De bergduivel, ook wel Australische bergduivel of moloch, (Moloch horridus) is een bodembewonende hagedis uit de familie agamen (Agamidae). Het is de enige soort uit het monotypische geslacht Moloch.

De bergduivel wordt beschouwd als een van de excentriekste hagedissen door de levenswijze en het afschrikwekkende uiterlijk. Het is echter een kleine soort, de lichaamslengte exclusief de staart is ongeveer 10 centimeter. De hagedis eet uitsluitend mieren en kan per maaltijd vele honderden tot enkele duizenden exemplaren oplikken. De bergduivel kent een hoog ontwikkelde vorm van passieve verdediging door dikke, gekromde en scherpe stekels over het gehele lichaam. De agame wordt ondanks het afschrikwekkende uiterlijk beschouwd als een volkomen weerloos dier.

De agame komt alleen voor in delen van Australië, alleen in het westelijke en centrale deel. In het oosten van Australië komt de soort niet voor. De bergduivel leeft in hete streken zoals halfwoestijnen en woestijnen. De meeste hagedissen die in hete gebieden leven zijn razendsnel als ze door de zon zijn opgewarmd, de bergduivel is echter een zeer slome soort. De huid van de hagedis is voorzien van een hygroscopisch systeem om het lichaam van water te voorzien.

De bergduivel is wat uiterlijk betreft uniek in zijn soort: de verschillende aanpassingen zijn heel karakteristiek en komen binnen de reptielen bij geen enkele andere groep voor. Alleen de padhagedissen (geslacht Phrynosoma) zijn te verwarren als gevolg van een convergente evolutie.

Verspreiding thumb|250px|left|Verspreiding in het rood. De bergduivel leeft in droge tot zeer droge streken in midden en westelijk Australië. De hagedis is hier endemisch en komt nergens anders ter wereld voor. De bergduivel leeft in de deelstaten Noordelijk Territorium, Queensland, Zuid-Australië en West-Australië. In New South Wales komt de hagedis niet voor en ook op de eilanden rond Australië ontbreekt de soort.

Habitat De habitat bestaat uit woestijnen, steppes en halfwoestijnen, de agame is gebonden aan een klein aantal van de vele tientallen soorten mieren in Australië welke hun nesten in zandgrond maken. De leefomgeving van de bergduivel bevat altijd objecten om een hol onder te graven, zoals struiken en stenen, en er moeten mierennesten in de buurt zijn. Een deel van de omgeving wordt gebruikt om de ontlasting af te zetten. De bodem moet deels bestaan uit een strooisellaag van dode bladeren of graspollen. De bergduivel is door de specifieke leefomgeving en voedselbehoeften zeer moeilijk in gevangenschap te houden.

Over de verspreidingsdichtheid van de bergduivel is vrijwel niets bekend. Waarschijnlijk komt de agame plaatselijk vrij algemeen voor maar vanwege de verborgen levenswijze en goede camouflage wordt het dier zelden gezien. Door de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN is de beschermingsstatus 'veilig' toegewezen (Least Concern of LC).

Uiterlijke kenmerken thumb|270px|right|Een wandelende bergduivel. De bergduivel heeft een opmerkelijke lichaamsbouw en ziet er met enige fantasie uit als een wandelende doornstruik. De hagedis heeft een totale lichaamslengte van vijftien tot achttien centimeter. De vrouwtjes zijn grover gebouwd en worden groter dan de mannetjes. Vrouwtjes bereiken een kopromplengte van ongeveer 80 tot 110 millimeter, mannetjes bereiken een maximale lengte van 96 mm. Vrouwtjes worden ook zwaarder; ze bereiken een gemiddeld gewicht van 46 gram terwijl mannetjes gemiddeld 31 gram zwaar worden.

De lichaamskleur is variabel en is meestal zandkleurig met donkere vlekken. Veel exemplaren hebben een vlampatroon van krullerige strepen die donkeromzoomd zijn. Door deze kleuren valt de hagedis volledig weg tegen een ondergrond van dode bladeren en struiken, het grillige kleurpatroon breekt het lichaam als het ware in delen. Het lichaam lijkt met name als de bergduivel zich niet beweegt sprekend op een dorre struik. De agame is in staat om de lichaamskleur te veranderen waarbij deze lichter of donkerder worden. In de ochtend is de kleur grauwer dan in de middag, als de temperaturen hoger zijn. Er is ook variatie per populatie; sommige dieren zijn vrij egaal grijsbruin van kleur terwijl andere een bonte kleurschakeling hebben van rood, oranje en geel, afgewisseld met donkere kleuren. Het kleurpatroon van de bergduivel valt weg tegen de kleuren van de rode Australische woestijnen.

Kop, poten en staart thumb|270px|right|Detail van de kop en voorzijde. De kop is vrij klein en is voorzien van twee vergrote en zijwaarts uitstekende hoornachtige stekels die gepositioneerd zijn boven de ogen. De ogen zijn vrij klein en hebben een ronde pupil. De ogen steken af door de lichter gekleurde oogschubben. Het gebit van de bergduivel bestaat uit kleine tandjes, met daarachter kiezen die zijn voorzien van een kroon. De kiezen zijn aangepast om de belangrijkste prooidieren -mieren- te vermalen. Mieren hebben een dik chitinepantser dat onverteerbaar is, zie ook onder voedsel.

Een bijzondere aanpassing van de bergduivel is de vergrote bult in de nek, achter de kop. Deze bult draagt grote stekels en bij bedreiging kromt de hagedis de kop naar onderen, tussen de voorpoten. De nuchale bult wordt hierdoor naar de voorzijde gebracht, en dient als een 'tweede kop'. Als hagedissen een duidelijk vergrote structuur hebben, zoals een dikke staart of een kwab achter de kop, dienen deze meestal als vetopslagplaats voor mindere tijden. Het vet dient niet alleen om het lichaam van brandstof te voorzien, maar bij de verbranding komt ook water vrij zodat een dergelijke vetopslag tevens een watervoorraad is. Bij de bergduivel slinkt de bobbel echter niet als het voedselaanbod vermindert, zodat men vermoedt dat het uitsluitend dient ter verdediging.

De poten zijn relatief klein en erg stijf, de bergduivel kan absoluut niet rennen of springen en heeft een trage voortbeweging. De schommelige manier van voortbewegen doet enigszins robotisch aan.

De poten dragen duidelijke nagels, die dienen als werktuig bij het graven. Hiermee kan de bergduivel kleine holletjes graven als er gevaar dreigt. Waarschijnlijk dient dit om bosbranden te overleven. Ook worden holletjes gegraven met een kamer aan het einde om de eieren in af te zetten.

Bij de bergduivel ontbreken de zogenaamde femorale poriën. Dit zijn excretie-uitgangen in de huid die gepositioneerd zijn aan de onderzijde van de dijen van de achterpoten. De femorale poriën scheiden een vettige geurstof af op de ondergrond. De meeste agamen bezitten dergelijke poriën en sommige agamensoorten zijn aan de kenmerken van de poriën te herkennen.

De staart doet door de vele knobbelige stekels denken aan een strijdknots; een knuppel die is voorzien van stekels. Andere hagedissen die een met stekels bezette staart hebben, zoals de doornstaartagamen, gebruiken deze daadwerkelijk om vijanden van zich af te slaan maar de bergduivel kan de staart niet snel bewegen.

Huid thumb|270px|right|De cellen die de huidkanaaltjes bedekken hebben een honingraatstructuur en zijn waterafstotend. De bergduivel heeft net als alle reptielen een schubbenhuid, die het lichaam beschermt tegen uitdroging. De huid is over het gehele lichaam voorzien van knobbels die een stekel dragen. Deze stekels zijn ontstaan uit schubben, ze zijn verhoornd en zeer stevig. De stekels komen over het gehele lichaam voor, van de kop tot de staart en zowel aan de boven- als aan de onderzijde. De stekels aan de buikzijde zijn wel aanmerkelijk kleiner dan die op de rugzijde en de knobbels ontbreken hier.

De bergduivel neemt geen water op door te drinken, maar gebruikt de huid als watervoorziening. De complexiteit van deze aanpassing is onovertroffen. Tussen de doorns lopen zeer kleine kanaaltjes die water in een plas waar het dier in staat of dauwdruppels die aan de huid worden gevormd omhoog transporteren. De huid vervult hierdoor een functie als hygroscopisch systeem, het huidoppervlak zuigt water op uit de omgeving. De werking is vergelijkbaar met de sapstroom in de nerven in een boom en grondwater dat opstijgt; door de kleine schaal treedt capillaire werking op.

De huid van de bergduivel bevat hiertoe vele zeer kleine kanaaltjes, die over het gehele lichaamsoppervlak lopen, ook over de poten en de staart. De huid langs de kanaaltjes is voorzien van honingraatachtige huidcellen die sterk waterafstotend zijn. De kanaaltjes staan met elkaar in verbinding en hebben een sterke capillaire werking. Hierdoor wordt het water gemakkelijk door de kanaaltjes naar de voorzijde van het lichaam gevoerd. Als een deel van de huid van de bergduivel in aanraking komt met water, wordt het opgenomen door de kanaaltjes. De hagedis hoeft hierdoor geen water op te likken; zodra een deel van een poot of de staart in een waterplas gedoopt wordt, is binnen enkele momenten het gehele lichaam vochtig door de zuigkracht van de kanaaltjes. Ook worden dauwdruppels die worden afgezet op het lichaam 'opgenomen' door de huid. De huid neemt feitelijk geen water op, het transporteert het vocht slechts naar de monddelen. De hagedis is namelijk niet in staat om water op te nemen door de huid zoals een amfibie. Als de huid waterdoorlatend zou zijn maakt dat de hagedis kwetsbaar voor droogte en zou de bergduivel het niet lang uithouden in zijn natuurlijke leefomgeving.

Het vocht moet naar de monddelen worden gebracht om in het lichaam te kunnen worden opgenomen. Dit geschiedt door de sterke capillaire werking waardoor een filmlaagje water over het lichaam wordt gebracht zodat uiteindelijk de monddelen worden bevochtigd. De hagedis krijgt door deze aanpassing water binnen terwijl het dier hier geen moeite voor hoeft te doen. Door smakkende bewegingen te maken met de bek wordt het vocht ten slotte opgenomen.

Jaar- en dagactiviteit thumb|270px|right|De bergduivel leeft in zandwoestijnen. De bergduivel is het actiefst in de lente en het begin van de zomer, in Australië loopt deze periode in de maanden augustus tot december. De hagedis komt alleen uit het hol om op mieren te jagen en zich van ontlasting te ontdoen. De bergduivel gebruikt altijd een vaste plaats om de fecaliën af te zetten, wat heel ongebruikelijk is bij de reptielen. Dergelijke afzetplaatsen zijn makkelijk te herkennen door de aanwezigheid van ronde, zwarte keutels, die een glazig uiterlijk hebben. De keutels bestaan uit de zwarte, onverteerbare delen van de mieren. De agame trekt zich 's nachts terug in een hol in de grond, dat vaak onder een struik wordt gegraven. Daarnaast wordt ook op het heetst van de dag het hol opgezocht. De bergduivel kan temperaturen van meer dan 50 graden Celsius verdragen die andere hagedissen fataal zouden worden. De gemiddelde lichaamstemperatuur is 33 graden Celsius.

De zomermaanden in Australië zijn de maanden januari en februari en gedurende deze tijd is het in de woestijnen zelfs voor de bergduivel te heet. De hagedis schuilt dan veel in zelfgegraven holen. De wintermaanden juni en juli zijn juist te koud voor de hagedis en de activiteit wordt gedurende deze periode op een laag pitje gezet. De bergduivel houdt echter geen echte winterslaap zoals sommige andere reptielen.

Voortplanting en ontwikkeling thumb|270px|right|De bergduivel legt alleen langere afstanden af op zoek naar een partner. In de maanden oktober tot november vindt de paartijd plaats. De hagedissen leggen hierbij grotere afstanden af dan gebruikelijk, op zoek naar een partner. De mannetjes bewaken geen territorium zoals van veel andere agamen bekend is en bevechten elkaar niet.