijgezelle) assistenten.

Groningen Lang bleef Blaauw niet in het Leidse – hij zou nooit ergens lang blijven. In 1938 verhuisde hij naar zijn eerste betaalde baan, assistent bij Pieter van Rhijn op het Kapteyn Laboratorium in Groningen, opgericht en tot grote bloei gebracht door Jacobus Cornelius Kapteyn. Hij ging daarbij wel van een bloeiend, levendig instituut naar een instituut dat, na het emeritaat van de hoogleraar waarnaar het vernoemd was, veel van zijn glans had verloren. Van Rhijn had het als zijn taak gezien Kapteyns plannen te voltooien, ook toen die plannen verouderden.

Binnen anderhalf jaar brak de Tweede Wereldoorlog uit en werd ontwrichting van het leven belangrijker dan concurrentie in wetenschappelijk onderzoek. Hij kreeg er wel verantwoordelijkheden bij omdat Van Rhijn aan tuberculose leed en veelvuldig en voor langere tijd afwezig was. Eind 1944 werd Blaauw door de Duitse bezetter gearresteerd en gevangengezet in de Groningse gevangenis. Hij werd er van beschuldigd naar de Engelse radiozender te hebben geluisterd. Nadat zijn familie een belangrijke Duitse militair had omgekocht, kwam hij in februari 1945 vrij.

Op de eerste ochtend terug op het Kapteyn Laboratorium belden er twee middelbare scholieren aan. Ze waren geïnteresseerd in de mogelijkheden van een studie sterrenkunde. Ze werden beminnelijk door Blaauw ontvangen en hebben met succes gestudeerd en het ver gebracht in de wetenschap: Jan Borgman werd voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), na een aantal jaren de Groninger universiteit te hebben bestuurd, en Maarten Schmidt werd hoogleraar aan het California Institute of Technology en heeft eeuwig faam verworven als de ontdekker van de quasars.

De misschien wat ongemakkelijke rust van de oorlogsjaren stelde Blaauw wel in staat om met zorg zijn proefschriftonderwerp te kiezen. Hij besloot een studie te maken van een losse groep van nabije, heldere sterren in de sterrenbeelden Schorpioen en Centaurus. De vraag die hij zich stelde was te bewijzen dat hier inderdaad sprake was van één groep, om vervolgens te vragen hoe de groepsstructuur en de kinematica waren. De belangrijkste nieuwe gegevens waren de verplaatsingen van de sterren te vergelijken met posities van zo’n vijftig jaar eerder. De verplaatsingen waren zo klein, dat de metingen behept waren met allerlei fouten – en geen willekeurige fouten, maar moeilijk op te sporen systematische fouten. Dit was een probleem van een soort dat Blaauw zijn hele leven met succes tegemoet is getreden. Een van zijn door studenten graag geciteerde uitspraken was: "Eerst maar eens de boel op orde brengen". En inderdaad, nadat Blaauw de boel op orde had gebracht was er consistentie. Ook hierin herken je de latere bestuurder. Of de boel nu een sterrenkundig vraagstuk, een akkefietje in de sterrenwachtraad, of een internationaal aspect betrof, Blaauw creëerde rust. En met geduld en intelligent inzicht ontstond ruimte waarbinnen een oplossing werd gevonden. Henk van de Hulst heeft ooit opgemerkt dat Adriaan Blaauw ten minste één karaktereigenschap had die je zelden of nooit tegenkwam: onder druk gezet werd hij trager en voorzichtiger.

Promotie Blaauw promoveerde cum laude op 6 juli 1946 te Groningen. In zijn proefschrift (A study of the Scorpio-Centaurus cluster) toonde hij aan dat er in het bestudeerde gebied inderdaad een groep hete sterren was die op ongeveer dezelfde afstand stond en dat deze groep expandeerde. De sterren bewogen zich van elkaar af en de groep was bezig uit elkaar te vallen. Het proefschrift was knap werk dat de tand des tijds goed heeft doorstaan en nog steeds het cum laude rechtvaardigt dat hij er voor kreeg. Toch schrijft hij zelf in een korte autobiografie dat hij een belangrijk punt had gemist: de conclusie dat de groep kortgeleden was ontstaan; de hete, heldere sterren moesten allemaal jong zijn. Deze conclusie werd pas enkele jaren later getrokken door de beroemde Russische astronoom Viktor Hambartsoemian. In 1945 besefte men nog nauwelijks dat sterren, hoelang ze ook kunnen bestaan, toch allemaal vergaan en vervangen worden door nieuwe. Een andere verrassing die pas later voortkwam uit zijn proefschriftonderzoek was de ontdekking van sterren, "hardlopers", die met grote snelheden wegliepen uit het gebied waar ze kennelijk waren ontstaan. Blaauw zou in 1961 in een veel geciteerd artikel een boeiende verklaring vinden voor de snelheden van deze runaway-sterren. Daarin was zo’n ster aanvankelijk door zwaartekracht gebonden aan een andere ster. Die andere, zwaardere ster explodeerde na enige tijd en daarmee viel abrupt de zwaartekracht weg en werd de hoge cirkelbaansnelheid van de eerste ster praktisch instantaan omgezet in een hoge wegloopsnelheid.Blaauw, A. (1961) On the origin of the O- and B-type stars with high velocities (the "run-away" stars), and some related problems. Bulletin of the Astronomical Institutes of the Netherlands, Vol. 15, p.265. Gearchiveerd op 17 december 2016.

Leidse Sterrenwacht Meteen na de oorlog werd Jan Hendrik Oort de nieuwe directeur van de Leidse Sterrenwacht. Hij vroeg al snel of Blaauw bereid was in Leiden een baan als conservator aan te nemen. Het was een aantrekkelijk aanbod en Blaauw, inmiddels getrouwd en met een jonge zoon en dochter, vertrok naar Leiden. Daar ontstonden nieuwe mogelijkheden. Blaauw nam deel aan een Leidse expeditie naar een tijdelijk waarneemstation op de evenaar in Kenia, om betere sterposities te meten. Uit de plek aan de horizon waar een ster onderging volgde direct de declinatie – de grootheid die bij meting vanuit verder noordelijke of zuidelijke breedte notoir onnauwkeurig was. Een eerdere expeditie was mislukt maar dit keer had men wel succes. Een ander nieuw project bracht samenwerking mee met Otto Struve in de Yerkes Observatory bij Chicago. Blaauw verbleef daar enkele maanden in 1947, 1948 en 1952. Uiteindelijk leidde dit tot het aanbod van een stafpositie op de sterrenwacht van Yerkes, toen een van de meest gerenommeerde instituten in de Verenigde Staten. In 1953 vertrok Blaauw per vliegtuig en zijn gezin reisde hem per boot achterna.

Yerkes Observatory thumb|Yerkes Observatory In Yerkes hadden hij en zijn gezin goede jaren. Ze woonden bij de sterrenwacht op een aangename afstand van de stad Chicago. De natuur was er prachtig, waarbij de aanwezigheid van het idyllische Lake Geneva een belangrijke factor was. Er waren veel bezoekers en het was gemakkelijk goede contacten te leggen. Blaauw kreeg betere kansen om zijn studies van jonge, hete sterren met verbeterde waarnemingen voort te zetten en toen hij ook nog associate director werd, leek het wel zeker dat hij zich definitief in de Verenigde Staten had gevestigd. Inderdaad is hij dat land altijd als zijn tweede vaderland blijven beschouwen. Maar hoe mooi het er ook was, toch bleef hij er maar een paar jaar.

Kapteyn Instituut in Groningen In Groningen was Van Rhijn inmiddels met emeritaat. Curatoren van de universiteit besloten dat er een opvolger moest komen en benaderden Blaauw. Er volgden langdurige onderhandelingen waarbij Blaauw als belangrijkste eis stelde dat hij het bestaande instituut mocht uitbreiden en dat hij een eigen sterrenwacht zou krijgen. Het duurde even, maar ten slotte werden zijn eisen ingewilligd. Hij kreeg een 60cm-telescoop en een fors budget voor waarneemreizen, kon een groot aantal medewerkers aantrekken, het programma van het instituut moderniseren en uitbreiden met astronomische instrumentatie, radiosterrenkunde, en fysica van het interstellaire gas.Levensloop van Prof. dr. Adriaan Blaauw Rijksuniversiteit Groningen, 2004. Gearchiveerd op 20 juni 2018.

Hij trof daar een instituut aan dat er op details na nog zo uitzag als toen hij het verliet, en zelfs grotendeels nog zoals Kapteyn het had achtergelaten. Er waren twee stafleden, Lukas Plaut en Jan Borgman, er waren rekenaars (die vooral rekenden met logaritmetafels en enkele mechanische handrekenmachines) en enkele technici. Dit moest veranderen. Nu had Blaauw het tij mee. De Nederlandse maatschappij was bezig in een snel tempo te moderniseren. Een groter deel van de bevolking moest universitair onderwijs krijgen. Er kwam geld voor vernieuwing van gebouwen en voor nieuwe stafposities. Dankzij een nieuw beursstelsel begonnen ook de studentenaantallen te groeien. De universiteiten groeiden in rap tempo uit de oude kleren.

Blaauw brak met de onderzoekslijnen van Van Rhijn. De radioastronomie werd toegevoegd als nieuw onderzoeksterrein en daarvoor werd uit Leiden een radioastronoom, Hugo van Woerden, aangetrokken. Er kwam zelfs een nieuw professoraat in de astrofysica waarvoor Stuart Pottasch bereid was over te komen uit de Verenigde Staten. Binnen twee jaar waren er weer nieuwe studenten. Eén per jaar was dan wel niet veel, maar veel meer dan wat er in de voorgaande jaren was ingestroomd. Van 1958 tot 1965 was hij secretaris van de ZWO-Stichting Radiostraling van Zon en Melkweg en betrokken bij de exploitatie van de Dwingeloo Radiotelescoop en de voorbereiding van de Westerbork Synthese Radio Telescoop.

Vier jaar (1964-68) was Blaauw decaan van de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen te Groningen.In Memoriam Adriaan Blaauw Rijksuniversiteit Groningen. Gearchiveerd op 7 oktober 2017.

In Nederland trof Blaauw nog meer aan dan het Kapteyn Laboratorium. Er was het project voor een Europese samenwerking in de sterrenkunde, dat in 1953 in gang was gezet door Jan Hendrik Oort en Walter Baade, de laatste een Duitse astronoom en staflid van de Mount Wilson en Palomar sterrenwacht in het zuiden van Californië. Oort en Baade hadden geconcludeerd dat Europese sterrenkundigen moesten kunnen beschikken over een telescoop met een middellijn van drie meter of meer, wilde men in Europa enigszins gebruikmaken van de fascinerende mogelijkheden die de actuele sterrenkunde bood. Ook was het de enige manier om de achterstand op de Verenigde Staten kleiner te maken. Hoewel er algemeen enthousiasme bestond voor dit plan, verliep de besluitvorming heel traag. In 1958 was nog maar weinig bereikt. Dat was het moment waarop Blaauw zijn diensten aanbood.

European Southern Observatory (ESO)