De Bartholomeüskerk aan de Lageweg 8 in Noordlaren is een kerk die oorspronkelijk gewijd was aan de heilige apostel Bartholomeüs.
De oudste stichting van de kerk wordt gedateerd in de 12e eeuw, toen er een houten kerk verrees. In de loop van de 13e eeuw werd het huidige stenen kerkgebouw in verschillende fasen gebouwd. In de 15e eeuw kreeg de kerk in grote lijnen haar huidige aanzicht. De kerk werd gerestaureerd in de jaren 1970, waarbij veel oorspronkelijke elementen weer in het zicht werden gebracht. De kerk is onder andere bekend om haar bijzondere schilderingen en om haar 16e-eeuwse offerbus.
De kerk is in gebruik bij de protestantse gemeente Noordlaren-Glimmen en is sinds 2021 eigendom van de Stichting Oude Groninger Kerken. De kerk is een trouwlocatie van de gemeente Groningen en wordt gebruikt voor rouw- en trouwdiensten. Soms vinden er concerten plaats.
Geschiedenis Beschermheilige thumb|Gebrandschilderd glas in het noordvenster van het koor met de beeltenis van de apostel Bartholomeüs
De kerk was oorspronkelijk gewijd aan de apostel Bartholomeüs, hetgeen in het noorden niet veel voorkwam: Alleen in Stedum en Westhem werd ook deze heilige als patroon aangenomen. Zijn patronage volgde mogelijk op de legendevorming over Bartholomeüs in die tijd, die ook leidde tot de stichting van het Armeense Bartolomeüsklooster rond zelfde tijd. Mogelijk had de bisschop van Utrecht contact met een bisschop aldaar of werd deze via via hierdoor geïnspireerd.Luning (1977), pp. 33-34 De patroon staat vermeld in een 16e-eeuwse waardeellijst ofwel als 'unser patroen Bartholomaeus' of als 'onze patroen S. Bertholomeus'.Wezel (1976), p. 216, noot 6. Bron: Groninger Archieven, Archieftoegang 2043: Handschriften in kwarto Register Feith nr. 16 (nr. 16 niet meer aanwezig). Eveneens vermeld in Luning (1977). Ergens in de tweede helft van de 20e eeuw is een gebrandschilderd glas van de schutspatroon geplaatst in het romaanse venster in de noordmuur van het koor.
Stichting van een houten kerk De eerste houten kerk werd mogelijk rond 1150 gesticht vanuit de Groningse Martinikerk. Dit wordt afgeleid uit het feit dat de voordracht of presentatie van pastoors in handen was van persona van de MartinikerkWezel (1977), p. 216 en uit de vermelding van de 'tribus Laribus' (Drie Larens) op een goederenlijst van het Klooster Werden uit ongeveer 1160, waaruit tevens blijkt dat de kerk eigendom van dit klooster was. In 1282 bleek de kerk echter eigendom te zijn van de later gestichte abdij van Aduard, die het waarschijnlijk heeft overgenomen van dit klooster. Gespeculeerd wordt wel dat de kerk werd gesticht nadat de huidige grens tussen Groningen en Drenthe door de stad Groningen werd vastgesteld, om onder andere te fungeren als territoriale grensafbakening. Onduidelijk is echter hoe het grensverloop is geweest tussen 1150 en 1232, toen de stad Groningen het dorp mogelijk platbrandde in haar strijd met de Fivelingoërs en Drenten. Mogelijk is de grens in die periode meerdere keren gewijzigd, gezien de aanwezigheid van de Drentse vesting Nutspete, al zou die ook zuidelijker gelegen kunnen hebben dan waar deze nu gedacht wordt zich te hebben bevonden.
De oorspronkelijke kerk was opgetrokken uit hout. Bij archeologisch onderzoek door de Rijksdienst voor het oudheidkundig Bodemonderzoek in de jaren 1970 bleek dat deze houten kerk gebouwd was op een podzolbodem, wat erop wijst dat deze net als op andere plekken in Drenthe, zoals Diever, Norg, Rolde, Sleen, Vries en Zuidlaren mogelijk direct op de heide is opgericht. Er is in elk geval daarvoor geen bebouwing of een akker geweest.Halbertsma (1977), p. 30 Bij het archeologisch onderzoek werden 8 paren paalkuilen gevonden. Een deel kon niet worden opgegraven omdat het zich onder de orgelgalerij bevond. De gevonden paalkuilen wijzen op de aanwezigheid van een waarschijnlijk driebeukig kerkschip van maximaal 9 bij ongeveer 6 meter: Waarschijnlijk ging het om een middenschip met twee smallere zijbeuken.Luning (1977), p. 21 Of er ook een houten koor is geweest, was bij de opgravingen niet meer na te gaan.Wezel (1977), p. 218
Korte bouwgeschiedenis van de stenen kerk Kort na de bouw werd waarschijnlijk al het plan opgevat om een stenen kerk te bouwen. De huidige stenen kerk werd in verschillende fasen gebouwd:Wezel (1977), pp. 231-232 In het laatste kwart van de 12e eeuw werd waarschijnlijk het stenen koor gebouwd. Rond 1200 werden de onderste twee geledingen van de toren gebouwd. Koor en toren werden beiden vrijstaand van het houten schip gebouwd. Dit is zichtbaar aan het feit dat de steigergaten van beide radiaal zijn gericht op de hoeken en deze steiger dus waarschijnlijk geheel rond beide was opgericht. In het eerste kwart van de 13e eeuw werd het koor verhoogd en werd de eerste fase van het stenen schip tussen koor en toren gebouwd ter vervanging van het houten kerkschip. In het tweede kwart van de 13e eeuw werd de tweede fase van het schip voltooid, waarbij het schip werd verhoogd, tegelijkertijd met de toren.
Het koor meet aan binnenzijde 5,5 bij 4,5 meter en het schip 12,5 bij 8,5 m, waardoor de verhouding tussen beide bij benadering 1 tot 2 is.Prins-Poorter (1993), p. 95
Later werd de kerk nog diverse malen aangepast. De belangrijkste wijziging was de verhoging van het koor, hetgeen mogelijk in de 15e eeuw plaatsvond. Het koor kreeg toen spitsboogvensters en een kruisribgewelf. Een andere belangrijke wijziging vond plaats bij de reformatie rond 1600, toen de kerk geschikt gemaakt werd voor de protestantse eredienst. Daartoe werden onder andere de altaren uit de kerk gesloopt. Andere wijzigingen aan het gebouw waarvan de datum onbekend is, zijn: verlaging van de dakhelling van het schip en het koor de inbraak van een deur in de zuidmuur van het koor de wijziging van verschillende vensters en de dichting van verschillende nissen, vensters en openingen de inbraak van vierkante vensters in het westelijk deel van het schip onder en boven de orgelgalerij, mogelijk na de reformatie.
Bij de restauratie van de kerk tussen 1976 en 1977 werden veel oorspronkelijke romaanse elementen weer aan het oppervlak gebracht en werden de vierkante vensters in het westelijk deel van het schip grotendeels dichtgemetseld.
Gebruik als katholieke kerk De eerste vermelding van een priester in Noordlaren is waarschijnlijk in 1249, toen ene Sicco in 'Lare' voorging. Waarschijnlijk slaat Lare hier niet op Zuidlaren, waar voor zover bekend pas in 1264 een stenen kerk werd gesticht en waar geen houten voorgangers zijn gevonden.Bakker (1979), p. 48 Bovendien wordt ook in 1262 gesproken over ene 'Siccone, plebanis de Northlare'. Een latere pastoor was Everardo, die genoemd wordt in 1360. De laatste pastoor van de kerk was Hieronymus Gaeripeius in 1589.
Tot het grondgebied van het kerspel Noordlaren behoorde naast Glimmen oorspronkelijk ook een stuk Woldgebied bij Wolfsbarge en Kropswolde.Luning (1977), p. 18 In Wolfsbarge werd vervolgens ook een houten kapel gebouwd als dochter van de kerk van Noordlaren. In 1282 besloot de abdij van Aduard om Wolfsbarge af te scheiden van Noordlaren. Omdat de moederkerk in Noordlaren hierdoor inkomen misliep, werden ter compensatie door het klooster 2000 stenen geschonken aan de kerk van Noordlaren om hiermee de kerkhofsringmuur te kunnen herstellen.Luning (1977), p. 19
Tachtigjarige Oorlog: Omvorming tot protestantse kerk Noordlaren had veel te lijden onder de Tachtigjarige Oorlog. In 1588 werd de kerk gebruikt door troepen om zich te verschuilen. In 1589 werd de laatste priester Hieronymus Gaeripeius door het stadsbestuur van Groningen verbannen wegens ketterij. In de jaren erna bleef de kerk katholiek, maar van missen kwam weinig terecht doordat het gebied zwaar werd getroffen door rondtrekkende krijgsbenden, omdat zowel de Staatse als de Spaanse troepen het niet afdoende konden beschermen. In 1591 raakte de kerk zwaar beschadigd toen het dorp werd platgebrand. Bij de reductie in 1594 werd de kerk omgevormd voor de protestantse eredienst en samengevoegd met die van Midlaren.Luning (1977), p. 17, Luning (1988), p. 20. Luning acht het mogelijk dat dit een poging was om Midlaren bij Groningen te trekken, omdat het Groninger regentengeslacht De Drews een belangrijke stem had in de Midlaarder marke. Een jaar later werd de kerk echter samengevoegd met de kerk van Haren, waarbij de eerste predikanten in Haren woonde. Na de instelling van de gemeente kampte deze echter nog met verschillende problemen. In 1598 klaagde predikant Tobias Seusing (de vierde predikant in 3 jaar) bij het stadsbestuur dat de boeren hun graan dorsten binnen de muren van de kerk en het stroafval niet opruimden.Luning (1988), p. 25 Verder klaagde de predikant dat de 3 altaren er nog steeds stonden ondanks het bevel van de ambtman van Selwerd om deze uit de kerk te verwijderen.Prins-Poorter (1993), p. 122 Ook meldde hij dat de kinderen niet de calvinistische, maar de lutherse leer aanhingen en dus snel onderwezen moesten worden. De school was in 1591 afgebrand, waarop de schulte dan maar school hield in de kerk. In de jaren daaropvolgend werden regelmatig klachten geuit over 'papistische' zaken: Zo waren er in 1619 volgens de toenmalige predikant nog papistische kerkvoogden, werd in 1627 de schoolmeester vermaand voor het meegeven van papistische zegeningen aan de leerlingen (zijn opvolger 2 jaar later werd eveneens vermaand om dit niet te doen) en waren er in 1609, 1633 en 1635 klachten van de predikant over papistische bijeenkomsten in het huis van Sixtus Aldringa in Glimmen. In 1635 gebeurde dit bij de 'Hilige stede bij de ronde boom tho Jr. Wifferings thoe Glimmen'.Luning (1977), p. 30, Luning (1988), p. 33 Een ander gebruik dat nog lang bleef bestaan was de utigst; een maal bij begrafenissen, dat soms uitmondde in drinkgelagen; iets wat de katholieke kerk nooit helemaal had kunnen uitbannen en ook in de protestantse tijd nog lang voortduurde. Een deel van de bevolking van Noordlaren en Glimmen hield nog lange tijd vast aan deze en andere zaken uit het katholieke verleden. Om dit te veranderen werd gebruikgemaakt van pressiemaatregelen. Zo werden de armen door de diaconie gedwongen om in ruil voor bijstand de kerk trouw te bezoeken en werd rijken die niet het protestantisme aanhingen de toegang tot belangrijke regeringsbanen ontzegd. In het Gorecht werd om het bezoek aan de slecht bezochte middagdienst te vergroten besloten om de kinderdoop voortaan in deze dienst te houden. Een en ander leidde echter niet tot een veel groter bezoek aan de kerk. De middagdiensten werden zelfs in het geheel niet bezocht door de Glimmenaren. Pas eind 17e eeuw kwam hier enige verandering in.Luning (1988), pp. 35-38, 42
In 1636 werd besloten om net als in andere Gorechter kerkgemeenten de kerkvoogdij voortaan te laten bestaan uit drie eigenerfden.
De Noordlaarders poogden reeds in 1613 bij het vertrek van de toenmalige predikant om van het Groningse stadsbestuur toestemming te verkrijgen om een eigen predikant te mogen aanstellen, maar vanwege te weinig inkomsten werd dit afgewezen. In 1618 werd dit weer afgewezen. Pas in 1644 kreeg Noordlaren een eigen predikant in de persoon van Wilhelmus Alstorphius (Helmi Althorpy), die werd beroepen vanuit Deventer. De kerkgemeente zou onafhankelijk blijven tot 2003.
Eerste helft 17e eeuw: Reparaties en aanschaf van inventaris In de 17e eeuw werd het kerkgebouw hersteld van de oorlogsschade en ingericht voor de protestantse eredienst. In het 'Protocollum ecckesiae Nortlarensis ofte kerckenboeck tot Nortlare' staat veel informatie over het reilen en zeilen van de kerk vanaf 1602. Het kerkboek vermeldt in de eerste helft van de 17e eeuw verschillende restauraties aan de kerk en toren. Er werd toen ook veel inventaris aangekocht: In 1603 werden de eerste kerkbanken geplaatst en wordt gesproken over metselwerk, dakpannen en 'edtluck holdt'