Imperialisme is het proces waarbij landen hun macht in andere delen van de wereld uitbreiden, door gebieden te veroveren en te beheersen. Het overnemen gebeurt niet, zoals bij kolonialisme, alleen om economische redenen, maar ook om de eigen cultuur en politiek over te brengen, of deze zelfs op te leggen aan de onderworpen bevolking.

Inleiding Imperialisme Vanaf de 15e eeuw begon een Europese expansie. Voor die tijd was er nog sprake van een aantal ongeveer gelijkwaardige grote wereldbeschavingen. Daarna nam Europa als gevolg van het technische, militaire en economische overwicht steeds duidelijker de leiding. Gedreven door wisselende combinaties van economische, wetenschappelijke en religieuze motieven begon de Europese macht overal op aarde voelbaar te worden. Vanaf ongeveer 1500 werd wat nu Latijns-Amerika heet door de Portugezen en de Spanjaarden onderworpen, vanaf circa 1600 deden ook de Engelsen, Nederlanders en Fransen zich gelden op het Westelijk halfrond. Na 1825 was er van al die koloniën echter weinig meer over. Het waren meestal niet de oorspronkelijke bewoners die hun onafhankelijkheid herwonnen, maar de Europese kolonisten die zich afzetten tegen hun respectieve moederlanden. Tot 1870 was de Europese invloed in het Nabije Oosten, Oost-Azië en de binnenlanden van Afrika nog vrij gering. Europeanen beperkten zich tot het stichten van handelskoloniën in kustgebieden. Ze grepen niet in in de bestaande productiewijzen, ze dreven handel in producten die de bestaande inheemse economie voortbracht. Ook de politieke structuren lieten ze veelal intact. In de eerste helft van de 19e eeuw breidden de Europese koloniën zich nog relatief langzaam uit, maar werden wel de nog laatste onbekende binnenlanden door westerse avonturiers, wetenschappers en missionarissen verkend en in kaart gebracht.

Modern imperialisme Tussen 1870 en 1914 veranderde die relatieve terughoudendheid radicaal en het tempo van de Europese uitbreiding versnelde dramatisch. Vrijwel geheel Afrika, Oceanië en grote delen van Azië werden onder Europees bestuur gebracht. Op de Koloniale Conferentie van Berlijn kwamen de Verenigde Staten en vijftien Europese landen een verdeling van vrijwel heel het Afrikaanse continent overeen. De Europeanen begonnen hun koloniën systematisch te exploiteren. Ze begonnen het vervaardigen van producten op een moderne economische manier aan te pakken. Zo investeerden ze in de mijnbouw en plantageculturen als tabak, rubber, suiker, thee en koffie en verbeterden ze de infrastructuur om de producten gemakkelijker te verhandelen door de aanleg van spoorwegen en havens. Er werden banken en verzekeringsmaatschappijen opgezet en de horeca ontwikkelde zich om Europeanen volgens hun eigen eetgewoontes te bedienen.

Met het steeds groter groeiende Europese koloniale gebied werden Europese ideeën ook steeds verder verspreid, als eerste het christendom en Europese rechtssystemen en later ook het humanisme, communisme en vooral nationalisme.

Met de Spaans-Amerikaanse Oorlog begon voor de Verenigde Staten het tijdperk van het imperialisme in 1898.

Japan moderniseerde snel na 1863 en nieuwe ambities van het land leidden tot de Eerste Chinees-Japanse Oorlog (1895) en de Russisch-Japanse Oorlog (1905), waarmee Korea, Taiwan en andere territoria veroverd werden en Japan een imperialistische politiek voerde.

Theorieën over het imperialisme

Deens historicus en imperialismeonderzoeker Peter Fibiger Bang stelt in zijn essay 'Empire - A World History'Peter Fibiger Bang, 'Empire—A World History: Anatomy and Concept, Theory and Synthesis', in The Oxford World History of Empire, onder redactie van Peter Fibiger Bang, C.A. Bayly, Walter Scheidel, vol. 1 (Oxford: Oxford University Press, 2021), 20-21. dat theorieën van het imperialisme zich min of meer in twee categorieën bevinden:

Sommige imperialismetheoretici stellen dat het fenomeen voortkomt uit kapitalisme. Meer bepaald zou het volgens deze intellectuelen het economisch-monopolistische gedrag van metropolitane bedrijven aanzetten tot buitenlandse expansiedrift om grondstoffen, afzetmarkten en goedkope arbeidskrachten te verwerven. Deze stroming onderzoekers stelt overwegend dat imperia een modern fenomeen zijn. Een cruciaal vormgever van deze familie theorieën was de Russische marxistische revolutionair Vladimir Lenin, die het imperialisme voorstelde als 'het hoogste stadium van het kapitalisme'. Andere imperialismetheorici beweren dat imperialisme een project is van aristocratische of gemilitariseerde elites uit eerzucht. De intellectueel aan de basis van deze onderzoeksopzetten was de Oostenrijks-Amerikaanse econoom Joseph Schumpeter, die stelde dat imperia "een archaïsch reliek zijn, het resultaat van een atavistische drang van krijgersklassen van vroeger tijden". Deze stroming onderzoekers ziet imperialisme vooral als een antiek fenomeen dat door economische mondialisering binnen een internationaal kader van onafhankelijke natiestaten voorbijgestreefd zou worden.

Bang beweert dat de Britse liberale journalist en imperialismecriticus John Atkinson Hobson vier belangrijke kenmerken onderscheidde in zijn boek Imperialism. A Study (1902):

Een economische strategie ter monopolisering van markten; Een project ten voordele van de belangen van aristocratische klassen; Een ideologisch systeem en vorm van identiteitsvorming; Een strategie in interstatelijke concurrentie.

Deze vier aandachtspunten - economisch, militair-bestuurlijk of aristocratisch, ideologisch en internationaalpolitieke - zouden de basis vormen voor verschillende onderzoeksstromingen binnen de studie van het imperialisme en imperia.

1. Imperialisme als economisch projectBang, 'Empire - A World History', 22-28. Deze benadering vindt haar oorsprong bij linkse en marxistische intellectuelen van de jaren 1910 en 1920. Zij beschouwden kapitalisme en imperialisme als nauw verbonden, waarbij imperialisme geldt als een strategie om markten te veroveren en monopoliseren. Belangrijke figuren in de vroege jaren waren bolsjevistisch revolutionair Vladimir Lenin, Duits marxistisch filosofe Rosa Luxemburg en politicus van de Sozialdemokratisch Partei Deutschlands en austromarxistisch econoom en later Duits minister van Financiën onder de vroege Weimarrepubliek Rudolf Hilferding. Deze laatste stelde dat "[h]et financieel kapitaal geen vrijheid, maar heerschappij wil. (…) [Maar daarvoor heeft het] een sterke staat nodig, die zijn financiële belangen in het buitenland laat gelden, zijn politieke macht inzet om kleinere staten gunstige leverings- en handelscontracten op te dringen."Hilferding, R. 1968. Das Finanzkapital: Eine Studie über die jüngste Entwicklung des Kapitals, Frankfurt a/M, vol. 2, p. 456-457. Enigszins binnen deze traditie viel ook Hobson, maar die benadrukte vooral dat het imperialistische project ten koste ging van de nationale ontwikkeling van het Europese moederland en Europese kolonies vaak niet winstgevend waren.

In de periode van de dekolonisatie zouden deze linkse en marxistische theorieën aangevuld worden met het concept 'neokolonialisme', geïntroduceerd door antikoloniaal activist en eerste Ghanese president Kwame Nkrumah in de jaren 1960. Amerikaans socioloog Immanuel Wallerstein ontwikkelde geïnspireerd door neomarxisme in deze periode de wereld-systeemtheorie. Volgens deze theorie had het kapitalisme vanaf het begin van het Europese kolonialisme de wereld hiërarchisch verdeeld in een kern, semi-periferie en periferie, waarbij rijke, machtige kernstaten de periferie exploiteren en zo structurele mondiale ongelijkheid bleef onderhouden. Latere wereld-systeemtheoretici zouden verder werken aan deze leer.

In de tweede helft van de twintigste-eeuw zouden echter ook niet-linkse intellectuelen het imperialisme vanuit economisch perspectief benaderen. Frans socioloog en filosoof Raymond Aron stelde bijvoorbeeld in de jaren 1950, in navolging van Hobson, dat het behoud van de Frans-Algerijnse territoria omwille van de oorlogskosten een verlies betekende voor de Franse economie en géén winst. Daarnaast stelde hij dat, hoewel er in de naoorlogse periode internationale markten vrijer waren, vooral de V.S. als 'imperiale republiek' voordeel haalde uit deze orde omdat de internationale economische instellingen door haar waren ingevoerd en de Amerikaanse dollar als internationale reservevaluta fungeerde, wat haar op budgettair vlak veel voordelen gaf. Dit idee van de V.S. als 'informeel' imperium dat garant staat voor internationale vrijhandel, vond haar weerslag in de studie van staten en imperia als instellingen die garant staan voor beschermingskosten in handel en andere economische activiteiten. Met name Amerikaans mediëvist en specialist van Venetië Frederic C. Lane benadrukt dat veiligheid een cruciaal aspect is voor economische activiteiten. Maar aangezien staten of imperia een monopolie hebben op de verlening van bescherming, kunnen ze een 'prijs' vragen die meer is dan nodig om zulke veiligheidsdiensten te bekostigen. Die overschotsbetaling zou Lane tribuut noemen. Ook binnen de (neo)klassieke economie zou dit aspect van statelijkheid en imperialisme een plaats krijgen. "Onder de vlag van de Nieuwe Institutionele Economie hebben [Douglass C.] North, [John. J.] Wallis en [Barry R.] Weingast de kwestie van geweld, beschermingskosten en sociale orde door de geschiedenis heen onderzocht. Staten worden geanalyseerd als orde-producerende roofdieren en worden bestuurd door elitesamenwerkingen die gedurende een groot deel van de geschiedenis hun politieke macht hebben kunnen gebruiken om economische voordelen—in de vorm van rentes—te verkrijgen van de algemene bevolking."Bang, 'Empire - A World History', 28.

2. Imperialisme als aristocratische eerzuchtBang, 'Empire - A World History', 28-34. Deze perspectieven op imperialisme gaan terug op Max Webers politieke analyses. Hij stelde dat de moderne gecentraliseerde bureaucratische (natie)staat werd voorafgegaan door 'patrimoniale' besturen. Weber beweerde dat heersers van oorsprong grootgrondbezitters waren die hun domeinen met behulp van hun huishouden en dienaren bestuurden. Maar zodra zij meer territoria veroverden moesten zij externe bondgenoten of vazallen aanwerven om hun staten of rijken te besturen. Heersers kozen daarvoor lokale elites, die posten kregen in het bestuur van de veroverende heersers. Zulke politieke entiteiten waren 'patrimoniaal-bureaucratische' staten of imperia. De steeds terugkerende uitdaging voor zulke gedecentraliseerde rijken was dat deze dienstedellieden hun bestuursposten konden 'privatiseren' en deel maken van hun eigen patrimonium, waardoor zij onafhankelijker werden van de centrale heersers. De lokale inbedding en patrimonialisering van het bestuur door aristocratische elites verhinderde politieke modernisering volgens Weber.