Acht Zaligheden (oorspronkelijk: (Zeven) Selligheden)Nederlandsche Volks-Almanak - N.B. Donkersloot (1857) (p. 33) books.google, 20 februari 2021Het leven van Nicolaas Beets - P.D. Chantepie de la Saussaye (1904) (p. 40) dbnl, 6 maart 2024. Gearchiveerd op 9 september 2021. is een verzamelnaam voor acht plaatsen met op -sel uitgaande namen uit de Nederlandse provincie Noord-Brabant, gelegen in de Kempen, ten zuidwesten van Eindhoven en bestaande uit de plaatsen: Duizel, Eersel, Hulsel, Knegsel, Netersel, Reusel, Steensel en Wintelre, alias Wintersel. Deze acht plaatsen vormen samen met nog eens acht tussen- en omliggende plaatsen een gelijknamige grensstreek en omvat het gebied van de huidige gemeenten: Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden, inclusief het Veldhovense kerkdorp Oerle en zijn omgeving. Het gebied bestond voor de gemeentelijke herindelingen van 1921 eveneens uit acht zelfstandige gemeenten, ook wel streek der acht zaligheden of oude kern van de Kempen genoemd.
Aangezien de namen van de zaligheden Duizel en Wintelre indirect op -sel eindigen, worden ze taalkundig toch als zaligheden gerekend. Zo werd Duizel van oudsher geschreven als Dui(j)sel en wordt Wintelre in de volksmond, ruim voor het ontstaan van de streeknaam, Wijnter-, Wenter- of Wintersel genoemd.Lijst van nederlandsche plaatsnamen naar de nieuwere regelen gespeld - C.G. Van der Post (1861) (p. 73) books.google.nl, 24 maart 2021Geschied- en aardrykskundige beschryving der stad en Meiëry van 's Hertogenbosch, Beginnende met de vroegste tyden en eindigende met de jare 1802. - Stephanus Hanewinckel (1803) (p. 432) books.google, 5 maart 2021 De naam Acht Zaligheden is oorspronkelijk schertsend van aard, is daarnaast een toespeling op de bergrede en werd gedurende de 19e eeuw door de lokale bevolking als een ambivalente geuzennaam aanvaard. Naarmate de opkomst van het toerisme in de 20e eeuw vorderde is hij meer en meer uitgegroeid tot een eretitel voor met name de betreffende dorpen.De Acht Zaligheden, oude kern van de Kempen - De naam Acht Zaligheden - Hein Mandos (1971) (p. 371-380)
Naamsverklaring De herkomst van de benaming is niet zeker. De term Acht Zaligheden zou in gebruik zijn geraakt tijdens de Belgische Opstand (1830-1839) en was spottend in gebruik onder manschappen van het in de Kempen ingekwartierde Nederlandse leger. Dat leger, grotendeels afkomstig van boven de rivieren vanwege vrees voor Noord-Brabantse steun aan de Belgische rebellen, was het gros van de tijd in de streek actief voor het handhaven van de opgelegde status quo. 300px|thumb|Een aquarel van een Kempense langgevelboerderij te Knegsel, omringd door manschappen van de Noord-Hollandse schutterij en fungerende als kwartier voor haar luitenant J.L. Kikkert, tevens de maker van het werk uit 1832. 300px|thumb|Ingekwartierde Nederlandse militairen worden voorzien van schoon goed en voeding in een boerenwoning te Hoogeloon. De oudste vermelding van de benaming Acht Zaligheden dateert uit 1841 en is van de hand van C.R. Hermans.De Aardbol. Magazijn van Hedendaagsche Land- en Volkenkunde. Derde Deel: De Nederlanden. Met Platen en Kaarten. - Cornelis R. Hermans (1841) (p. 623-624) books.google 30 januari 2021 Vanaf het begin van de Belgische Opstand in 1830 en tegen de achtergrond van de Tiendaagse Veldtocht (1831) trokken militairen door de Kempen. Zij bestonden naast het reguliere leger onder andere uit dienstplichtigen, mobiele schutterijen, flankeurs, studentencompagnieën en huzaren. Tot 1839 werden zij ingekwartierd bij de lokale boerenbevolking in de grensstreek. De soldaten waren voornamelijk protestants en afkomstig uit meer welvarende streken; vaak waren ze beter geschoold dan de lokale bevolking. De Kempen was een arme regio en werd in de 19e eeuw beschouwd als een achtergebleven en geïsoleerd gebied. De overwegend rooms-katholieke bevolking bestond voornamelijk uit keuterboeren, die een moeizaam bestaan leidden op de schrale zandgronden. De term was volgens deze lezing een spottende verwijzing naar de barre omstandigheden waaronder de soldaten waren gelegerd en tegelijk een sneer naar de lokale bevolking, die zich weinig bewust was van de welvaart in andere landstreken en juist van mening was dat zij een zalig (gelukkig) leven leidde.De waarheid over Noord-Brabants acht zaligheden - NRC Handelsblad (2011) nrc.nl 15 oktober 2019. Gearchiveerd op 5 december 2021.
De Selig- of Selligheden-etymologie Sinds het ontstaan van de naamgeving wordt er gesproken over Selig- of Selligheden als oorspronkelijke benaming voor deze dorpen. De in Duizel geboren archeoloog en onderwijzer P.N. Panken, die de Belgische Opstand zelf meegemaakt had, schrijft over de Selligheden-etymologie in een publicatie van na 1883. Uit zijn publicatie valt op te maken dat de auteur zich tot op latere leeftijd bijzonder gekwetst voelde door de naam. Panken gaat als een van de weinigen dieper in op de oorsprong van de naam. Hij achtte het mogelijk dat de in dit geval sarcastische term Zaligheden een verbastering is van Selig- of Selligheden en dat om die reden de woordspeling voldeed als denigrerende bijnaam voor de streek en in het bijzonder de seldorpen. De woordspeling valt in de literatuur voor zover bekend voor het eerst terug te vinden in de Nederlandsche Volks-Almanak van het jaar 1857 door N.B. Donkersloot, waarbij hij de naam Acht Zaligheden in een voetnoot verder toelicht. Hij schrijft dat de naam zijn oorsprong vindt in de woordspeling Selligheden, verwijzend naar de acht seldorpen. Donkersloot had vanaf 1831 als officier van gezondheid deelgenomen aan de Tiendaagse veldtocht en was in Noord-Brabant ingekwartierd geweest. Dat maakt zijn bewering enigszins betrouwbaar. 300px|thumb|De mogelijke grondleggers van de naam Selligheden, de Vrijwillige Jagers der Leijdsche Hoogeschool, gedurende de opmars van de Tiendaagse Veldtocht, bivakkerend op de Eerselse Heide en verplaatsend richting het Belgische Postel (2 augustus 1831). Daarentegen wijkt P.D. Chantepie de la Saussaye in 1904 af van Donkersloot's bewering en schrijft over zeven seldorpen, wat feitelijk gezien ook klopt, en noemt specifiek het jaar 1831, vermoedelijk verwijzend naar de Tiendaagse veldtocht, als periode van totstandkoming van de term Zeven Selligheden. In zijn biografie over N. Beets schrijft hij dat naast Beets onder anderen J.J.A Goeverneur en J.H. Hasebroek, welke beiden als student deelgenomen hadden aan de veldtocht van 1831, plannen hadden beraamd voor een zevenzaligheidsalmanak. Dit werd door de theoloog verder toegelicht met de volgende vermelding; Vrijwilligers van 1831 noemden 7 Brabandsche dorpjes of gehuchten wier namen op sel uitgingen de ‘Zevenselligheden’. Het is zeer aannemelijk dat met vrijwilligers bedoeld wordt de Vrijwillige Jagers der Leijdsche Hoogeschool. Deze compagnie vertrok op 13 november 1830 richting België en keerde op 23 september 1831 terug in Leiden. Het is echter niet uitgesloten dat zij ook daadwerkelijk de grondleggers zijn van de denigrerende bijnaam of dat er verwezen wordt naar vrijwilligers van schutterijen, het reguliere Nederlandse leger of andere studentencompagnieën. Ook is niet duidelijk in hoeverre de letterkundigen Goeverneur en Hasebroek hierbij betrokken waren. Een jaar later schrijft W.G Van Nouhuys als kritische reactie op het stuk van Chantepie de la Saussaye in het blad Groot Nederland dat hij in zijn jeugd eveneens vernomen heeft dat het gaat om de Zeven Zaligheden, spreekt daarentegen van het jaar 1830, dat de naam ontstaan is door toedoen van vrijwilligers die daadwerkelijk ingekwartierd waren en spreekt simpelweg van Selligheden.Groot Nederland. Jaargang 3 - W.G. Van Nouhuys (1905) (p. 251) dbnl, 6 maart 2024. Gearchiveerd op 29 november 2020.
Meerdere deskundigen zijn van mening dat er in dit geval sprake is van een meertalige woordspeling. Door de eeuwen heen zijn er verschillende West-Germaanse talen waarin selig naar schrijfwijze de voorloper vormt van het naar het Nederlands verbasterde woord zalig, waaronder het Middelnederduits en het Oudfries.ZALIG - (INTENS GELUKKIG; HET EEUWIG HEIL DEELACHTIG; VERRUKKING TEWEEGBRENGEND, HEERLIJK) etymologiebank.nl 8 juli 2021. Gearchiveerd op 9 juli 2021. Meerdere bronnen leggen de link met de Frankische termen sala en sali, als voorlopers van de uitgang -sel, in het huidige Nederlands verwant aan het woord zaal. De eerste die het mogelijk achtte dat de herkomst hier gezocht moest worden, was F.J.E. van Zinnicq Bergmann in 1856.Het voormalig hertogdom Brabant: Geschied. en regtskundig onderzoek naar den staatkundigen toestand van dat land, bepaaldelijk ock met bestrekking tot Noord brabant, de meijerij en stad's Hertogenbosch - F.J.E. van Zinnicq Bergmann (1856) (p. 265) books.google, 17 november 2021. Gearchiveerd op 5 december 2021. Ook A.A. Weijnen was in de veronderstelling dat de oplossing in de Frankische hoek gezocht moest worden. Deze taalkundige schrijft in 1939 dat de naam een herinnering is aan de Salische Franken die zich in de 4e eeuw in Toxandrië hadden gevestigd en het gros van de nederzettingen gesticht zouden hebben.Betekenis en mogelijkheden der heemtaalkunde - A.A. Weijnen (1939) (p. 20) dbnl, 5 november 2022. Gearchiveerd op 5 november 2022.sala of seli in het Oudnederlands woordenboek. Gearchiveerd op 5 december 2021. Als meertalige woordspeling ligt een louter Kempense oorsprong niet voor de hand, gelet op de taalkundige complexiteit. De Kempense bevolking was taalkundig minder onderlegd, kende nauwelijks tot geen onderwijs en sprak voornamelijk dialect. De toeschrijving aan in het gebied gelegerde of ingekwartierde soldaten ligt meer voor de hand.
Armzalige zandstreek C.R. Hermans verwijst in zijn publicaties van 1841 en 1845 nadrukkelijk naar de onvruchtbare en schrale grond. Hermans noemt de Kempense grond een armzalige bodem. De suggestie is dat de term armzaligheden smalend werd omgezet tot Selligheden (Zaligheden).Geschied- en aardrijkskundige beschrijving der provincie Noord-Braband - Cornelis R. Hermans (1845) (p. 151) books.google.nl 5 maart 2021 Landbouwkundige W.J.D. van Iterson bevestigt de uitspraak van Hermans deels in zijn publicatie uit 1868 door te schrijven dat de naam ontstaan is als gevolg van de barre heiden gedurende de Belgische Opstand.Schets van de landhuishouding der Meijerij - W.J.D van Iterson (1868) (p. 29) book.google.nl, 10 juni 2020. Gearchiveerd op 5 december 2021. In 1872 verwijst F.C. Donders naar de connectie tussen de schrale zandgrond en het woord 'armzalig'. Donders had ten tijde van de Belgische Opstand als kostleerling op een kostschool in Duizel doorgebracht en schreef over de naam Acht Zaligheden het volgende: Zo noemt men ironisch de armzaligste heidorpen op de zuidelijke grenzen van Noord-Brabant.Levensschets van Gustaaf Eduard Voorhelm Schneevoogt - F.C. Donders (1872) (p. 7) books.google.nl 17 maart 2021 250px|thumb|De ketting van Steensel bij de Luciatoren aldaar, een verwijzing naar de legende over een pier die per toeval in de armoedige zandgrond van Steensel terechtkwam en aan een ketting gelegd werd ter bevordering van de vruchtbaarheid van de bodem. Het dorp Steensel werd door de overige streekbewoners bestempeld als de armzaligste van heel de regio, waarna door hen werd aangenomen dat er nog geen pier in deze armoedige zandgrond zou kunnen overleven, met als gevolg dat haar inwoners in de volksmond ook wel pieren genoemd worden.