Het Beleg van Delfzijl (ook: Blokkade van Delfzijl) speelde zich af tijdens de overgang van de Franse tijd in Nederland naar de periode van het Koninkrijk der Nederlanden en duurde van 13 november 1813 tot het ontzet op 23 mei 1814. In tegenstelling tot de situatie bij bijvoorbeeld het beleg van Leiden (1573–1574), dat resulteerde in Leidens ontzet (1574), bevond de bezetter zich niet rondom maar binnen de stad, omdat Delfzijl zich onder kolonel Pierre Maufroy in Franse handen bevond. De troepen van de Nationale Garde, Kozakken en Pruisen en de schepen van de Engelse Vloot, die gezamenlijk onder leiding stonden van de Nederlandse kolonel Marcus Busch, belegerden de vestingstad Delfzijl om haar weer in Nederlandse handen te krijgen.

Omdat kolonel Maufroy niet wilde geloven dat Napoleon Bonaparte verslagen was, bleef hij Delfzijl, met succes, verdedigen. Zo bleef de vesting Delfzijl tot na de Franse tijd bezet. Delfzijl was daarmee het laatste steunpunt voor Napoleon, die anderhalve maand voor het ontzet van Delfzijl verbannen was naar Elba.De Greef. P. (1998). Delfzijl – Farmsum. Door een oude en nieuwe lens gezien. Groningen: Banga Book Productions.

Delfzijl in de Franse tijd Van oudsher was Delfzijl een belangrijke vestingstad met een (marine)haven. Tijdens de Franse Tijd vervulde de stad een strategische rol. De eerste Franse soldaten marcheerden Delfzijl binnen op 19 januari 1795, de dag waarop Willem V in stilte vertrok naar Engeland. De Fransen werden door het patriottistische gemeentebestuur met open armen ontvangen.

In een brief van het gemeentebestuur aan de Eerste Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek uit 1796 werd het belang van de vestingstad Delfzijl onder de aandacht gebracht. De Fransen onderkenden het belang van Delfzijl en zonden Jean François Aimé Dejean, de latere 'Inspecteur-Generaal der Fortificatiën', naar Delfzijl om rapport uit te brengen. Delfzijl werd als een sleutelpost voor de verdediging van Noord-Nederland gezien en moest daarom worden versterkt. De Fransen bouwden er de Caserne du Centre en de Spaanse Kazerne. De Grote Kazerne op het exercitieterrein "de Venne" kwam gereed in 1799. Tegen 1810 werd de oorlogsvloot uitgebreid tot acht brikken, acht kanonneerboten en enkele kleine schepen. Ook waren er twee viceadmiraals gehuisvest in het Commandementshuis van Delfzijl. Daarnaast werd er een groot garnizoen gelegerd binnen de vesting. Niet alleen de troepen en de vloot kregen de aandacht, ook werd in 1811 de vesting verder versterkt. thumb|Reconstructie van de geplande tweelingvesting Delfzijl–Farmsum. Tegen het einde van 1811 bemoeide Napoleon zelf zich met Delfzijl.Steenhuis, A. (2003). Windjammers in Delfzijl. Groningen: Godert Walter. p. 122 Hij wenste een hechte versterking op de Eems, om zo een Engelse aanval vanaf zee af te kunnen slaan.Napoleon was ervan overtuigd dat Delfzijl van groot belang was. Letterlijk schreef hij: "la place de Delfzijl est de la plus grande importance". Er werden wel plannen opgesteld om Delfzijl verder te versterken door er een vesting tegen aan te bouwen (een zogenaamde tweelingvesting) maar uiteindelijk kwam hier niets van. De Franse rampspoeden elders in Europa, zoals de Russische veldtocht, eisten namelijk alle aandacht en inspanning op. Wel werden vestingwerken van Delfzijl zo goed mogelijk versterkt en zo nodig uitgebreid. Ook kwamen er meer wapens om de stad te verdedigen.

Nadat de grote Volkerenslag bij Leipzig (16 en 19 oktober 1813) had plaatsgevonden, waarin Napoleon verpletterend werd verslagen, trok de keizer zich terug achter de Rijn. De vesting Delfzijl, voor de Fransen van belang voor de aanvoer van troepen over zee, kon zich tegen november 1813 opmaken voor haar beleg. Er werden tussen Groningen en Delfzijl troepen Kozakken gesignaleerd. Op 3 november werd de ingang van de havenstad daarom gestremd door de Landpoort te sluiten. De andere drie toegangen tot de vesting – de Grote Waterpoort, de Kleine Waterpoort en de Farmsumer Poort – werden strenger bewaakt.

Op 13 november 1813 werden de voorraden van Appingedam onder dwang in beslag genomen en overgebracht naar Delfzijl, waarna alle poorten hermetisch werden gesloten. Het beleg van Delfzijl was begonnen.

Het beleg van Delfzijl thumb|400px|De globale situatie tijdens het beleg van Delfzijl 1813–1814

November 1813 Op 13 november 1813 kondigde de commandant van de vesting Delfzijl, kolonel Maufroy, de staat van beleg af. Binnen de vesting waren naast ruim duizend burgers 1221 man infanterie, 60 man cavalerie, 80 man artillerie met 200 kanonnen op de wallen, vier genie-officieren en 209 mariniers gelegerd, allen met diverse nationaliteiten. Maufroy had nog een order gezonden om het geschut van het militair fort Zoutkamp over te brengen naar Delfzijl; daarvoor zond hij een boodschapper met een brief die over de stad Groningen reisde. Marcus Busch, commandant van de Nationale Garde, kon het bericht onderscheppen. Vervolgens overviel hij Zoutkamp om met de daar buitgemaakte wapens en zijn manschappen Maufroy aan te vallen, samen met de rond Delfzijl gelegerde Kozakken. Tegelijkertijd met de orders voor Zoutkamp had Maufroy een schip gezonden om het geschut te convoyeren. De Nederlandse kapitein van dat schip zag zijn kans schoon, liep over en speelde het in handen van de Nederlanders. Het werd opnieuw uitgerust en naar de Eemsmonding gezonden om zich bij de daar opgebouwde Engelse zeemacht te voegen.Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde, inzonderheid van de provincie Groningen. Deel 1. pp. 225-227. De Fransen werden op den duur volledig ingesloten door een coalitie van Kozakken, Pruisen en Hollanders die in een brede kring gelegerd waren bij de zeedijk en de plaatsen Uitwierde, Biessum, Appingedam, Geefsweer, Weiwerd, Oterdum en Termunterzijl. De vluchtroute via de noordkant van de Eemsmonding was afgesneden door enkele Engelse marineschepen.

Omdat er slechts zeven koeien, weinig zout en geen wijn in voorraad waren, gingen de Fransen op 16 november met een kanonneerboot op strooptocht richting de Dollard. Ze kwamen met 2575 kilogram gerst, wijn, en 20.623 kilogram huisbrandolie terug in Delfzijl. Tegelijkertijd werd de Landpoort geopend voor een uitval van 300 man richting Holwierde, Bierum, Spijk en Losdorp. Hierbij werden 200 stuks hoornvee, 100 schapen, herstelmaterialen en een boot vol wijn buit gemaakt. Daarbij werden er enkele boerderijen van niet meewerkende boeren in brand gestoken en werd in Losdorp een molenaarsknecht door een dronken Fransman doodgeschoten, omdat hij de Fransen had beledigd.Geertsema, H. et al. Rondom de Delfzijlen. Winschoten: J.D. van der Veen. Bij contact met de Kozakken viel een gewonde aan Franse zijde. Aan de kant van de Kozakken vielen tien doden en werden daarnaast drie Kozakken gevangengenomen. Na deze twee strooptochten volgden er nog vele. Tijdens de strooptochten kwam het voor dat soldaten aan Franse zijde overliepen naar hun vijand. Volgens Maufroy waren die overlopers allemaal Polen, Pruisen en Duitsers; dat zijn trouwe Fransen zoiets zouden doen kon hij zich niet voorstellen.

thumb|150px|left|Kolonel Marcus Busch, bevelhebber van de belegeringstroepen Dat de Fransen de gelegenheid kregen om keer op keer uit te breken had te maken met de rommelige toestanden rondom de vesting. De batterijen rondom Delfzijl waren veelal nog slecht ingericht en de belegeraars waren niet goed getraind en gedisciplineerd. Marcus Busch werd aangesteld als bevelhebber van de belegeringstroepen voor Delfzijl en trachtte orde op zaken te stellen. Op 29 november werd het eerste "Nederlandse" kanonschot op Delfzijl gelost, dat beantwoord werd met een hevig vuur uit de vele kanonnen op de wallen van Delfzijl. Maufroy liet daarna doorschemeren dat de batterijen niet dichter bij moesten komen, daar hij anders de sluizen van Delfzijl zou openzetten zodat het zeewater het achterland kon binnenstromen. De tijd zou de beslissing wel brengen.De blokkade van Delfzijl in 1813-1814 Eene voorlezing gehouden in de vergadering van de vereeniging Het metalen kruis, afdeeling Groningen, op den 6 November 1854. Gearchiveerd op 31 mei 2023.

Een dag later zette de zoon van stadhouder Willem V en Wilhelmina van Pruisen bij Scheveningen na achttien jaar weer voet op Nederlandse bodem.

December 1813 Deze zoon werd als Willem I op 2 december aangesteld als soeverein vorst der Nederlanden. Boven de rivieren waren alleen de sterke vestingen Deventer, Coevorden, Den Helder, Naarden en Delfzijl nog in Franse handen.Sanders, J.G.M. et al (2002). Noord-Brabant in de Bataafs-Franse Tijd, 1794-1814: een institutionele handleiding. Uitgeverij Verloren. In Delfzijl vroor het op dat moment flink. Op 1 december kon al te voet over de vestinggracht gelopen worden; dat baarde de belegerde Fransen in Delfzijl grote zorgen. De genie liet burgers en militairen vijfmaal daags boten door een vijf meter brede sleuf in het ijs trekken om te voorkomen dat de vestinggracht dichtvroor. Hoewel de belegeraars steeds meer versterking kregen (Busch beschikte inmiddels over een leger van ongeveer 4000 man), hielden de strooptochten van de Fransen aan. Wanneer Delfzijl niet bevoorraad werd, konden Maufroy en zijn troepen geen weerstand blijven bieden. Toch deserteerden veel manschappen als ze de kans kregen. Op 14 december lieten zelfs drie marineofficieren met achttien manschappen met hun schepen zich in handen van de Engelse marine vallen.

Kolonel Busch had in de tijd waarin hij Delfzijl belegerde, zijn manschappen deels met zijn eigen geld versterkt en getraind. Toch kampte hij met het probleem dat zijn manschappen slecht gekleed en bewapend waren. Er werd veel over de slechte voorzieningen geklaagd. Busch liet daarom zonder formele toestemming van zijn superieuren overjassen voor de manschappen vervaardigen. Zijn reputatie bij de manschappen steeg daardoor, maar hij werd door zijn superieuren berispt om zijn eigenmachtig handelen. Ook boterde het niet tussen Busch en de Pruisische officier Karl Friedrich Friccius, die het bevel had over 700 man uit Emden met pieken en lansen. Hij duldde Busch eigenlijk niet boven zich. Maufroy maakte van de onenigheden gebruik door uitvallen te blijven doen om zich te bevoorraden en zich dan weer fluks terug te trekken binnen de vesting. Zo tartte hij ook het berenningskorps van de belegeraars, met als doel het af te matten.

Nadat Friccius en de Engelse commandant Davon tot twee keer toe Maufroy hadden gesommeerd zich over te geven, antwoordde de laatste: Hiermee kwam de strijd dichterbij. Het schootsveld rond Delfzijl werd vrijgemaakt door tientallen boerderijen en een scheepswerf in brand te steken.Daaronder bevonden zich ook de overblijfselen van de borgen Bingenum en Betingeheem. Ook moesten de schepen in de haven hun masten neerhalen of kappen. De belegeraars begonnen met het aanleggen van batterijen, waar dagelijks ruim 500 man mee bezig waren, nabij de rechtervleugel van de vesting. De batterijen werden met zwaar geschut uitgevoerd, zodat er op termijn een bombardement mee uitgevoerd kon worden. Marcus Busch zette de burgerij van Delfzijl onder druk door een afkondiging in het Frans en Nederlands de voorposten van de vesting in te smokkelen, waarin stond dat de erfprins van Oranje tot soeverein vorst was uitgeroepen en dat aangeraden werd het Franse gezag niet langer te erkennen. Maufroy deed dit af als 'onzin'. De afkondiging had een voor Busch goede uitwerking: de dagen erop liepen er zeker veertig man over naar zijn kant.Acker Stratingh, G. et al (1864-1873). Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde, inzonderheid van de provincie Groningen. Deel 1. Groningen: J.B. Wolters

Januari 1814