thumb|Blik op Kyiv uit 2020, met de vlag van Oekraïne en het standbeeld Moeder Oekraïne, toen nog met Sovjet-embleem Dit artikel beschrijft de geschiedenis van Oekraïne, van de nieuwe steentijd tot heden.
Inleiding
Geografie en antropologie Oekraïne ligt voor een groot deel in een steppe- en grasland zone die een voortzetting is van de Euraziatische steppe die van de Karpaten tot in Mongolië loopt. Zodoende was het land vaak het doel of tussenstation voor nomadische plunderaars en veroveraars die over deze gigantische steppe rondzwierven zoals Scythen, Hunnen, Turken, Mongolen en vele andere volkeren. Ook de omringende staten vielen vaak Oekraïne binnen als reactie op deze nomadische veroveraars of wegens agressief expansionisme. Pas in de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd bij de introductie van vuurwapens konden de in het gebied liggende staten aan de dreiging van de nomaden een effectief einde maken.
Etymologie thumb|Beauplan klaagde in de 17e eeuw over "een gebrek aan zout in Oekraïne"; er zou "in geheel Oekraïne geen zout" zijn, dus werd het geïmporteerd. (detail Atlas Maior). De eerste keer dat het woord "oekraïne" opduikt in een geschreven bron is in de Kievse Kroniek in 1187 (en kort daarna opnieuw in 1189). Deze tekst is later opgenomen in de Hypatiuscodex, die dateert uit ongeveer 1425. Het Slavische woord ukraina betekent letterlijk "grensland" en had tot de 16e eeuw nog geen vaste geografische toepassing. Vanaf de Unie van Lublin (1569) is het oostelijk deel van de Kroon van het Poolse Koninkrijk dat grensde aan het gebied van de Krim-Tataren in het zuiden informeel de oekraïne oftewel "het grensland" gaan heten. Van de 16e tot de 18e eeuw werden verschillende gebieden geleidelijk aan 'de Oekraïne' genoemd. Het is overigens een misverstand dat in het Nederlands het lidwoord "de" altijd voor de landsnaam werd gebruikt. Zo klaagde Beauplan in zijn Beschrijving van Oekraïne (1660) over "een gebrek aan zout in Oekraïne", zoals Joan Blaeu het vertaalde in de Atlas Maior (Amsterdam 1664). Er zou "in geheel Oekraïne geen zout" zijn, dus moest er zout uit Pokoetië en Zevenburgen (Transsylvanië) worden aangevoerd.
Ondertussen begonnen vanaf de 12e en 13e eeuw binnen de Oost-Slavische taalgroep, waartoe de meeste bewoners behoorden, de eerste aantoonbare taalkundige verschillen te ontstaan tussen wat later enerzijds de Oekraïense taal en anderzijds de Russische taal zouden worden.Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "Oekraïense taal". Microsoft Corporation/Het Spectrum. Van de 14e tot de 18e eeuw zijn de fonetische en grammaticale systemen van het huidige Oekraïens gevormd. In de 15e en 16e eeuw had het Pools veel invloed op de woordenschat, daarna het Russisch. Vanaf de 18e eeuw werd het dialect van Kiev-Poltava geleidelijk aan de norm voor de Oekraïense schrijftaal. Onder invloed van het nationalisme zijn in de 19e eeuw steeds meer inwoners van de regio die meestal ongeveer dezelfde Oost-Slavische taalvariaties als moedertaal hadden zichzelf ook 'Oekraïners' gaan noemen. Het gebied dat in 1991 onafhankelijk werd als de republiek Oekraïne hanteerde voortaan de naam 'Oekraïne', zonder het lidwoord 'de' ervoor.
Prehistorische culturen thumb|Gebied van de Cucuteni-Trypilliacultuur. thumb|De jamnacultuur, 3500-2000 v.Chr.
Oekraïne werd al bewoond tijdens de oude steentijd, zoals aangetoond door archeologische vondsten afkomstig van de neanderthaler en de vroege moderne mens. Vondsten bij Mezin bevatten enige van de oudste muziekinstrumenten ter wereld.
Tijdens de nieuwe steentijd leefden de bewoners van Oekraïne voornamelijk aan de kust van de Zwarte Zee en de Zee van Azov, in het bijzonder op de Krim, en aan de oevers van de grote rivieren.
Opgravingen hebben het bestaan van de Cucuteni-Trypilliacultuur tussen 4500 v.Chr. en 3000 v.Chr. aangetoond. De belangrijkste vondsten zijn gedaan in Trypillia in Oekraïne en in Cucuteni in Roemenië. De afkomst van deze eerste bewoners is onbekend, het is mogelijk dat zij een Indo-Europese achtergrond hadden.
Meer naar het oosten ontwikkelde zich de Sredny Stogcultuur (4500-3200 v.Chr.).
Omstreeks 3600 v.Chr. ontstond oostelijker in het Wolga-bekken de jamnacultuur, gekenmerkt door kuilgraven, die zich uiteindelijk verbreidde van de Zuidelijke Boeg tot de Oeral. De jamnacultuur werd rond 2300 v.Chr in het westen van zijn verspreidingsgebied opgevolgd door de catacombencultuur en in het oosten door de Poltavkacultuur en de Sroebnacultuur.
Antieke culturen Het is aangetoond dat de eerste Oekraïners deel uitmaakten van de Slavische volkeren en rond de 6e eeuw n.Chr., toen de Slaven uiteenvielen in oost, zuid en west, bij de Oostelijke Slaven hoorden. Het woongebied van de vroege Oekraïners bevond zich ruwweg tussen de Dnjestr en de Don en Severski Donets.
Cimmeriërs Van rond 1500 tot 700 v. Chr. bewoonden de Cimmeriërs, een waarschijnlijk uit Centraal-Azië afkomstig ruitervolk, het gebied tussen de rivieren de Don en Dnestr. Volgens de dichter Homeros (8e eeuw v. Chr.) kwam Odysseus naar het land van de Cimmeriërs na zijn affaire met de tovenares Circe.
Scythen en Slaven
Rond 800 v.Chr. kwamen de Scythen vanuit het oosten binnenvallen en vestigden zich in de steppen grenzend aan de Zwarte Zee. De Scythen onderwierpen een aantal, waarschijnlijk Slavische, stammen in het zuiden, die door Herodotus Neuri en Budini werden genoemd en verdreven de Cimmeriërs. Herodotus noemt ook de Tauriërs op de Krim als buurvolk van de Scythen. Volgens Euripides' Iphigeneia in Tauris verbleef Agamemnons dochter Iphigeneia als priesteres onder deze Tauriërs.
Grieken Vanaf de 7e eeuw v. Chr. hadden Grieken koloniën gesticht aan de noordkust van de Zwarte Zee: Olbia aan de monding van de Boeg, Tyras bij de monding van de Dnestr, Chersonesus en Theodosia aan de zuidkust van de Krim en Panticapaeum op de oostpunt van de Krim. Vanuit Olbia voer Herodotus de Borysthenes (Dnepr) op om zijn verslag van de Scythen te schrijven.
De Slaven legden voorzichtige contacten met de Griekse koloniën op de Krim en er ontstond handel tussen de Grieken en de Scythen. De eersten handelden in olijfolie, wijn en textiel en de laatsten in vee, huiden, bont, hout, bijenwas, honing en graan.
Koning Philippus II van Macedonië, de vader van Alexander de Grote, bracht de oprukkende Scythen in 339 v. Chr. een vernietigende nederlaag toe.
Sarmaten Rond 200 v.Chr. kwamen de Indo-Europese Sarmaten vanuit Centraal-Azië en vestigden zich in het zuiden. Herodotus spreekt van Sauromaten en noemt hen een kruising van Amazonen en jonge Scythische mannen. De Scythen werden verdreven of geassimileerd en verdwenen rond 100 v.Chr. als bevolkingsgroep, al wordt door Romeinse geschiedschrijvers later soms nog wel gesproken van "Scythen", waar het echter Slaven betreft. Het Romeinse Rijk nam in die tijd ook de Griekse koloniën in. Rond het begin van onze jaartelling was er sprake van een Bosporuskoninkrijk, dat de Krim en de streek rond de Zee van Azov omvatte.
Goten De Germaanse Goten uit het noordwesten, uit Scandinavië, losten aan het eind van de 2e eeuwJansen, M. (2014), Grensland, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam, 6e druk, 2017, p.15 de Sarmaten af en veroverden Oekraïne waar zij het dan reeds gevestigde christendom overnamen. De Oostgoten beheersten voornamelijk de Krim en de kustgebieden ten westen van de Dnjepr tot de Donau. In 376 vielen de Hunnen het leefgebied van de Oost-Goten binnen en verdreven hen westwaarts, waardoor de desintegratie van het West-Romeinse Rijk nog sneller ging.
Hunnen Eind 4e eeuw verschenen de Turkstalige Hunnen, wat een doodsklap was voor de Grieken. Rond 451 hadden de Hunnen onder leiding van Attila de Hun de meeste Slavische stammen overwonnen, maar kregen ook de eerste tegenslag te verduren tegen de Romeinse generaal Flavius Aetius in de Slag op de Catalaunische Velden in Gallië. Na deze nederlaag nam de macht van het te uitgestrekte rijk van de Hunnen snel af en rond 500 hadden deze zich teruggetrokken tot bij de benedenloop van de Don en de Wolga. Een aantal overgebleven Goten vestigden zich op de Krim, wat tot in de 16e eeuw terug te zien was in het Krim-Gotisch.
Chazaren In de 6e eeuw kwamen, alweer uit het oosten, de Bulgaren en Avaren, in de 7e eeuw gevolgd door de Chazaren. Zij beheersten een deel van de handelsroutes op de steppe, tussen China, het Midden-Oosten en het Westen. De Chazaren bekeerden zich eind 8e, begin 9e eeuw tot het joodse geloof.
Slavische expansie
Van de 2e tot de 5e eeuw vindt men op het grondgebied van het huidige Oekraïne de Kievcultuur, de vroegste archeologische cultuur die met enige zekerheid als Slavisch te identificeren is. De meeste wetenschappers gaan ervan uit dat de oorsprong van de Slaven in het bosrijke gebied ten noorden van het Karpatengebergte lag, nu de grensstreek tussen Oekraïne, Wit-Rusland en Polen. De Oost-Slaven trokken onder meer naar Midden-Oekraïne, ook wel bekend als de Midden-Dnipro (Dnjepr).
Na het ineenstorten van het Gotische rijk en de daaropvolgende volksverhuizingen ziet men een sterke Slavische expansie, vertegenwoordigd door de Praag-Kortsjakcultuur. De Anten van de 6e en 7e eeuw worden wel geassocieerd met de Penkivkacultuur, hoewel dat omstreden is. Het is ook onduidelijk of de Anten een Slavisch volk waren of niet, omdat er zo weinig met zekerheid over hen bekend is.
De Germanen waren grotendeels naar het westen vertrokken en de Slaven trokken in hun voormalige gebieden. Ze vestigden zich tot aan de Elbe en tot aan de grenzen van het Byzantijnse Keizerrijk. Deze Slaven hielden zich bezig met landbouw, jagen en vallen zetten, vissen, bijenhouden en nomadische veeteelt. De Poljanen langs de Midden-Dnipro, met hun hoofdstad in Kiev, waren volgens de Primaire Kroniek (Het Verhaal van Voorbije Jaren) de machtigste van de twaalf Oost-Slavische stammen. Dezelfde Primaire Kroniek vertelt dat de stad gesticht door Kyi, Sjtsjek, Choryv en Lybid, drie broers en een zus.
Kievse Rijk
thumb|Kievse Rijk in de 11e eeuw thumb|Vorstendommen op het grondgebied van huidig Oekraïne in 1132. In de 9e-13e eeuw was in gedeelten van het huidige Oekraïne, Wit-Rusland en Rusland het Kievse Rijk gevestigd (ook vaak Rijk van Kiev/Kyiv, Kievse/Kyivse Roes' of Land van de Roes genoemd), opgericht door de Roes', Varjagen uit Scandinavië, die onder andere handel dreven op Constantinopel. De Oost-Slaven hadden volgens de legende in de Primaire Kroniek in 862 Rurik, de hoofdman van de Varjagen, uitgenodigd om over hen te regeren. Rurik kwam aan de macht in Ladoga (huidig Staraja Ladoga in de Finse Golf), later zou hij zich vestigen in Novgorod (betrouwbare bronnen ontbreken echter) en stichtte een dynastie die meer dan zeven eeuwen de Oost-Slaven regeerde, eerst vanuit Kiev en vanaf eind 16e eeuw vanuit Moskou. Rurik legde de grondslag voor de staat 'Kiev-Roes'.
Ruriks opvolger Oleg, de regent van Ruriks minderjarige zoon Igor, doodde de Varjagen Askold en Dir, die zich in Kiev hadden gevestigd en maakte van Kiev zijn hoofdstad. Igor kwam in 912 op de troon en werd in 945 opgevolgd door Svjatoslav, die de Chazaren en Bulgaren versloeg.
Door de overwinning op de Chazaren viel de machtige buffer weg, waardoor het gebied van Kiev voortdurend door nomadische confederaties uit het oosten werd bedreigd: eerst door de Petsjenegen, daarna de Koemanen en ten slotte de Mongolen.
Svjatoslav werd door de Turkse Petsjenegen vermoord, die zich voor de gelegenheid met diens vijand Byzantium hadden verbonden. Zijn zoon Vladimir wist in 980 zijn twee broers in de strijd om de troon te overwinnen.
In 988 werd het Byzantijnse christendom geïntroduceerd bij de bekering van Vladimir de Heilige, de vorst van het Kievse Rijk.