De Griekse landschildpad of Griekse schildpad (Testudo hermanni) is een schildpad uit de familie landschildpadden (Testudinidae).
Het is een middelgrote soort die een schildlengte bereikt van ongeveer 20 tot 30 centimeter. De kleur van het rugschild is geel met zwarte accenten op de hoornplaten. Het buikschild heeft een gele tot geelbruine kleur met zwarte banden aan weerszijden van het schild of zwarte vlekken en/of strepen. Vrouwtjes en mannetjes zijn pas op latere leeftijd goed van elkaar te onderscheiden.
De soort komt voor in het Middellandse Zeegebied in de landen Frankrijk, Spanje, Italië en Griekenland. Het areaal beslaat verder verschillende delen van zuidelijk en oostelijk Europa, grofweg van midden-Slovenië en zuidelijk Roemenië in het noorden. De habitat bestaat uit relatief droge streken met veel begroeiing.
De Griekse landschildpad is voornamelijk herbivoor en leeft vooral van bladeren en grassen, maar af en toe worden ook kleine dieren of aas gegeten. In veel Mediterraanse landen komt de schildpad als welkome gast voor in tuinen of wordt hij in gevangenschap gehouden. In Nederland is het de vaakst als huisdier gehouden landschildpad. In zijn natuurlijk milieu wordt hij sterk bedreigd en gaat er al vele jaren sterk in aantal achteruit. Het verspreidingsgebied is daardoor steeds kleiner geworden. Als reactie daarop kwamen er verschillende nationale en internationale afspraken die het dier bescherming moeten bieden.
Naamgeving thumb|Het holotype van Gmelin in het Musée zoologique de la ville de Strasbourg. De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst voorgesteld door Johann Friedrich Gmelin in 1789. Later werd de wetenschappelijke naam Testudo graeca bettai gebruikt. De soortaanduiding hermanni is een eerbetoon aan de Franse arts en natuuronderzoeker Johann Hermann (1738 – 1800). De ondersoort Testudo hermanni boettgeri is vernoemd naar de Duitse zoöloog Oskar Boettger (1844 – 1910). Gmelin vond de schildpad waarop hij zijn beschrijving baseerde in de collectie van Hermann. Hermann was als professor natuurlijke historie verbonden aan de Jardin botanique de l'Université de Strasbourg en legde de basis voor het Musée zoologique de la ville de Strasbourg. De schildpad was al eerder beschreven in 1789 door Johann Gottlob Schneider, maar deze kende geen wetenschappelijke naam toe aan de schildpad. Lange tijd werden de Griekse landschildpad en de Moorse landschildpad (Testudo graeca) als dezelfde soort beschouwd. Gabriel Bibron splitste beide soorten weer maar deed dat op een ondeugdelijke manier waardoor de soort Testudo hermanni bekend kwam onder de naam Testudo graeca. Voor de soort Testudo graeca werd vaak de wetenschappelijke naam Testudo mauritanica gebruikt, of soms Testudo ibera. De fout werd ontdekt in 1913 door Friedrich Siebenrock maar pas in 1925 werd de naam Testudo hermanni weer in ere hersteld door de Britse zoöloog Stanley Flower.
De Nederlandstalige naam 'Griekse' landschildpad slaat op een deel van het verspreidingsgebied, hoewel de schildpad ook in andere delen van zuidelijk Europa voorkomt. In andere talen wordt een gelijkende naam gebruikt, zoals het Duitse 'Griechische Landschildkröte'. De naam 'Griekse' landschildpad kan echter verwarrend zijn omdat er ook een soort is die als wetenschappelijke naam Testudo graeca heeft, wat letterlijk vertaald 'landschildpad van Griekenland' betekent. In veel andere talen is wordt juist deze soort aangeduid met Griekse landschildpad zoals het Franse 'tortue grecque', het Engelse 'Greek tortoise'. De Nederlandse naam voor die soort is Moorse landschildpad, vergelijkbaar met de Duitse naam 'Maurische Landschildkröte'.
De triviale naam van Testudo hermanni verwijst in andere talen vaak naar de naam in de soortaanduiding, zoals het Engelse 'Hermann's tortoise', het Franse 'Tortue d'Hermann' en het Italiaanse 'testuggine di Hermann'.
Indeling De Griekse landschildpad is zeer sterk verwant aan de vierteenlandschildpad (Testudo horsfieldii), die in delen van oostelijk Europa tot in Azië en het Midden-Oosten voorkomt. Beide soorten hebben veel uiterlijke kenmerken gemeen alsmede het feit dat vrij diepe holen worden gegraven in vergelijking met andere soorten uit het geslacht echte landschildpadden (Testudo).
De schildpad werd in het verleden aan andere geslachten toegekend door verschillende auteurs, zoals Protestudo (Chkhikvadze, 1970), Eurotestudo (de Broin, Bour, Parham & Perälä, 2006) en Chersine (Vlachos & Rabi, 2019). Geen van deze geslachten wordt tegenwoordig nog erkend.
Er worden twee ondersoorten onderscheiden; Testudo hermanni boettgeri komt voor in het oostelijke deel van het verspreidingsgebied en Testudo hermanni hermanni in het westelijke deel. Er zijn diverse verschillen tussen de twee ondersoorten zoals bepaalde uiterlijke kenmerken. Om veelvuldige herhaling van de wetenschappelijke namen te voorkomen zal de ondersoort Testudo hermannni hermanni verder worden aangeduid met de westelijke vorm en de ondersoort Testudo hermanni boetgeri met de oostelijke vorm.
Onder sommige biologen gaan stemmen op om de twee ondersoorten als aparte soorten te erkennen onder de geslachtsnaam Eurotestudo. De westelijke vorm zou volgens dit voorstel Eurotestudo hermanni gaan heten en de oostelijke vorm Eurotestudo boetgeri. Deze zienswijze is echter nog niet algemeen geaccepteerd omdat de precieze genetische relaties tussen de verschillende echte landschildpadden uit het geslacht Testudo nog niet voldoende bekend zijn. De Griekse landschildpad kan hybrides vormen met de vierteenlandschildpad (Testudo horsfieldii).
Er zijn drie ondersoorten die tegenwoordig niet meer worden erkend om verschillende redenen. Veel bronnen noemen Testudo hermanni hercegovinensis als derde ondersoort. Deze wordt tegenwoordig echter gezien als een geografische variatie van T. h. boettgeri. Populaties van de oostelijke vorm werden enige tijd beschouwd als behorend tot de ondersoort Testudo hermanni robertmertensi, maar deze status wordt sinds 1992 niet meer erkend omdat de soortaanduiding robertmertensi als ongeldig wordt beschouwd. Deze naam werd later wel gebruikt voor de populaties op het eiland Mallorca. Populaties van de Griekse landschildpad in de omgeving van Sparta blijven aanmerkelijk kleiner en werden hierom wel voorgedragen als een aparte ondersoort, Testudo hermanni peloponnesica, maar deze naam is nooit algemeen geaccepteerd geweest.
De ondersoorten, inclusief de niet meer erkende vormen, zijn onderstaand weergegeven, met de auteur en het verspreidingsgebied. Naam Auteur Status Verspreidingsgebied Testudo hermanni boettgeri Mojsisovics, 1889 Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Roemenië, Albanië, Servië, Montenegro, Noord-Macedonië, Bulgarije, Griekenland, Turkije Testudo hermanni hercegovinensis Werner, 1899 Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro Testudo hermanni hermanni Gmelin, 1789 Spanje, Frankrijk, Italië Testudo hermanni robertmertensi Wermuth, 1958 Mallorca Testudo hermanni peloponnesica geen Uiterst zuidelijk Griekenland
Uiterlijke kenmerken De Griekse landschildpad is een middelgrote landschildpad die een overwegend geelbruine tot geelzwarte kleur heeft. Er zijn enkele verschillen tussen de westelijke vorm (Testudo hermanni hermanni) en de oostelijke vorm (Testudo hermanni boetgeri). Met name de kleuren van delen van de kop en die van de hoornplaten van het schild wijken wat af, alsmede de lichaamslengte.
Lichaamsgrootte De Griekse landschildpad is -vergeleken met Europese landschildpadden- een vrij grote soort, de vrouwtjes worden langer dan de mannetjes. Een volwassen dier kan twee tot vier kilogram wegen. De schildlengte is variabel, exemplaren van de westelijke vorm bereiken zelden een schildlengte van meer dan negentien centimeter maar exemplaren op Corsica worden aanzienlijk groter tot 25 cm, althans de grotere vrouwtjes. Exemplaren van de oostelijke vorm kunnen een schildlengte bereiken tot maximaal 34 cm. Dit betreft alleen exemplaren van de westelijke vorm. Grotere exemplaren zijn voornamelijk bekend uit Bulgarije. De kleinste exemplaren zijn bekend uit het Griekse Peloponnesos en worden door sommigen om die reden als een aparte ondersoort beschouwd, al is dit nooit officieel erkend.
Kop De kop is heeft in vergelijking met andere schildpadden een gemiddelde grootte en draagt een snavelachtige, omlaag gekromde bovenkaak. De snuitpunt heeft een enigszins spitse vorm maar steekt niet duidelijk uit. De suboculaire schubben (onder de achterzijde van het trommelvlies) van de westelijke vorm hebben een geelachtige tot heldergele kleur, terwijl deze kleur bij de oostelijke vorm ontbreekt. . De rest van de kop heeft een grijze tot bruine of gele kleur, de voorzijde en de onderzijde van de kop zijn vaak wat lichter gekleurd. De schubben aan de keel zijn rond en hebben geen kleine kegelachtige uitsteeksels zoals bij gelijkende schildpadden voorkomt zoals de snavelborstlandschildpad (Chersina angulata).
Schild Het schild bestaat aan de bovenzijde uit het rugschild of carapax, dat voorzien is van hoornplaten die wel de rugschilden worden genoemd. Aan de onderzijde is het zwaardere en sterker verbeende buikschild of plastron aanwezig, dat veel smaller is om ruimte te maken voor de poten.
Rugschild thumb|Hoornplaten van het rugschild: Het rugschild is koepelvormig maar is relatief minder hoog als dat van gelijkende soorten zoals de verwante Moorse landschildpad. Aan de voorzijde, boven de nek, is het kleinste schild gelegen, het nekschild of nuchaalschild. Het rugschild draagt op het midden een rij van vijf wervelschilden (ook wel vertebraalschilden). Aan weerszijden van de wervelschilden zijn vier ribschilden of costaalschilden gepositioneerd. Aan de achterzijde van het laatste wervelschild is het staartschild of supracaudaalschild gelegen. De platen aan de rand van het schild worden de randschilden of marginaalschilden genoemd. Merk op dat ook het nuchaalschild en het staartschild aan de rand zijn gelegen maar niet onder de randschilden vallen. Het staartschild is bij de Griekse landschildpad altijd gepaard en hieraan is de soort van gelijkende schildpadden te onderscheiden.
Het nuchaalschild is bijna vierkant van vorm in vergelijking met verwante soorten. De Egyptische landschildpad (Testudo kleinmanni) is het nuchaalschild afgerond aan de voorzijde, bij de vierteenlandschildpad (Testudo horsfieldii) is het nuchaalschild aanzienlijk smaller. De marginaalschlden zijn ongeveer gelijk van vorm en grootte, ze vormen een gelijkmatige rand rondom de overige schilden en zijn niet verbreed. Bij de gelijkende klokschildpad (Testudo marginata) zijn de marginaalschilden aan de achterzijde van het schild sterk verbreed en bovendien wat omhoog gekromd.
Op het vierde vertebraalschild, gezien vanaf de voorzijde, is bij de westelijke vorm vaak een zwarte vlek aanwezig op het midden van de hoornplaat die bij de oostelijke vorm meestal ontbreekt. Op het vijfde, achterste vertebraalschild heeft de westelijke vorm vaak een overwegend zwarte kleur met een gele vlek die wat weg heeft van een sleutelgat. Deze vlek ontbreekt vrijwel altijd bij de oostelijke vorm of wijkt sterk af.
De hoornplaten aan het rugschild hebben een zwarte vlek in het midden met soms een geel centrum, de rest van de hoornplaat is vaak geel van kleur. De hoornplaten hebben meestal een zwarte kleur aan de naden maar de platen zijn variabel in kleur en tekening. Bij sommige exemplaren zijn de hoornplaten geheel geel van kleur met slechts een zwart midden en dunne zwarte naden tussen de platen. Jongere dieren hebben veel meer geprononceerde kleurvlakken die bij oudere dieren vervagen. Het patroon van lichtere en donkere vlekken op de hoornplaten kan per individu weliswaar iets afwijken maar de patronen zijn individueel steeds ongeveer hetzelfde op iedere plaat. Heel oude exemplaren hebben koepelvormige hoornplaten die duidelijk uitsteken. miniatuur|Griekse landschildpad uit Noord-Macedonië