Kameelhalsvliegen (Raphidioptera) zijn een orde van gevleugelde insecten. Ondanks de naam zijn het geen echte vliegen, maar behoren ze tot de netvleugeligachtigen (Neuropterida). Kameelhalsvliegen zijn verwant aan de mierenleeuwen, de elzenvliegen en de gaasvliegen.
De groep is een relict en vormt in vergelijking tot andere insecten een kleine orde, die ongeveer 230 moderne soorten telt. Raphidioptera vormen een zeer oude groep van insecten, waarvan de vertegenwoordigers al 300 miljoen jaar voorkomen. Er zijn vele fossiele soorten beschreven. Inclusief de uitgestorven groepen worden er zes families erkend. De nog voorkomende kameelhalsvliegen worden verdeeld in twee families; de Raphidiidae en de Inocelliidae. Deze twee families zijn duidelijk van elkaar te onderscheiden door kenmerken van bijvoorbeeld de vleugels en de kop.
De insecten behoren tot de Endopterygota. Dit zijn de insecten die een volledige gedaanteverwisseling ondergaan. Ze werden vroeger wel tot de orde netvleugeligen (Neuroptera) gerekend, maar worden tegenwoordig als een aparte orde van insecten beschouwd. Kameelhalsvliegen zijn eenvoudig van alle andere insecten te onderscheiden door de combinatie van de grote, transparante vleugels met een duidelijk netwerk van donkere aderen en aan de lange 'kameelhals' die bestaat uit een verlengd deel van het borststuk. Mannetjes zijn duidelijk van vrouwtjes te onderscheiden doordat vrouwtjes een grote, 'angel'-achtige legboor bezitten. Hiermee leggen ze hun eitjes in spleten en barsten in boomschors.
De verschillende soorten komen wijdverbreid voor, maar vrijwel uitsluitend op het noordelijk halfrond. In tegenstelling tot veel andere insecten komen ze nooit voor in tropische gebieden. In Centraal-Europa komen ongeveer vijftien soorten algemeen voor, waarvan zes in België en Nederland.
Naam en indeling thumb|Een vrouwtje van de soort Dichrostigma flavipes, afgebeeld is een exemplaar uit Polen. De wetenschappelijke naam van de kameelhalsvliegen werd voor het eerst geopperd door Longinos Navás in 1916 als Rhaphidioptera. Deze naam was gebaseerd op het door Linnaeus benoemde geslacht Rhaphidia. Deze had echter de spelling Raphidia gebruikt. In 1938 veranderde Andreï Vassilievitch Martynov de naam naar Raphidioptera waardoor hij vaak als auteur wordt genoemd. Anton Handlirsch wordt eveneens vaak aangehaald als auteur. Hij beschreef de groep in 1908 echter als Raphidioidea, een naam die niet meer wordt erkend.
Ook Latreille wordt wel als auteur genoemd maar deze heeft de familie Raphidiidae beschreven. Nikita Julievich Kluge opperde in 2005 dat de naam Rhaphidioptera prioriteit had omdat dit de eerst gebruikte naam is. Volgens de taxonomische regels dient inderdaad de originele spelling te worden gebruikt, maar dit geldt niet voor rangen hoger dan die van familie.
De huidige wetenschappelijke naam Raphidioptera betekent letterlijk naald-vleugeligen; Raphidio is afgeleid van rhaphis (ῥαφίς) wat Grieks is voor naald en ptera is Grieks voor 'vleugels', het enkelvoud pteron betekent vleugel. De dieren danken hun Nederlandse naam aan het verlengde voorste borststuksegmenten. Ook andere insecten met een lange 'hals' wordt om dezelfde reden verwezen naar de nek van een kameel in de naamgeving. Een voorbeeld is de graafwesp Lestica clypeata, die wel kameelhalswesp wordt genoemd.De naam kameelhalsvlieg wordt ook andere talen wel gebruikt voor de groep, zoals Kamelhalsfliegen in het Duits en kamelhalsfluer in het Noors. In andere talen wordt de groep 'slangenvliegen' genoemd, zoals het Engelse snakeflies en het Franse mouche serpent.
De Oostenrijkse entomologen Horst en Ulrike Aspöck hebben veel onderzoek gedaan naar netvleugelige insecten zoals de kameelhalsvliegen. Het geslacht Ulrika is een eerbetoon aan Ulrike Aspöck, het geslacht werd beschreven door haar man Horst.
Verwantschap met andere insecten De kameelhalsvliegen behoren tot de nieuwvleugeligen (Neoptera). Ze zijn sterk verwant aan andere groepen zoals gaasvliegen en de mierenleeuwen maar hebben zich relatief vroeg afgesplitst. Op basis van kenmerken aan het DNA is onderstaand een schema weergegeven van de onderlinge verwantschappen van de verschillende groepen van de netvleugeligachtigen.
Families De orde Raphidioptera wordt verdeeld in twee moderne families en vier uitgestorven families. De soorten van de vier uitgestorven families zijn alleen bekend als fossiel. De nog levende vertegenwoordigers van de twee moderne families verschillen voornamelijk in de bouw van de vleugels en de kop. Soorten uit de familie Raphidiidae hebben drie zogenaamde ocellen aan de bovenzijde van de kop, dit zijn kleine oogjes, terwijl deze structuren bij alle vertegenwoordigers van de Inocelliidae ontbreken. De wetenschappelijke naam van deze laatste groep betekent letterlijk geen-ocelligen (in-ocellidae). De Raphidiidae vormen de grootste familie met ongeveer 185 soorten. De Inocelliidae vormen de kleinste familie met maar ongeveer 45 soorten. De indeling van de kameelhalsvliegen is sinds de wetenschappelijke erkenning van de groep voortdurend aan verandering onderhevig geweest. De orde is verscheidene malen opnieuw gedefinieerd op basis van een constante aanvoer van nieuwe inzichten. Het aantal bekende soorten lag in 1960 op 62 en in 2002 waren er al 206 soorten beschreven. Het totale soortenaantal, dus inclusief nog niet ontdekte soorten, wordt geschat op ongeveer 260.
Lijst van geslachten Onderstaand een uitklapbare tabel met de families en de geslachten. Uitgestorven groepen zijn weggelaten. De lijst is gebaseerd op BioLib. Naam Auteur Aantal soorten Familie Raphidiidae Africoraphidia Aspöck & Aspöck, 1969 1 Agulla Navás, 1914 17 Alena Navás, 1916 10 Atlantoraphidia Aspöck & Aspöck, 1968 1 CalabroraphidiaRausch, Aspöck & Aspöck, 2004 1 Dichrostigma Navás, 1909 5 Harraphidia Steinmann, 1963 2 Hispanoraphidia Aspöck & Aspöck, 1968 1 Iranoraphidia Aspöck & Aspöck, 1975 1 Italoraphidia Aspöck & Aspöck, 1968 1 Mauroraphidia Aspöck & Aspöck & Rausch, 1983 1 Mongoloraphidia Aspöck & Aspöck, 1968 64 Ohmella Aspöck & Aspöck, 1968 5 Ornatoraphidia Aspöck & Aspöck, 1968 2 Parvoraphidia Aspöck & Aspöck, 1968 3 Phaeostigma Navás, 1909 13 Puncha Navás, 1915 1 Raphidia Linnaeus, 1758 24 Subilla Navás, 1916 10 Tadshikoraphidia Aspöck & Aspöck & Rausch, 1968 2 Tauroraphidia Aspöck & Aspöck & Rausch, 1982 2 Tjederiraphidia Aspöck, Aspöck & Rausch, 1985 1 Turcoraphidia Aspöck & Aspöck, 1968 5 Ulrike Aspöck & Aspöck, 1968 2 Venustoraphidia Aspöck & Aspöck, 1968 3 Xanthostigma Navás1909 5 Familie Inocelliidae Amurinocellia Aspöck & Aspöck, 1973 3 Fibla Navás, 1915 5 Indianoinocellia Aspöck & Aspöck, 1970 2 Inocellia Schneider, 1843 27 Negha Navás, 1916 3 Parainocellia Aspöck & Aspöck, 1968 2 Sininocellia Yang, 1985 2
Evolutie thumb|Holotype van Nanoraphidia electroburmica uit het Krijt, gevonden in barnsteen in Myanmar. Kameelhalsvliegen zijn een van de oudst bekende groepen van insecten en zijn een orde die al 300 miljoen jaar geleden werd vertegenwoordigd. Fossiele resten die worden toegeschreven aan kameelhalsvliegen zijn gevonden vanaf het Carboon, zo'n 350 tot 280 miljoen jaar geleden. In deze periode splitsten ze zich waarschijnlijk af van de grootvleugeligen (Megaloptera), hoewel veel fossielen jonger zijn.
Vooral lagen die uit het Jura en het Krijt stammen bevatten vele fossiele vertegenwoordigers; ook in het Tertiair kwamen vele soorten voor. Veel fossielen uit deze tijd, zo'n 35 miljoen jaar geleden, zijn bekend als insluiting van barnsteen waarbij er veel lichaamskenmerken bewaard zijn gebleven. Daarnaast zijn veel fossielen gevonden die een afdruk laten zien van een kameelhalsvlieg in steen. Dergelijke fossielen zijn vaak vervormd of laten slechts een deel van het lichaam zien, zoals de afdruk van een vleugel.
Biologen vermoeden dat kameelhalsvliegen hun hoogtijdagen vierden in het Mesozoïcum. Uit het Mesozoïcum zijn ook soorten bekend die in tropische gebieden leefden, dergelijke soorten komen nu niet meer voor. Vanaf het Mesozoïcum zijn ze in vormenrijkdom achteruitgegaan, de kameelhalzen worden beschouwd als een groep van oerinsecten. De moderne vertegenwoordigers hebben in vergelijking met andere insecten een primitieve lichaamsbouw en een basale vorm van ontwikkeling van larve tot volwassen insect.
Uiterlijke kenmerken thumb|280px|right|Lichaamskenmerken van een vrouwtje Kameelhalsvliegen danken hun naam aan de lange 'nek' en zijn hier altijd makkelijk aan te herkennen. De meeste soorten blijven klein, en worden ongeveer een tot twee centimeter lang. Net als bij andere insecten wordt het lichaam verdeeld in drie delen; de kop of cephalon (A), het borststuk of thorax (B) en het achterlijf of abdomen (C).
Kop De kop van kameelhalsvliegen is enigszins eivormig maar is aan de voorzijde duidelijk breder dan aan de achterzijde. Aan de voorzijde van de kop liggen de kaken of mandibels. Die zijn relatief groot en sikkelvormig. Ze zijn aan de binnenzijde voorzien van kleine tandjes om prooien te kunnen verkleinen. Kameelhalsvliegen hebben net als andere insecten altijd twee antennes die aan de bovenzijde van de kop liggen vóór de ogen. De antennes hebben een zintuigfunctie en dienen vooral om een partner op te sporen. De antennes zijn altijd draadvormig of filiform en bestaan uit 35 tot 75 segmenten. De antennes zijn nooit verdikt en eindigen ook nooit in een knop, zoals bij enigszins gelijkende groepen als de mierenleeuwen en de vlinderhaften het geval is.
De kop draagt twee samengestelde ogen, deze worden ook wel facetogen genoemd en bestaan uit vele tientallen kleinere suboogjes of ommatidia. De meeste soorten hebben achter de facetogen drie kleine bij-oogjes, die onderontwikkeld zijn en alle drie bestaan uit een enkele lens. Deze oogjes worden de ocelli genoemd en hebben een ondergeschikte visuele functie. De ocelli komen ook bij andere insecten voor en kunnen geen beelden vormen maar alleen grove lichtverschillen waarnemen en dienen om van boven aanstormende vijanden aan te zien komen. De meeste insecten zijn in het bezit van ocelli, zoals vliegen of libellen, andere insecten hebben nooit ocelli, zoals de oorwormen. Bij de kameelhalsvliegen hebben ongeveer 200 soorten ocelli; bij ongeveer twintig soorten ontbreken ocelli. Dit verschil is weerspiegeld in de indeling van de kameelhalsvliegen: de soorten met ocelli worden tot de familie Raphidiidae gerekend en de soorten die geen bijoogjes hebben worden ingedeeld bij de familie Inocelliidae.
Borststuk Het borststuk van de kameelhalsvliegen bestaat uit drie segmenten, aan de onderzijde van het borststuk draagt ieder segment één paar poten. De achterste twee segmenten dragen aan de bovenzijde tevens één paar vleugels. De drie borststuksegmenten hebben ieder hun eigen naam; het voorste segment heet de prothorax, het middelste segment heet mesothorax en het achterste segment heet metathorax. Het voorste segment is het meest geprononceerd, omdat het duidelijk verlengd is tot een halsvormige structuur. Een vergelijkbaar lichaamskenmerk komt ook voor bij sommige andere rovende insecten, maar bij deze groepen zijn de voorste poten mee verplaatst naar voren en aan de voorzijde van de prothorax gepositioneerd, ver van de andere twee paar poten. Vaak zijn deze voorste poten omgebouwd tot gespecialiseerde vangarmen. Voorbeelden van dergelijke insecten zijn bidsprinkhanen, bidsprinkhaanvliegen en sommige wantsen als de staafwants. Bij de kameelhalsvliegen daarentegen liggen alle potenparen onder de vleugels en de voorpoten zijn niet omgebouwd tot vangarmen. De kameelhalsvliegen zijn hierdoor gemakkelijk van de andere groepen te onderscheiden. thumb|Enkele kenmerken van Phaeostigma major; tastorgaantjes aan het einde van de legboor (linksonder), pterostigma (linksboven) en ocelli (rechtsboven).